Het jaar 2000 (3)

Mijn moeder is op hoge leeftijd geïnvalideerd geraakt. Na enkele weken kan de thuiszorg een medewerkster vrijmaken die haar helpt met opstaan, eten en naar bed gaan. Iedere dag is ook een van haar vier kinderen een poos aanwezig. Er moet veel geregeld en afgestemd worden. Fysiotherapie, indicatiecommissie, extra voorzieningen in huis. Het personeel van de thuiszorg wisselt doorlopend, zodat het een gedoe is met het doorgeven van sleutels en er wel eens een hulp voor een dichte deur staat ’s morgens. Of de bezorger van de apotheek kan zijn grootverpakking incontinentiemateriaal niet kwijt.
Het helpt daarbij niet dat de cognitieve vaardigheden van mijn moeder sterk zijn afgenomen. Ze vindt, dat ze geen hulp nodig heeft. De thuishulp hoeft niet schoon te maken. De rollator die we gehaald hebben mag met de kerende post terug. ‘Die heb ik toch zeker niet besteld.’ Het zendkastje van de alarminstallatie haalt ze uit het stopcontact. Ondertussen laat ze de krant op de brandende gaskachel liggen.
Met zo’n grote behoefte aan zorg en toezicht ziet het er niet naar uit, dat ze nog thuis kan blijven wonen. Maar kunnen wij dat doorzetten, terwijl zij er zelf niet aan toe is?

Ik heb mijn handen vol en prijs mezelf gelukkig dat ik mijn werktijden flexibel kan indelen. Van de eerste ervaringen van mijn tienerzoon in de jeugdopleiding van Feyenoord maak ik helaas niet alles mee. Als ik bij mijn moeder kom tref ik haar meestal duttend in een luie stoel. Het kleine oude transistorradiootje staat op hoog volume te blèren. Soms hoor ik twee zenders door elkaar heen.
Zelfwerkzaamheid stimuleren is de mantra van de hulpverleners. Onze pogingen om samen met haar te koken geven we op, als er weer eens een biefstuk zwartgeblakerd is. Die mag overigens niet worden weggegooid. We bestellen de maaltijdservice. En nadat een van ons Cup-a-Soup heeft geïntroduceerd, zijn de soeppakjes niet aan te slepen. Ook kroketjes zijn erg in trek. ‘Wat dat betreft leven we in het land der beloften’, oordeelt mijn moeder.

De keuken

Geleidelijk aan lukt het haar om zelfstandig kleine stukjes te lopen. ‘Heerlijk om er even uit te zijn’, zeg ik op een keer als zij stram aan mijn arm vooruit schuifelt op haar pantoffels. ‘Zeker’, beaamt ze, ‘het houdt je lenig.’
Met behulp van de inzet van een leger vrijwilligers gaat zij na enige tijd tweemaal per week naar de dagopvang. Zolang ze daar maar gezellig kan kaarten vindt zij alles best. Als ze maar niet gedwongen wordt om te kleien of te schilderen.
Het zijn de opmaten naar een opname in het verzorgingshuis. Ze beseft inmiddels dat zo’n overgang niet meer kan worden afgewend. Ze wil haar kinderen niet langer tot last zijn. ‘Je moet je verstand gebruiken’, is een van haar favoriete uitdrukkingen, juist in de tijd dat haar verstand haar dagelijks in de steek laat.
Op maandagmorgen 19 maart 2001 trekt ze haar oude winterjas aan, stapt de achterdeur uit, haakt haar arm in die van haar dochter en loopt zonder iets te zeggen en zonder om te kijken het erf af waar zij vanaf haar kindertijd – met een onderbreking van een paar jaar – zo’n tachtig jaar heeft gewoond.