Schrijven, Lezen, Leven.

Tag

Psychologie

1

OP JE HOEDE VOOR JE WOEDE

Dagelijks
Het kost mij moeite om het te bekennen, maar ik kan er niet omheen: omgaan met boosheid is niet mijn sterkste kant. Als mij iets niet lukt, of als anderen mij in de weg zitten, dan ligt de irritatie al snel op de loer. Vervolgens weet ik niet goed wat ik met dat gevoel moet doen.
Zo kan ik al kregelig worden als ik een theedoek wil ophangen en ik het lusje pas bij de vierde hoek van de doek vind. Handleidingen van mobiele telefoons of downloadprogramma’s op Internet vormen ook een gemakkelijke bron van irritaties. De werking wordt slechts ten dele uitgelegd. Of er worden zaken bekend verondersteld die men mij nooit verteld heeft.
Verder weten mijn gezinsleden, dat ze zich beter niet in mijn buurt kunnen vertonen als vader in de kelder een fiets gaat repareren. Ik heb de firma Batavus al ettelijke malen vervloekt om de ondeugdelijke voorlampen, slecht bevestigde jasbeschermers of niet te openen kettingkasten.
Vaak gaat het om klussen, waar ik eigenlijk geen zin in heb. Als het dan niet meteen wil lukken en ik bovendien nog vind dat ik het klusje in een handomdraai moet kunnen klaren, dan ontstaat er een almaar toenemende onrust, die zicn een weg naar buiten zoekt en die na enige tijd ontsnapt via een flinke zucht, een kreet of een vloek.
Laatst heb ik mij nog ernstig moeten inhouden toen er een colporteur van kunstkaarten voor het goede doel tijdens het avondeten voor de deur stond. Ik kreeg de neiging om hem van het trapje te lazeren, omdat de arme man al de vijfde was die week die zo nodig onder het avondeten aandacht kwam vragen voor een schrijnende misstand.
Ooit heb ik daadwerkelijk een keer een tik uitgedeeld. Ik moest tijdens een sneeuwbui op de fiets onverhoeds in mijn remmen knijpen. Er kwam mij een grote groep scholieren tegemoet, die geen enkele ruimte liet voor een tegenligger. Dat was mij al vaak overkomen. Een ex-collega van mij is eens voor hetzelfde vergrijp door de politie opgebracht.
In mijn jonge jaren werd ik driftig genoemd. Als er ergens iets begon te koken, stuurde mijn moeder mij snel naar kruidenier Broekhuysen voor een pond suiker. Zo heb ik heel wat onnodige boodschapjes gehaald. De emotie moest beheerst en binnengehouden worden. Dat is een gevaarlijke strategie. Want als je irritaties opspaart dan barst de bom later alsnog en heftiger dan je wilt. Of de agressie keert zich tegen jezelf. Daar kan je depressief van worden.
Van alle emoties is de boosheid wel het lastigste te hanteren. Ik ben tenminste nog maar weinig mensen tegengekomen, die gebukt gaan onder gevoelens van hoop of verbazing.
De vraag is wat je het beste kunt doen, als je voelt dat je boos wordt. Tot tien tellen biedt alleen op de korte termijn soelaas.
In voorbije eeuwen werden spanningen niet uitgepraat, maar uitgevochten. Als kind heb ik nog lang in deze traditie gestaan door op het schoolplein menig robbertje te vechten. Als volwassenen moeten we andere manieren vinden om onze boosheid in goede banen te leiden.
Gelukkig zijn er genoeg humane instellingen, waar je kunt leren hoe je beter je agressie kunt reguleren. Op je hoede voor je woede, heet bijvoorbeeld zo’n cursus. Je leert op een beschaafde manier om negatieve gedachten die de boosheid uitlokken te vervangen door positieve gedachten. Hé Batavus, je nodigt mij uit om nieuwe dingen te leren!
Je kunt natuurlijk ook even lekker stampen of hardlopen. Accepteren, dat je deze gevoelens hebt. Boosheid omzetten in humor. Of een pondje suiker bestellen op Internet. 
Ach, we hebben nog veel te leren.  Voor sommige mannen zou een cursus Op je hoede voor je roede ook niet verkeerd zijn.
0

