Een enkele keer ontwaarde ik wel eens een opgetrokken wenkbrauw of hoorde ik een verbaasde vraag (‘Echt waar?’). Maar gelukkig is het beeld van een man achter een strijkplank niet zo schokkend meer. Al meer dan veertig jaar strijk ik zelf mijn wasgoed.
Het gaat niet in de hoeveelheden die mijn moeder verwerkte. Ik beperk me tot broeken en overhemden. Rondlopen in een kreukelig shirt vind ik geen gezicht. Als leidinggevende heb ik tweemaal een collega op een ongestreken voorkomen moeten aanspreken, een man en een vrouw. Met de eerste voelde ik enig medeleven, bij de tweede was het slechts irritatie. Zo word je regelmatig met je gender vooroordelen geconfronteerd.

Ik mag wel zeggen dat het strijken mij vlot afgaat. Wie vraagt wat mijn geheim is, krijgt als antwoord: ‘ik strijk met zuster Boddeke.’ Met zo’n antwoord is het geheim nog niet ontrafeld. Dat komt door dat lastige voorzetsel met. Je kunt dan denken dat ik de strijk samen met zr. Boddeke doe, om de beurt een mouw bijvoorbeeld. Ik zou dat heel graag doen, om niet te zeggen dat het een van de nog niet vervulde wensen van mijn leven is. Maar dat is niet de strekking van mijn antwoord. Ik bedoel dat mijn strijkplank zuster Boddeke heet. Hoezo, hoor ik je denken, wie geeft er zijn strijkplank een naam? Dat voedt de verdenking dat ik ook voor de stofzuiger en de ragebol koosnaampjes heb bedacht. Het eerlijke verhaal is dat ik ooit in een kraakpand heb gewoond, waar huisgenote Lucia B. na haar vertrek een strijkplank had achtergelaten, die aan de achterzijde gebrandmerkt is met de naam Zr. V. Boddeke. Die plank heb ik mij daarna toegeëigend. Zo ging dat destijds in commune-achtige settings.

Ik stel me voor dat Lucia een ongetrouwde tante heeft gehad en dat Lucia na tantes overlijden uit de onverdeelde boedel de strijkplank kreeg toebedeeld. Het is niet aannemelijk dat de tante een Augustines of Claris is geweest. Het zou immers een grove schending van de gelofte van armoede zijn als een non in het bezit van een strijkplank was geweest. Daarom denk ik dat zr. Boddeke een degelijke wijkzuster was (eigen solex, eigen strijkplank) of een verpleegkundige die naast een ziekenhuis in een zusterhuis woonde. Zo’n voorziening waar het krioelde van de zusters, die natuurlijk niet allemaal hun eigen plank hadden. En dat zuster Boddeke na de zoveelste maal dat een collega háár plank had ingepikt een pen heeft gepakt en haar naam op de achterzijde heeft geschreven. Wat haar door het ongelakte hout nog niet gemakkelijk is afgegaan. Wat een gedreven zuster!
Hoe dan ook, het is een beste plank, ook na de zeventig jaar die ik haar (het is een zij) geef. Mijn streven is dat ik nooit meer een andere strijkplank hoef te kopen en dat ik met zr. Boddeke het einde van mijn leven ga halen. Zodat het overhemd dat men mij zal aantrekken als ik in de kist lig op deze plank is gestreken. Ware ik een Egyptenaar, ik zou de zuster meenemen in mijn graf. Nu zit ik mijn hersens te pijnigen wie ik in mijn testament als erfgenaam zal opnemen.