Van de eerste voetbalwedstrijd die ik speelde is er slechts een flard in mijn geheugen achtergebleven. Ik zie mijzelf staan wachten aan de zijlijn. Als mij de bal wordt toegeschoven, schiet ik ‘em een end naar voren en hol er achteraan. Het vijandelijk doel is nog heel ver weg.
Plaats van handeling was het veld van de Patronaats Voetbal Club Vleuten (PVCV) aan het Haarpad tussen Vleuten en Haarzuilens, een plek die alleen fietsend of lopend bereikbaar was. De vereniging beschikte over één veld, een hobbelige wei vol kale plekken, vooral rond het strafschopgebied. Er stond een houten keet met een kleedlokaal.
Ik was lid van een katholieke gymnastiekvereniging. Dat was de traditie. Er hing een sfeer van zuiverheid en goedheid om die sport heen, iets verhevens. Voetballen bij een club, dat was voor ruwere en volksere types, daar deed ik niet aan mee. Ik moet daarom mijn debuut op het voetbalveld tijdens een schooltoernooi gemaakt hebben. Het weer was mooi, er stonden rijen kinderen langs de kant en de kleine leren bal voelde heel zwaar. Mijn herinnering stopt bij mijn rush naar voren. De afloop is me niet bijgebleven, dat zal wel een reden hebben.

Een ander katholiek schoolplein, een aantal jaren eerder

Het imago van de voetbalsport weerhield me er niet van om iedere dag op het schoolplein te voetballen. We waren met een groep van zo’n tien jongens die een partijtje speelden. Voor aanvang werd er ‘gepoot’. Twee van ons liepen schoen voor schoen zettend naar elkaar toe. Wie de laatste stap kon zetten zonder de ander te raken mocht als eerste een medespeler uitkiezen.
We speelden met een klein kaatsenballetje. Een echte voetbal vormde een te groot gevaar voor de ruiten van de katholieke school. Daarnaast moesten we er op bedacht zijn, dat de bal niet over de muur verdween die het schoolplein scheidde van de tuin van de dominee. Die was niet altijd bereid om de bal terug te geven als je had aangebeld.
Het complete schoolplein was ons veld, dus we voetbalden tussen spelende kinderen door, kleine kinderen omverlopend en scheldend op andere die het gewaagd hadden om de bal weg te trappen. Wat ons een sussende vermaning opleverde van de twee dienstdoende onderwijzers die in een vast patroon over het plein wandelden. Met een kaatsenballetje in een kleine ruimte spelen, we werden er behoorlijk balvaardig van.

Een jaar of vijf later werd ik alsnog lid van PVCV. De gemeente had ondertussen een heus sportcomplex laten aanleggen, met vijf velden, vier kleedkamers en een kantine. Het hoofdveld werd op zondagen om beurten bespeeld door de Vleutense club en voetbalvereniging De Meern, de grote concurrent. Ik speelde rechtsbuiten in de toen gebruikelijke vijfmans voorhoede (kom daar nu nog maar eens om). Mijn grote wapen was mijn sprint. Ik holde met gemak de meeste linksbacks voorbij. Mijn grote makke was mijn schotkracht. De voorzetten die ik afleverde bereikten met moeite het strafschopgebied. Tenminste eenmaal heb ik een doelpunt gemaakt. Ik droomde niet over een voetbalcarrière. Dat gebeurde pas toen mijn zoon werd aangenomen bij de jeugdopleiding van Feyenoord.