ANGST IN DE HAND

In het nieuws
Ik heb er lang naar uitgekeken. Deze week is het zover: de Week van de Veiligheid.
400 Jaar geleden lagen de  gevaren overal op de loer. Je kon beroofd worden op een landweg, slachtoffer worden van de pest, verdrinken bij een dijkdoorbraak of omkomen in een oorlog.
In de loop der tijd hebben we steeds meer gevaren weten te bezweren. De dijken zijn verhoogd, besmettelijke ziekten zijn getemd. Er zijn wel nieuwe gevaren bijgekomen, zoals het snelverkeer. Maar door veiligheidsmaatregelen is het aantal dodelijke verkeersslachtoffers de laatste dertig jaar drastisch afgenomen. De maatschappij is gericht op het indammen van gevaar en het signaleren van risico’s. In auto’s, ijskasten en andere apparaten gaan lichtjes flikkeren of piepjes klinken als er iets mis dreigt te gaan. Er zijn tal van veiligheidseisen, zoals voor speelgoed, horeca en evenementen.
In het Westen en in Nederland leven we relatief veilig. Hoe veiliger de omgeving, hoe minder angst. Zou je denken. De werkelijkheid is dat het aantal angstige mensen enorm toeneemt.
Mensen zijn bang om de straat op te gaan, om afgewezen te worden, om fouten te maken. Bang voor enge ziekten, computerinbrekers, vliegtuigen, beestjes in het voedsel, gluten, pindakaas aan hun gehemelte. Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt er bang voor zijn.
Ik ben geen uitzondering. Ik heb zelfs hele rare angsten. Als dertienjarige kocht ik in 1965 bij Staffhorst in Utrecht het singletje Eve of Destruction van Barry McGuire. Toen ik daarna de brug over de Catharijnesingel overliep hield ik mijn net verworven aankoop zo krampachtig in de hand, dat ik pijn in mijn vingers kreeg. Ik was bang dat ik het plaatje in het water zou gooien! Zo zal ik ook nooit in een luchtballon stappen. Je zult maar de neiging krijgen om jezelf er uit te gooien.
Laatst zag ik in een documentaire een doorsnee Amerikaans stel dat hun kinderen nooit alleen laat spelen. Ook al spelen ze in de omheinde tuin, één van de ouders is erbij. De kinderen kunnen immers gekidnapt worden. Deze ouders willen graag bij elke deur van de school twee bewapende agenten. Dat brengt veiligheid.
Zo zijn we bezig onze angsten te beheersen.
En nu is er dan de Islamitische Staat, het kalifaat met de wrede ideologie. Als IS deze praktijken voor zichzelf zou houden, zoals de Mexicaanse drugsmaffia, dan zouden de zorgen wat minder zijn. Maar de dreiging is op het goddeloze Westen gericht.
Je moet de jihadisten nageven, dat het hen gelukt is om met een paar eenvoudige filmpjes de hele westerse wereld angst aan te jagen. Misschien nog wel meer dan de plaatsing van de kruisraketten of de Russische onderzeeërs op weg naar Cuba. Volgens sommigen zijn we weer bij de Eve of Destruction beland.
In de media worden de gevaren van IS breed uitgemeten. Ik wil dat gevaar niet onderschatten. De wereld wordt er onveiliger door. Nederland wordt er waarschijnlijk onveiliger door. Maar zou alle aandacht voor dit fenomeen de angst niet enorm aanwakkeren?  Zouden we het niet een beetje in verhouding moeten zien? De kans dat je omkomt bij een verkeersongeluk lijkt nog altijd een stuk groter dan de kans dat je slachtoffer wordt van een terroristische aanslag.
Volgens sommigen is de toename van de angst in deze maatschappij juist het gevolg van het gegeven, dat wij  in een veilige omgeving zijn opgegroeid. We hebben daarom onvoldoende geleerd om met angst en lijden om te gaan.  Daarom is het beter om niet alleen te focussen op het verminderen van gevaren, maar ook op het accepteren dat angst iets is dat bij het leven hoort.
Er zijn ook therapeuten die menen, dat we angst niet als een probleem moeten zien, dat bestreden moet worden, maar als een ‘mogelijkheid tot vrijheid’. 
Ik ben erg voor nieuwe gezichtspunten, maar dit lijkt me er toch een voor gevorderden. Ik denk dat ik in een luchtballon de vrijheid juist zal vrezen. 
0

DE KUNST VAN HET WACHTEN

Dagelijks

Voor je begint met het verder lezen van dit blog, wil ik je vragen om vijf minuten te wachten. Blijf achter je pc of tablet.

