De eerste folder

Het was, zoals wel vaker, begonnen met een aardigheidje. Op een feestavond van aktiekoor Linksom had ik, begeleid door T. op zijn accordeon, oude liedjes gezongen over gebroken harten, versleten broekjes en werkloze handen. We wilden wel eens wat anders dan politiek correcte liederen. De nostalgische volksliedjes waren zo overdreven sentimenteel dat wij ze juist weer mooi vonden. Dus kwam er een vervolg.
Ik zie nog een oude vrouw voor me tijdens ons eerste optreden in een bejaardenhuis halverwege de jaren tachtig. Het gerimpelde gezicht bleef tijdens ons optreden in mineurstemming staan. Alsof haar lippen voor eeuwig omlaag stonden en haar ogen niet anders meer dan streng konden kijken. Zij belichaamde als het ware de ellende waarover wij zongen. Ik probeerde zo min mogelijk naar haar te kijken om niet te worden meegenomen in de gedachte dat zij onze uitvoering waardeloos vond. Na afloop gebeurde het. Onder het krachteloze applaus van de bewoners pakte ze haar stok, tikte er driftig mee op de grond en riep: ‘Toegift, toegift!’
‘Iedereen is tot het einde blijven zitten’, zei een verzorgster, ‘en dat is nog nooit gebeurd.’
Zo kregen wij de smaak te pakken. We noemden onszelf W. & D. Moed, stuurden een folder de wereld in en daarna begon het te lopen.
Het ene na het andere verzorgingshuis in Utrecht en verre ommelanden contracteerde ons voor een avondje ouderwets amusement. Wij hadden de wind mee, want er waren toen nog veel van die huizen. Als we een uur voor aanvang binnen kwamen was de zaal al goed gevuld. Soms werd nog wat gekibbeld over wie naast wie mocht zitten. Na afloop kwam er altijd ergens een directeur tevoorschijn om de heren te bedanken en een bloemetje ‘voor de vrouw’ te overhandigen. Een enkele bewoonster stopte ons een gulden toe. Daarna liep de zaal direct leeg en vormde zich een lange rij rollators voor de lift.

Fragment uit de Backroom Tapes, een niet eerder uitgebrachte opname van een repetitie (in de stijl van Lou Bandy):

Tussendoor traden wij ook nog wel eens op in buurthuizen, wat ons een vreemd gevoel bezorgde omdat men Johnny Jordaan en Tante Leen echt mooi vond. Het gebeurde dat daar zoveel gekletst werd dat we moeite moesten doen om de aandacht vast te houden.

De folder van ons laatste programma

Na een paar jaar volgde een professionaliseringsslag. Ik dook bibliotheken in om het vooroorlogse leven te bestuderen en legde een grote verzameling oude, populaire muziek aan. We maakten thematische programma’s over amusement in de dertiger jaren en over gezinnen met zeventien kinderen. Daarbij vertelden we anekdotes, ondersteund door dia’s met ‘beelden uit mijn kinderjaren’. De prijs ging navenant omhoog: van 100 naar 295 gulden exclusief reiskosten en met een beleefd verzoek de belastinginspecteur niet in te lichten.
Ons publiek werd met de jaren ouder en hulpbehoevender. Naast de rollators werden er bedden de zaal ingereden met bewoners die hun ogen continu gesloten hielden. Eén vrouw lispelde voortdurend: ‘Oh moedertje, oh moedertje’, waardoor een vrijwilligster haar kwam knuffelen om verdere verstoring te voorkomen. Een bewoonster op de eerste rij die almaar riep ‘en waar moet ik nu naar toe?’ werd met zachte drang weggebracht.
Toen wijzelf na bijna tien jaar in de auto op weg naar huis ‘o moedertje’ begonnen te zuchten werd het tijd om de apparatuur te verkopen en onze carrière af te sluiten.

Live opname van onze grootste hit ‘Ik voel me slap’