De Lange Linschoten

Het moet ergens in de jaren zeventig geweest zijn. Of het door de fietstocht langs de Langbroeker Wetering kwam of door die langs de Lange Linschoten naar Oudewater, weet ik niet meer. Maar opeens was ik dol op ouderwetse boerenbuurten. Smalle weggetjes langs het water omzoomd door weggezakte knotwilgen, met aan weerszijden oude boerderijtjes, leilindes voor de ramen van de opkamer en rieten daken. De melkbussen op het erf omgekeerd op een houten rek, hooibergen waarvan het dak omhoog en omlaag gedraaid kan worden, klompen bij de deur. En tussen al die hoeven door de groene weiden met grazende of herkauwende koeien.
Het waren buurten waar de tijd had stilgestaan, waar de toekomst ver weg was en het verleden dichtbij. Waar hard gewerkt werd en eenvoudig geleefd en de boerendochters je vrolijk groetten. Zo leek het mij.
Ik ben afkomstig uit een dorp van boeren en tuinders, dus toen ik in 1970 naar Utrecht verhuisde om te studeren belichaamde de stad de toekomst en was het platteland ouderwets, afgedaan en oninteressant. Mijn aandacht was gericht op wat komen zou. Me ontwikkelen, vrienden maken, idealen nastreven. Dat bleef zo tot die fietstocht er een accent bij plaatste. Misschien kreeg ik daar, op mijn vijfentwintigste, voor het eerst heimwee naar het verleden. Maakte ik kennis met nostalgie, dat merkwaardige gevoel dat zowel prettige als pijnlijke sensaties geeft.

foto: David Hamilton

Ik hing in die tijd de hiernaast afgedrukte poster van David Hamilton op mijn kamer en mijn moeder vertelde mij over de ooit door haar verslonden streekromans van Herman de Man. Over het geharde leven van stijfkoppige en godvrezende boeren, die het doen en laten van hun voorouders volgen en elke nieuwigheid wantrouwend verwerpen.
Het was een periode, dat mijn eigen toekomst er onzeker uitzag. Misschien dat ik daarom teruggreep naar een veilig verleden en droomde over een eenvoudig landleven. Een leven dat ik nauwelijks kende. Ik had wel eens bij een vriendje thuis over de duistere deel gelopen, waar de koeien met hun mysterieuze blikken, hun voortdurende gesnuif en hun doordringende lichaamsgeuren mij vreemd voorkwamen – dan beschrijf ik hier alleen nog maar wat ik aan de voorkant zag. Ik voelde dan ook geen enkele aandrang om mij op een houten krukje onder zo’n kolossaal lijf te buigen en daar mijn levenswerk van te maken. Eenmaal had ik met dezelfde vriend meegeholpen met het binnenhalen van het hooi. Dat wil zeggen: nadat we een kwartiertje met grote houten harken wat hooi bij elkaar geraapt hadden, duwden we elkaar met veel plezier en tot ergernis van zijn vader in de hooimijten. Die lagen klaar om door een gespierde knecht met één zwaai van de hooivork op de wagen geslingerd te worden. Daarna genoten wij, liggend bovenop die hooiwagen, van een majestueuze intocht in het dorp. Dat waren zo ongeveer mijn ervaringen met het boerenleven.

Het leven ging na mijn vijfentwintigste door, de toekomst ontrolde zich als vanzelf, met een baan, een vrouw, een huis en kinderen. En nu, na mijn pensioen, klopt het verleden, ongepland, weer op de deur. Ik onderzoek het en schrijf erover. Nu is het verleden mijn toekomst geworden. En tussendoor fiets ik met plezier langs de Lange Linschoten.