Bedankt voor het wachten! Hoe beviel het?
Ooit stonden wij vier uur lang te wachten in regen en kou op de flanken van de Galibier om de renners van de Tour de France langs te zien komen. Wij wisten dat het zo lang zou duren en we hadden er zelf voor gekozen. Het was wachten op een bijzondere gebeurtenis, dus de wachttijd was nog dragelijk.
Ergens blijven tot iemand of iets komt past niet meer bij deze tijd. Wachten voor een kassa, voor het stoplicht, voor de wc (of op de wc), in de telefonische wachtrij, ik heb er een bloedhekel aan en velen met mij. Wachten is tijd verdoen, die je ergens anders voor kunt gebruiken. Bijvoorbeeld om te barbecuen, naar sport te kijken, te feesten en te genieten. Nu. Als je wacht tot je gepensioneerd bent, kan je het misschien wel niet meer doen.
Helaas moeten we ons af en toe aanpassen. Op vakantie bijvoorbeeld.
Zo moesten wij ooit in het dorp Vrysses op Kreta een taxi nemen naar Vamos, een gehucht dat alleen op deze wijze te bereiken was.
Op het centrale kruispunt in Vrysses was er een benzinepomp / annex loodgieter / annex constructiebedrijf. Hier runde men ook de enige taxi van het dorp. Die auto was echter naar Chania  en het was onbekend wanneer ie weer terug zou zijn. Geen nood. De monteur, een man met een snor  waarvan de punten omhoog gekruld waren, verkocht ook koffie en broodjes. Het was midden op de dag, we namen het er heerlijk van en lieten ons vermaken door het dorpse leven. Er klonk weemoedige muziek die me deed denken aan Stroei Voei uit Ja Zuster, Nee Zuster (‘Hij zingt over zijn vaderland’. ‘Hoe weet u dat?’. ’Dat voel ik’.).
Na een paar uur echter hadden we het dorpsleven  wel gezien. Er stopte een auto bij het bedrijf, maar dat bleek een handelaar in walnoten te zijn. De vrouw van de monteur stopte ons wat toe. Een uurtje later schonk ze nog een glaasje raki. Ze zei er iets bij wat we niet verstonden. Het klonk als: ‘geniet van het leven!’, maar het had even goed  ‘wel graag afrekenen!’ kunnen zijn. Het was onze eerste dag in Griekenland, dus met de taal wilde het ook nog niet zo vlotten.
We belden eens naar onze eindbestemming, maar daar werd niet opgenomen. We informeerden in een bar, maar het meisje daar kon ons ook niet helpen. De schaduwen in de straat werden langer en langer.
Opeens reed er een taxi voorbij. De vrouw van de monteur gilde over straat. De auto keerde om en verloste ons uit ons lijden.

Mensen, die het goed met ons voor hebben, menen dat wachten ook kansen biedt. Je kunt je  ontspannen en helemaal tot jezelf komen. Je kunt stilstaan bij de vraag of je met het goede bezig bent. Wachtlijsten in de zorg kunnen helend werken. Soms gaan klachten vanzelf weer over. Huisartsen hebben dit tot methodiek verheven. Watchful waiting wordt dat genoemd.
Filosofen zeggen dat wachten bijdraagt aan rust en creativiteit.
Daarom ben ik sinds kort in training om mijn wachtpotentie te vergroten. Ik sta op wachtgeld, dat helpt. Inmiddels kan ik al intens genieten van een rood stoplicht. Ik overweeg mij aan te melden bij de brandweer. Wachtlopen lijkt me ook wel wat. Ik hou van wandelen, dus dan kan ik twee bezigheden in dezelfde tijd combineren! Of is dat weer het oude efficiencydenken?

Mocht je benieuwd zijn naar mijn volgende blog, dan moet je nog even wachten. Vanaf zondag ben ik in Tsjechië voor een zangtiendaagse. De eerstkomende bijdrage is op zijn vroegst over veertien dagen te ver-wachten.

0

SUIKERGOED EN VALSE PIJN

Dagelijks
Wij ontvingen een mail van de Waardekaart. Onder de titel Wordt dit ook voor jou de laatste witte kerst?  wil de afzender ons verleiden om mee te doen aan een suikerarm 2014:
‘Geraffineerde suiker wordt echt overal aan toegevoegd. Zoveel suiker heb je helemaal niet nodig. De bewijzen dat suiker echt slecht is voor het lichaam stapelen zich op. Suiker verstoort een evenwichtige opname van vitaminen en mineralen in je darmen en draagt bij aan: hyperactiviteit, astma, artritis, darmklachten, concentratieproblemen, vermoeidheid, verminderde weerstand, stemmingswisselingen, stress, diabetes, vitamine- en mineralentekort, zenuwziekten, migraine, stofwisselingsziekten, nierziekten……om er maar een paar te noemen’.
Let vooral op de laatste woorden achter de puntjes.

Het pleidooi mondt uit in een uitnodiging om je aan te melden voor de cursus ‘Natuurlijk Suikervrij!’ van het online platform Miss Natural. Deze cursus ‘neemt je 40 dagen aan de hand en leert je  alles over een suikervrij leven’.
Miss Natural wil niet alleen, dat je beter gaat zorgen voor je eigen lichaam. Er is ook nog een overstijgend ideaal. Door minder suiker te eten draag je namelijk bij ‘aan een grotere beschikbaarheid van landbouwgrond voor gezonde voeding’. Dat lijkt mij een mooi doel. Wie kan daar tegen zijn? Fidel Castro misschien, want die moet dan iets anders prakkizeren.
De Waardekaart is een voordeelpas, waarmee je korting krijgt op producten, ‘die waarde hechten aan mens, dier en milieu en daarom zorgen voor een betere wereld’. Met andere woorden, het gaat om marketing van duurzame producten. Wat mij betreft mogen die producten veel meer onder de aandacht gebracht worden. Maar, zo vraag ik me af, hebben zij bij Miss Natural en de Waardekaart wel eens gehoord van hoe je consumenten kan verleiden om producten te kopen?
Ooit wel eens een autofabrikant meegemaakt die zijn auto aanprijst door te waarschuwen, dat er binnenkort een wiel van je auto loopt? Of dat je midden op de snelweg door de bodem zakt? Of een wasmiddelenfabrikant die allergieën met nare uitslag en etterende builen voorspelt als je je huidige wasmiddel blijft gebruiken?

