Toen in het begin van de tachtiger jaren de relatie met G. vastere vormen begon aan te nemen – ook al omschreef ik haar nog lange tijd als ‘de vriendin met wie ik het meeste omga’  – was ik degene, die als eerste begon over een kind. (Let op het enkelvoud.)
We zaten op een zaterdagavond achterin het Pandje, destijds de enige kroeg in Utrecht die nog na één uur open was. Het was er overvol en we keken vanaf ons bankje tegen de lijven van de staande drinkers aan. Het was  niet bepaald een omgeving die uitnodigde tot een gesprek over een kinderwens. Dat ik het onderwerp aansneed kwam meer voort uit een opwelling dan uit voorbedachte rade. We concludeerden vrij snel dat het ons ‘wel leuk’ leek om een kind te hebben. Ik geloof niet dat we veel verder zijn gekomen in een onderbouwing van dit verlangen.
Vrienden die vader geworden waren vertelden mij, dat het fantastisch was om te zien hoe een klein kind zich ontwikkelt. Maar ook, dat je wat inlevert: minder uitgaan en minder mogelijkheden tijdens vakanties.

Toen G. voor de eerste maal zwanger was, las ik het boek Baby en Kind en pufte ik driftig mee tijdens de zwangerschapscursus. We wilden het vooral samen doen. Van een mentale voorbereiding op het vaderschap was geen sprake. Vader word je door ervaring. Dus toen onze eerste baby eens uren aan het huilen was en niet getroost kon worden, liet ik in mijn machteloosheid ook mijn eigen tranen de vrije loop. De niet te stillen pijn van een kind is erger dan je eigen verdriet.
Het waren de tijden van de maakbare samenleving en het maakbare individu, de idealen waren groot. Daarom was het een teleurstelling, dat onze jongens niet in de poppen geïnteresseerd waren die wij voor hen hadden gekocht. En dat ze niet altijd zo vredelievend waren als wij voorstonden.
Elke vader is kind geweest en natuurlijk wilde ik het anders doen dan mijn eigen vader.
Ik wilde niet zo streng zijn. De relatie met de kinderen moest meer gebaseerd zijn op gelijkwaardigheid. Maar elke dag werd ik weer geconfronteerd met het dilemma: wat bepaal ik en wat laat ik over aan de kinderen? Wat is onderhandelbaar en wat niet? Telkens als ik dacht: nu heb ik wel zo’n beetje door hoe dat moet, dat opvoeden, ontstond er weer een nieuwe situatie die om een nieuwe stellingname vroeg.

Ik ging graag met mijn zoontjes voetballen. Nooit heb ik me meer vader gevoeld dan op zaterdagmorgen langs het voetbalveld. En ik bedacht leuke, spannende spelletjes. Stoeien, nukkig paard spelen, achtervolgingen door het huis. En truukjes als Jan en Piet, die zaten in het riet waren vader’s specialiteit.
Boven alles wilden G. en ik gelijkwaardigheid in het ouderschap. Wij werkten evenveel en we pasten precies even vaak op. Het eten koken, de was ophangen, de kinderen uit school halen, alle taken waren tot in de details gelijkelijk verdeeld. We wilden beiden mader en voeder zijn. In theorie, want in de praktijk pakte ik wat eerder de boormachine en G. de naaimachine en vaak trad vader’s gezag op de beslissende momenten meer op de voorgrond. Niettemin zag ik het als een groot compliment, dat een vriendje aan een van onze kinderen vroeg: ‘waarom staat jouw vader te strijken?’ Overigens kom ik met vaderdag nog altijd geen advertenties tegen voor een nieuwe strijkplankovertrek. Wel voor een gezondheidscrème voor mannen.
Daarna kwam de fase die zo treffend door Annie M.G. beschreven is: vader is een hypocriet, vader is een nul. Vader is er enkel en alleen maar voor de centen en de rest is flauwekul. Die fase had ik destijds in het Pandje niet ingecalculeerd.
En nu ben ik vader van een vader. Een jonge vader die het weer anders wil doen dan zijn ouders.