Eén uur voor zijn overlijden

Onze kat is dood. Vorige vrijdag week heeft de dierenarts met een spuitje een einde aan zijn leven gemaakt. Met een lege mand liepen we daarna weer naar huis. In stilte en met een brok in de keel. Na twintig jaar zien we nooit meer zijn afwachtende koppie achter de voordeur. Nooit meer zijn gezelligheid als hij onder het eten erbij kwam zitten. Nooit meer zijn miauwtje als welkom bij het opstaan. Nooit meer samen op de bank.

Op woensdag had de dierenarts gezegd, dat Youri wéér een kilo was afgevallen. Hij was zo breekbaar dat ie bijna omviel als je een aai gaf. Hij viel soms als hij op de bank wilde springen. Zijn neus zat constant verstopt waardoor hij moeizaam ademde. Youri was er de laatste jaren al vaak voor behandeld. Hij kon zich niet meer overal wassen, zodat er bovenop zijn rug een hanenkam was ontstaan, een stijve klit van haren. Hij leek angstiger. Sinds de afgelopen zomer ging hij niet meer naar buiten en moesten we een kattenbak in de keuken zetten. Maar soms zag hij een wasmand met schoon goed aan voor zijn bak. Andere details over zijn stoelgang (bakgang) zal ik hier achterwege laten. De dierenarts adviseerde die woensdag om Youri snel een spuitje te geven.

Staatsieportret in beter tijden

Ik was verrast. Youri at en dronk iedere dag goed. Na het eten strekte hij zich behaaglijk uit op zijn kussentje voor de kachel. Na verloop van tijd wandelde hij van de achterkamer naar de voorkamer en viel daar neer voor de kachel. Zat hij tien minuten uit het raam te kijken, dan had hij een actieve bui. Hij zag er tevreden uit en vertoonde geen tekenen van pijn. Moet je dan abrupt een einde aan zo’n leventje maken?
We hadden ooit eerder een kat, Mikkie. Die kreeg op zijn vijftiende al een langzame tred, zodat Krakkemikkie mij een betere naam leek. Toen we hem op een dag kwijt waren vonden we Mikkie in een kast op de tweede verdieping, opgerold en levenloos.
Zo’n einde leek me ook voor Youri mooi. Maar de dierenarts zei, dat Youri wel pijn zou hebben. Katten laten hun pijn niet blijken, omdat dat hen zwak maakt tegenover mogelijke vijanden. Hoe de dierenarts dit weet, heb ik niet gevraagd. Ik heb me bij het onvermijdelijke neergelegd.

In de wachtkamer vrijdag keek Youri wat onrustig om zich heen, hij draaide zich nog eens om. We streelden zijn magere koppie. De dierenarts veegde op de onderzoekstafel eerst nog een grote snottebel uit zijn neusje. Ze sprak over de keuze tussen crematie en destructie. Het voelde onwerkelijk. Daarna kreeg Youri een narcosespuitje. Na een minuut legde hij zijn koppie neer, gevolgd door zijn lijf. Het ene oog bleef geheel open, het andere voor de helft. We aaiden hem tussen zijn oren en zeiden lieve woordjes. Toen kwam de tweede spuit. Youri lag er zo weerloos bij, zo onschuldig. Ik kon de gedachte niet onderdrukken dat we iets wreeds aan het doen waren.
We zullen maar zeggen, dat het een genadespuit was.
Onze kinderen zijn al lang het huis uit, maar pas nu blijven we echt met zijn tweeën over.