Juffrouw Natuurlijk wil dat we ons aanmelden voor de cursus om ons gedrag te veranderen. Zij probeert dit te bereiken door de gevaren van bestaand gedrag uit te vergroten. Deze campagne is op angsthazen gericht.
Uit de veranderkunde is bekend, dat mensen open staan voor een verandering als deze aansluit bij een belangrijke waarde (‘ik vind gezond eten heel belangrijk’) en bij een behoefte (‘ik zou wel wat minder suiker willen gebruiken’). Op die manier kan je mensen interesseren voor een cursus. Als de interesse is gewekt, komt er daarna nog wel wat bij kijken om mensen uiteindelijk tot koop te bewegen. Waarschuwingen en dreigementen (zie de voorlichting over alcoholmisbruik, roken, vuurwerk, etc.) hebben op zijn best alleen kennis overgebracht, maar niet tot gedragsverandering geleid.
Ik hou zelf van koekjes bij de koffie, snoepjes bij de thee, engelse dropjes tussendoor, gezoete drinkyoghurt en rijstepap met suiker. Dus een mensenkenner zal in mijn argumenten onmiddellijk de weerstand herkennen tegen verandering op dit vlak. Daar wil ik nog wel in meegaan. Maar als dat voor mij geldt, geldt dat voor veel meer mensen.

Los hiervan heb ik nog enkele vragen.
Stel nu, dat ik me aanmeld voor de cursus en keurig mijn gedrag verander. Is het daarmee afgelopen? Of ontvang ik daarna een uitnodiging voor een cursus Minder Zout, een zelfhulpboek Een Beter Leven met Onverzadigde Vetzuren, Lol zonder Alcohol, enz.? Kortom, wanneer houdt het op?
In het nieuws word je overstelpt door berichten over welke voeding schadelijk is voor de gezondheid. Wat moet je geloven, wie kun je geloven?
Ik hou me vooralsnog maar bij de Schijf van Vijf, met veel groenten en steeds minder vlees. En een beetje suiker om van te genieten. Want wie niet geniet, krijgt eerder concentratieproblemen, vermoeidheid, stemmingswisselingen en in ieder geval de meest uiteenlopende zenuwziekten.

0

DOKTER, IK VOEL WAT

Dagelijks

’’Goedemiddag dames en heren, vanmiddag gaat het college over hypochondrie.
Als je een hypochonder bent, dan denk je dat je een ziekte hebt terwijl dat niet zo is. Denk bijvoorbeeld aan de man die doodsbenauwd op een stoel blijft zitten, omdat hij ervan overtuigd is dat hij een hartaanval krijgt als ie opstaat. Of aan de vrouw die in elk lichaamsvlekje het begin van een tumor ziet. Een echte hypochonder houdt vast aan het idee van de ziekte, ook al hebben doktoren niets kunnen vinden.
Voor het vaststellen van de DSM-classificatie hypochondrie moet de patiënt lijden aan zijn (niet-bestaande) ziekte en de gevolgen hiervan. Het lijden moet gedurende meer dan zes maanden zijn leven ontwrichten en niet te verklaren zijn vanuit een angst- of paniekstoornis. Comorbiditeit met depressies komt regelmatig voor.

Cognitieve gedragstherapie was jarenlang de aangewezen behandelmethode, de laatste jaren verschijnen meer onderzoeken over de effectiviteit van SSRI’s, zoals fluoxetine en fluvoxamine. Hypochonders zijn doorlopend en op een dwangmatige manier met hun lichaam bezig. Het merkwaardige is dat zij vaak artsen bezoeken, maar even vaak de arts niet geloven.
Kijkt u vooral nog even naar de casuïstiek in de collegedictaten. Het zou zo maar kunnen dat ik hier op het examen nog een vraag over stel. Het zou ook een vrije opdracht over de profylaxe kunnen worden.
Zoals met veel psychiatrische stoornissen het geval is, zijn het vooral de ernst en het hardnekkige karakter die de symptomen tot een stoornis maken. Iedereen, en zeker jullie als studenten medicijnen, kent het verschijnsel, dat je hoort of leest over een ziekte en dat je dan opeens de symptomen gaat voelen. Ik hoop maar dat u na afloop van dit college niet bij uzelf een hypochondrische geaardheid constateert.
Ik mag hier geen patiënten meer demonstreren, dus ik zal een voorbeeld uit eigen ervaring geven.
Ik had een keer een hardnekkige pijn aan de linkerkant van mijn borst. Het leek bovendien alsof mijn hart in een hoger tempo sloeg. Hoe meer ik erop lette, hoe meer ik dit voelde. Ik raadpleegde mijn huisarts. Die concludeerde na onderzoek dat het naar alle waarschijnlijkheid om spierpijn ging. Hij vertelde er nog bij, dat patiënten die pijn in de borst voelen, dat in 90% van de gevallen aan de linkerkant voelen en maar zelden aan de rechterkant.
Mensen zijn rare wezens, dat blijkt maar weer.

