Het insectenhotel

Zondagmorgen. Wij maken een wandeling tussen Doorn en Langbroek, op de overgang van bos en wei, waar eeuwen geleden drassige landen zijn ontgonnen en machtige mannen kastelen lieten bouwen.
Het donkere water van de Langbroekerwetering weerspiegelt de traag voorbijtrekkende wolken. In de groene weiden wuift het lange gras zachtjes mee met een vleugje wind. Vogels kwetteren in de bomen en onzichtbare kikkers kwaken tussen het kroos.
We passeren iets wat door G. een insectenhotel wordt genoemd. Ik heb er nooit van gehoord, maar ik begrijp dat de beestjes in deze giftige tijden er ook wel eens uit willen.
Op een smal graspaadje trap ik bijna op een slang. Ik sta als aan de grond genageld, me niet bewust dat dit gebroed ook vlakbij Utrecht de paden onveilig maakt. Het is een fors exemplaar, ongeveer een meter lang. Het dier heft zijn kop. Met één klein oog kijkt het me een moment spiedend aan alvorens weg te kronkelen onder de graszoden.
Dat moet een adder zijn geweest, vermoed ik. Die zijn giftig. Ik denk wel vaker gelijk aan het ergste. Thuisgekomen zal internet mij leren, dat we een ongevaarlijke ringslang hebben ontmoet.

Het leven van de mens moet deze ochtend nog op gang komen, met uitzondering van de middle aged men in lycra. De goed gevulde buik uitbollend boven de stang van de racefiets scheren de mannen over de smalle wegen. Nog lang is hun geroep (‘voetganger! bocht!’) in de stille morgen te horen.
De racende mannen worden in deze contreien in aantal alleen overtroffen door paardrijdende vrouwen. Bij de stallen en maneges draaien de jonge-meiden-met-paardenstaarten hun vierkantjes.
Volwassen vrouwen rijden hoog bovenop hun forse ruinen over de bospaden. De bovenlichamen bewegen ritmisch mee op de stappen van het paard. Het zweepje in hun hand steekt een eindje uit. Als wij ons uit ontzag aan de kant van het pad opstellen, zegt een van de vrouwen: ‘rustig maar, ze doen niets.’ Het blijkt dat zij dit tegen haar paard zegt. Ik neem mij voor om voortaan ook zoiets te zeggen mocht ik nog eens een slang op mijn pad vinden.
Vlak buiten de bebouwde kom ontmoeten we enkele oude dames te paard, in een houding die verraadt dat zij hier al jaren rond rijden. Dat je hen niet hoeft te vertellen dat hun viervoeters niet zomaar mogen mesten. De kleine paarden sjokken alsof zij altijd hetzelfde rondje maken en de vermaningen om rustig te lopen wel eens zat zijn. Er hangt een merkwaardige geur rond het stel. Wellicht hebben de dames hun zadel ingesmeerd met vet dat al lang over de datum heen is. Ik weet het niet. Misschien zijn het wel hun rijbroeken met zeemleren voering. De ouderdom komt met gebreken.
Intussen is de middag aangebroken. Over de provinciale weg trekken rijen auto’s, op beide fietspaden geëscorteerd door zoevende e-bikes. De pannenkoekentent heeft de vlaggen uitgehangen en de zon breekt langzaam door.