Op zondagmiddag om vijf uur bind ik voor de laatste keer mijn noren onder. Op de vaart achter ons huis kan ik zonder klunen twee kilometer toeren. Aan de zijkant langs het riet is het ijs na vier dagen schaatsplezier nog opvallend goed. Ergens staat een groep veertigers hossend op het ijs, de plastic bekertjes met glühwein in de hand. Alsof het einde van het coronatijdperk gevierd wordt. Onder het wolkendek wordt het licht langzaam grijsblauw. Opeens zie ik G in onze achtertuin. ‘Het is al zes uur’, hoor ik. Ik heb moeite met afscheid nemen. Het is zo’n mooi geluid, de ijzers over het donkere harde ijs. Links, rechts in een fijne cadans. Horizontaal skiën. Zelfs de kou is aangenaam.
Maandagmorgen fiets ik met drie volle boodschappentassen door een druilerige regen naar huis. In onze straat moet ik lopend verder, glijdend over glibberige korsten van platgereden vuile sneeuw. Mijn fiets glijdt weg, maar ik blijf overeind. Links en rechts schuift de laatste sneeuw van een dak met een doffe klap omlaag. Sneeuwbouwsels van kinderen staan er verloren bij.
Regendruppels vallen op het donkere natte ijs. De lichte lijnen van de scheuren vormen een prachtig patroon. Daarboven vliegen eenden, aalscholvers, meeuwen en een paar zilverreigers af en aan op zoek naar eten. Waar zouden de door ons geadopteerde meerkoeten zijn?
Dinsdagmorgen bij het openen van de gordijnen: ‘Hé, daar zijn Keet en Koet!’ Toen het ijs ontstond waren zij verdwenen, met onbekende bestemming. Voor een ongeluk werd gevreesd. Nu zitten ze trouw op het doffe ijs te wachten als twee verslaafden op hun shot. Ze hebben een aantal eenden meegenomen. In de tuin doen de mussen en de mezen zich tegoed aan pinda’s en vetbollen. Andere soorten pikken de restjes op. Een ploeg van twaalf spreeuwen doet goed werk op het gazon.

Aswoendag
. Ik had het goed voorvoeld, het feest is voorbij. Het is tijd om te minderen en niet alleen voor veertig dagen. Minderen in consumeren, in zeuren en eisen, in feesten, in reizen en milieu belasten. Waarin eigenlijk niet? De sneeuw is nu nagenoeg weg. De eerste voorjaarsbloemen zijn tevoorschijn gekomen en de temperatuur bereikt de dubbele cijfers. Het voelt warm aan, maar alles is relatief. Als de temperatuur boven de twintig graden is geweest, dan is elf graden koud.
Op woensdagavond lag er nog een gesloten ijsdek, op donderdagmorgen is alles verdwenen. De vaart is teruggegeven aan de watervogels. De vertrouwde zuidwester blaast de rimpels over het water. Geknakte rietstengels herinneren aan spelende kinderen. Ik zie nog juist dat de kat van de buren een vergeefse sprong waagt naar een aalscholver die zit te mijmeren op de vlonder. Later struinen drie waterhoentjes door de tuin. Zouden hun uitwerpselen goed zijn voor het gras?
Op vrijdag is het tijd om te vissen. Mijn vangst: 4 pakjes Wiki, 2 blikjes energy-drink, 2 half afgekloven appels, 1 aansteker, 1 pakje tempo zakdoekjes, 3 plastic zakken.
Zaterdag: in Utrecht varen er kano’s door de Oude Gracht. Mensen zetten hun stoelen buiten en laten hun jassen binnen. Ik signaleer de eerste korte broek en er is al een waarschuwing voor hooikoorts afgegeven.