Patiënten met een hypochondrische gevoeligheid kunnen maar beter niet op internet rondkijken. Dat is een broedplaats van de meest enge ziekten, negatieve ervaringen, verkeerd afgelopen operaties en vreselijke bijwerkingen van medicijnen. Genoeg redenen voor de hypochonder om naar de huisarts te snellen en te laten weten welke bewijzen er op internet staan. Voor dit soort mensen zou er een slotje op medische websites moeten komen. Als u hiervoor gevoelig bent mijd dan ook tv-programma’s over bacterieën in uw gootsteen of over de ESBL-bacterie in kippenvlees of over welke bacterie met een afkorting van vier letters dan ook.
Met apothekers moet je trouwens ook uitkijken. Bij mijn apotheker hangt een informatiescherm, waarop wachtende klanten aardige weetjes en nuttige tips kunnen lezen. Toen ik daar een paar maanden geleden was, las ik het advies om na een stoelgang altijd achterom te kijken. Aangezien ik het belangrijk vind om erger te voorkomen, bestudeer ik nu elke dag langdurig en met grote aandacht mijn ontlasting. Soms, als ik iets verdachts meen te zien,  haal ik er een vergrootglas bij. Je kunt immers niet nauwkeurig genoeg zijn. Veel hoop heb ik er overigens nog niet van gekregen.
Volgende week behandelen we de somatoforme stoornissen. Leest u alsjeblieft alvast de bijbehorende artikelen in het dictaat hierover.
Zijn er voor dit moment nog opmerkingen of vragen?
Desgewenst kunt u een anonieme reactie op mijn website plaatsen. Als u het liever persoonlijk houdt, mail me dan. U ontvangt altijd een antwoord. Dank voor uw aandacht en tot volgende week.’’

2

GEVOELSLEEFTIJD

Dagelijks
Het gevoel gaat een steeds grotere rol spelen in deze samenleving. Tenminste dat gevoel heb ik.
Televisieprogramma’s draaien om emoties. Het KNMI geeft naast de werkelijke temperatuur ook de gevoelstemperatuur. Vorige week liet zelfs Klaas Knot weten, dat volgens zijn gevoelde recessie ten einde loopt. Terwijl ik altijd heb gedacht, dat de president van de Nederlandse Bank de laatste zou zijn, die zich door zijn gevoel zou laten leiden.
In deze ontwikkelingen past het gebruik van het begrip gevoelsleeftijd.

In 1992, ik was toen 40 jaar, bezochten G en ik met de kinderen de Efteling. Dat trof, want ook het pretpark bleek zijn 40-jarig bestaan te vieren. Al wie in 1952 geboren was mocht gratis naar binnen. Er werd je een decoratie met het getal 40 opgespeld. Ik kreeg niet alleen een gratis entree in de schoot geworpen, ik kon ook nog eens precies zien, wie mijn leeftijdsgenoten waren.
Ik was verbijsterd. Ze zagen er stuk voor stuk veel ouder uit dan ik.
Vorige week, tijdens de eerste repetitie van D’allure,  het ‘koor voor de ambitieuze oudere’ overkwam mij iets soortgelijks.

Deze ervaringen hebben te maken met de gevoelsleeftijd. Bijna alle mensen wanen zich jonger dan ze zijn. ‘Ik ben wel 64, maar ik voel me 46!’. We voelen onszelf niet alleen jonger, we denken ook, dat we er jonger uit zien, al kijken we tien keer per dag in de spiegel. (Ik kan nog ter verdediging aanvoeren, dat het begin van mijn kaalheid niet in de spiegel te zien is).
In het streven naar jeugdig elan loopt de reclame, zoals wel vaker, voorop. Jaren geleden was er al de slogan van Becel : een man is zo jong als hij zich voelt. In de reclame zijn de mensen sowieso een stuk jonger dan de groep waarvoor de uiting is bedoeld. Vrouwelijke modellen van 40 lopen met incontinentiemateriaal te stralen.

 

Het verschil tussen de kalenderleeftijd en de gevoelsleeftijd begint zo rond het 25e jaar. Hoe ouder iemand is, hoe groter het verschil.  Dat is gebleken uit onderzoek. Behalve in een emotiemaatschappij leven we immers ook in een cijfertjescultuur.
Hoe zou het toch komen, dat we ons jonger wanen? Waarom denken we dat we er nog jonger uitzien?
Wellicht hebben we uit onze jeugd een beeld van de ouderdom meegenomen, dat niet meer overeenkomt met de huidige werkelijkheid. Als ik een foto zie van mijn vader op zijn 51e vind ik hem er een stuk ouder uit zien dan de 61 jaren die ik zelf nu tel.
Daarnaast willen we niet met de ouderdom geassocieerd worden. Bekend is het fenomeen van mannen van boven de 50 die opeens kekke kleren gaan dragen of van vrouwen die strakke truitjes aandoen om nog een schijn van jeugdigheid op te houden. Toen ik laatst met een nieuw spijkerjackje op mijn werk verscheen was het commentaar niet van de lucht (‘ben je aan je tweede jeugd begonnen?’).
 Nu het begrip gevoelsleeftijd zijn intrede heeft gedaan, kunnen we nog wel meer aan het gevoel gerelateerde termen verwachten. Wat te denken van gevoelslengte, gevoelsgewicht, gevoelshuisnummers? Voor een gevoelig type als ik gaan er mooie tijden aanbreken.
Als ik binnenkort een keer aangehouden word wegens te hard rijden heb ik mijn argument al klaar. ‘Mijn gevoelssnelheid lag echt onder de 50’, zal ik zeggen tegen de blauwe pet die voor mijn raam verschijnt. Immers, zoiets zullen jonge jongens ook zeggen.
 
0

GENIETEN

Dagelijks
 Het gebeurt wel eens, dat anderen iets zeggen over hoe men mij ervaart.
‘Jij zult ook nooit eens een agent tussen zijn benen pissen’, heeft ooit iemand tegen mij gezegd.
Dat was een rake observatie.
‘Je kunt niet genieten’ was een andere opmerking die een kern van waarheid in zich heeft.

Ik hou van klassieke muziek, maar ik ga nooit zomaar op de bank zitten luisteren. Dan pak ik er toch even het strijkgoed bij. Een kaartspelletje spelen op de computer vind ik een aangenaam tijdverdrijf, maar het mag natuurlijk niet te lang duren. In een therapie heb ik een keer een opdracht gekregen om activiteiten op te schrijven waarvan ik kan genieten. Sindsdien neem ik nog wel eens een warm bad (daarover een andere keer meer).
In het leren genieten kan ik een voorbeeld nemen aan onze kat Y. Heeft ie net een nacht lang liggen pitten, nestelt hij zich op een plekje in de zon en gaat daar heerlijk liggen spinnen. Als ie zijn brokjes in saus krijgt, likt hij eerst alle saus op, omdat ie dat het lekkerste vindt. Gedurende de rest van de avond werkt hij met enige moeite de brokken naar binnen. Dat zou ik nu precies andersom doen. Eerst de brokken wegwerken en dan nog even genieten van de saus.  Eerst het nuttige, dan het aangename.
Ik voel daarom steeds minder aansluiting bij de wereld om mij heen, waarin genieten, kicken en het nastreven van succes tot het grootste goed behoren. Meedoen aan een danswedstrijd op tv: kicken! Deelnemers aan the Voice of Holland die staan te bibberen voor een optreden: ‘ik ga nu heel erg genieten’! Als het resultaat toch wat tegenvalt, wordt het optreden alsnog met woorden mooi gemaakt: ‘je was echt fan-tas-tisch’.
Wie wil blijven genieten, moet voortdurend zijn grenzen verleggen. Is gewoon skieën op de piste te saai geworden, dan begeven we ons buiten de geprepareerde baan. Of we gaan na afloop naar het wellness landscape in het hotel. Het avondje naar de disco heeft zich ontwikkeld tot 12 uur lang springen op een dance festival. I want it all and I want it now.

De belgische psychiater Dirk de Wachter beschrijft in zijn boek Borderline times de alomtegenwoordigheid van de ‘plicht’ om jezelf te zijn en te genieten. Als je niet kunt genieten dan ben je een loser, die behandeld moet worden. Het consumentisme vult het gat op dat ontstaan is door het wegvallen van tradities, kerk en geloof. Achter een façade van succes en geluk ziet hij een gebrek aan eigenwaarde, bindingsangst en relationele instabiliteit. Gaat een relatie even minder goed, dan gaan we op zoek naar een ander. We kunnen er niet mee leven als het een tijdje minder gaat, want we moeten gelukkig zijn en geluk is maakbaar. Problemen die bij het leven horen, zoals rouwen en opstandig gedrag van kinderen, worden psychiatrische problemen waarvoor professionele hulp gewenst is.
De Wachter gebruikt de metafoor van de speedboot, waar de mooie succesjongens met gebruind bovenlijf voorop staan, maar waar achteraan steeds meer mensen afvallen. Daarachter varen de reddingsboten van de ggz. Die raken overvol, daar mogen dus minder mensen in.

Zijn antwoord is: we moeten leren om een beetje ongelukkig te zijn. Als je tegenspoed kunt accepteren, kan je beter met dips omgaan. Daarnaast moeten we meer om elkaar denken. Verbinding, engagement en solidariteit moeten tegenwicht bieden aan het doorgeschoten individualisme, aldus de Wachter.

De vergelijking van de maatschappij met de borderline persoonlijkheidsstoornis vind ik wat vergezocht. Bovendien is het wat paradoxaal van iemand die de psychiatrisering tegen wil gaan om de maatschappij nu juist met een psychiatrisch ziektebeeld te vergelijken. Niettemin kan ik me vinden in zijn analyse. Na het dogma van de economische groei is er nu de plicht van de groei in geluk.
Leren omgaan met tegenslag en met het uitstellen van directe behoeftenbevrediging horen in elke opvoeding thuis, net zoals het elkaar helpen.

Dat geschreven hebbende, ga ik nu eerst mijn oefeningen doen. Een volgend glaasje wijn inschenken. Lekker genieten.
Of wacht eens, kan dat eigenlijk wel? Gisteravond zat ik ook al te drinken in een café. Laatst zag ik nog een bericht over de schrikbarende groei van het alcoholgebruik onder 50+ mannen. Het is ook altijd wat.

0

(VOOR JE) KIEZEN

Dagelijks
Het gesprek ging over keuzevrijheid.
Ik zat met koorgenote G op de achterbank van een twintig jaar oude Saab, die onderweg was vanuit Limburg naar Utrecht. Ons koor had op zondagmiddag een optreden verzorgd in de Dominicaner kerk, nu boekhandel Selexyz, in Maastricht, als afsluiting van ons jaarlijkse koorweekend.
Terwijl we voortsuisden over de A2 spraken we over onze kinderen en over de keuze voor opleiding en werk.

Wij leven in een vrij land, we maken onze eigen keuzes. Het is goed dat onze ouders niet meer een partner voor ons uitkiezen. Dat de kerk niet bepaalt wat je wel en niet mag doen. Dat je afkomst niet meer direct je kansen in de maatschappij bepaalt.
Maar wat moeten we met een Albert Heijn XL waar je verdwaalt tussen de schappen met chips en andere zoutjes? Wie heeft er bedacht dat we bij een zeurende kies eerst de tarieven van verschillende tandartsen gaan vergelijken? Dat we aan het einde van elk jaar de zorgpolissen van diverse zorgverzekeraars moeten gaan doornemen? Om over belbundels, internetproviders en energieleveranciers nog maar te zwijgen.
Keuzevrijheid, het is bekend, brengt ook besluiteloosheid en stress met zich mee. Je moet er niet aan denken dat je achteraf van anderen hoort, dat je beter iets anders had kunnen kiezen. ‘Heb jij zoveel betaald voor het schilderen van je huis? Dat kan veel goedkoper, man..’
Als jij het kunt bepalen, dan kan je ook falen. Er zijn vele zelfmanagementboeken van goeroes, die vertellen dat je het lot in eigen hand hebt. Legio zijn de voorbeelden van geslaagde mensen in de media, mensen die blijkbaar de goede keuzen hebben gemaakt. Als jij een verkeerde keuze hebt gemaakt, dan kan je alleen jezelf daarvan de schuld geven. Of niet?
Uit het onderwijs komen steeds vaker geluiden, dat de veelgeprezen keuzevrijheid van de leerling geen positief effect heeft op de leerprestaties. Op middelbare scholen wordt nu veel tijd ingeruimd voor ‘orientatie op studie en beroep’. Is het dan niet verbazingwekkend dat het aantal studenten dat stopt met een studie en daarna weer een andere studie begint juist is toegenomen? Relaties: idem dito.

De Saab van AJ ruikt nog zoals een auto vroeger rook, naar leer en motorolie. Hij zoeft over de weg, geluidlozer dan menige nieuwe auto. Maar het was warm zondagmiddag daar op die achterbank. Dus we draaiden de raampjes wat omlaag en lieten het lawaai van de snelweg binnenkomen.
We vroegen ons af, of kinderen met teveel keuzen worden opgevoed.

Waar wil je heen met vakantie? Wil je logeren bij oma A of oma B (of C en D voor de kinderen uit samengestelde gezinnen)?
Verder vroegen we ons af of we ons eigen kinderen met teveel keuzevrijheid hebben opgevoed.
We wilden het anders doen dan onze ouders. We wilden het zelf uitvinden. Dat was de tijdgeest.
Ook opvoeden is continu een keuzeproces. Doe ik het wel goed? Elke situatie was weer nieuw. Telkens als ik dacht: ‘nu begin ik het een beetje in de vingers te krijgen’ deed zich weer een nieuw dilemma voor.

Al schrijvend aan dit stuk komt de vraag op, of ik zelf de goede keuze heb gemaakt in studie en beroep. Ik denk wel eens van niet. Maar wat is de zin van het stellen van deze vraag na 40 jaar?
Wat je precies kiest is eigenlijk minder van belang dan hoe je kiest. Gaat het daar niet om?
Je kunt lang wikken en wegen omdat je keuze perfect moet zijn. Dan is het moeilijk om te dealen met tegenvallers. Je kunt je ook realiseren dat je niet alles in eigen hand hebt. Je kunt tevreden zijn met alternatieven, die wellicht minder ideaal zijn. Soms is er niets te kiezen en dan krijg je het voor je kiezen.
Ooit was er het idee, dat ik later priester zou worden. Na het lezen van dit soort zinnen lijkt dat een niet zo’n hele rare gedachte meer.
Waar een gesprek op de achterbank van een Saab al niet toe kan leiden.

0

VERANTWOORDELIJKHEID OVERDRAGEN

Dagelijks

Stel: je wilt als ouder dat je kinderen meer voor zichzelf en voor hun omgeving zorgen en minder afhankelijk worden van jou. Welke ouder wil dit niet? Sterker nog, het kinderen leren op eigen benen te staan lijkt me de kern van de  opvoeding. Het overdragen van taken en verantwoordelijkheden gaat echter niet vanzelf. Kinderen zijn gewend dat er voldoende cola in huis is en dat er elke avond eten op tafel staat. Zij gaan niet uit zichzelf opeens inkopen doen of de was ophangen.
Om de verantwoordelijkheidszin te bevorderen, kan je als ouder je kind stimuleren, uitdagen, de positieve kanten laten zien, goed gedrag belonen.  Je kunt een appèl doen op het verstand (‘bij meer rechten horen ook meer plichten’ of ‘we moeten allemaal ons steentje bijdragen’). Je kunt op het gemoed spelen (‘je bent toch een volwassen vent’ of ‘als je erbij wilt horen, moet je ook je handen laten wapperen’). Ik heb het vinden van de juiste stimulans altijd ervaren als een van de grote uitdagingen van het opvoeden.

Overheden staan feitelijk voor dezelfde taak. Zij willen dat burgers minder bij hen aankloppen en meer voor zichzelf gaan zorgen. Dat wij zelf onze ouders verzorgen als die hulp nodig hebben. Of dat wij zelf een buurthuis runnen of ons eigen straatje schoonvegen. Net als kinderen nemen burgers die verantwoordelijkheid niet uit zichzelf over. Die moeten daartoe uitgedaagd of gestimuleerd worden. Bij hoger opgeleiden lukt dat nog wel eens, maar bij de kwetsbare groepen in de samenleving is dit een moeilijke opgave.
Dit proces speelt in veel landen, maar er zijn, volgens de wetenschappers Imrat Verhoeven en Evelien Tonkens
[1]grote verschillen in aanpak tussen de engelse overheid en de nederlandse overheid. In Engeland wordt een positief toekomstbeeld geschetst en worden burgers uitgedaagd om vooral de positieve kanten van de gemeenschapszin te ontdekken. In Nederland wordt het individu ‘op een norse wijze’  aangesproken op zijn plichten als burger. Je behoort voor je medeburger te zorgen en als je dat niet doet, dan mag je je schuldig voelen.  Het ‘come on, love’ tegenover de opgeheven vinger van de dominee. De voorkeur lijkt mij duidelijk. Maar geeft de verantwoordelijkheidsdrager zelf het goede voorbeeld?

In ondernemingen spelen soortgelijke ontwikkelingen. Leidinggevenden willen graag een ‘aanspreekcultuur’ bevorderen. Dat betekent, dat de medewerkers zich meer verantwoordelijk voelen voor de resultaten van de onderneming en dat medewerkers en leidinggevenden elkaar daarop aanspreken.  Medewerkers doen niet vanzelf wat de organisatie wil. Zouden ze dit wel doen, dan waren er geen managers nodig. Teammanagers lopen achter medewerkers aan om te zorgen dat de productie gehaald  wordt. Dat kan leiden tot een vervelende sfeer. Medewerkers voelen zich als kinderen behandeld en managers willen niet alleen maar controleur en boeman zijn.
Het zou derhalve mooi zijn als medewerkers zelf meer verantwoordelijkheid nemen voor de te behalen resultaten. Op zich is dit een streven, waar beide partijen voordeel uit kunnen halen. Een voorwaarde is dan dat er in onderling overleg afspraken worden vastgelegd over haalbare resultaten en dat de medewerker vervolgens de vrijheid wordt gegund op welke wijze hij deze resultaten wil behalen.

Een tweede voorwaarde is, dat het management zelf het goede voorbeeld geeft, d.w.z. dat het transparant is over de eigen doelstellingen en zich daaraan houdt. Als dit laatste ontbreekt is de missie tot mislukken gedoemd. Immers, wat zouden kinderen er van vinden als zij 2 x per week de  boodschappen moeten doen,  4 x de vaat en 1 x de strijk, terwijl  pappa en mamma gewoon maar doen wat hun goed lijkt, de ene keer dit, de andere keer dat?
Verantwoordelijkheid overdragen, het gaat niet vanzelf.


[1]Actief burgerschap: een wens of een moetje. Artikel op www.socialevraagstukken.nl