Schrijven, Lezen, Leven.

Tag

Familiegeschiedenis

0

KORDAAT OPTREDEN

Herinnering

Wij hebben een nieuwe aanwinst. Hij hangt boven de kast in de huiskamer. Op het schilderij zien we een straat met links en rechts huizen. Het lijkt een tafereel van lang geleden. De weg is niet bestraat, er rijdt geen verkeer. De zon schijnt vriendelijk, er lopen enkele mensen. Misschien is het vooral de lijst met zijn vele krullen die aan vervlogen dagen doet denken.
Het is geen bijzonder schilderij. Er straalt rust van uit, maar er is weinig dat de aandacht wat langer vasthoudt. De mensen zijn ver weg en anoniem, wij kijken hen op de rug. Toch is het mij dierbaar. Het is een schilderij van de Dorpsstraat in Vleuten, mijn geboortedorp. Het moet zo rond de jaren twintig van de vorige eeuw geschilderd zijn door een onbekende meester. Het komt uit de nalatenschap van mijn ome Arie en er zit een verhaal aan vast.

Arie was een broer van mijn moeder. Hij werd geboren in 1915, als jongste zoon in het gezin van Arie en Hilletje Ekelschot. Arie sr. had een klein boerenbedrijfje dat net voldoende opleverde om de zes kinderen te eten te geven. Toen zoon Arie van school af kwam ging hij aanvankelijk aan het werk bij zijn vader. In de winters, als er minder werk was op de boerderij, werkte hij net als vele andere katholieke boerenzonen bij de SOL, de Stichtse Olie- en Lijnkoekenfabriek in Utrecht. Het werk kon hem niet echt bekoren. Datzelfde gold voor het melken van koeien. Hij had vier oudere broers en geen van hen had interesse gehad om het zieltogende bedrijfje van hun vader over te nemen. Arie’s grote wens was om politieagent te worden, net als zijn oudere broer Adriaan. Enkele jaren later, op zijn bruiloft, zou zijn familie hem toezingen: Agent worden wou hij met geweld. Zijn kansen waren echter klein, het was halverwege de jaren dertig, de werkloosheid was op een hoogtepunt. Maar Arie hield van aanpakken en hij was voor de donder niet bang. In het najaar van 1936 schonk het lot hem de gelegenheid om dat te laten zien.
Hij hoorde de buurvrouw gillen dat een van haar kinderen in de Molenvliet gevallen was. Arie aarzelde geen moment, sprong gekleed het water in, haalde het jonge meisje dat onder water was verdwenen op het droge en zorgde ervoor dat ze weer ging ademen. Op 27 januari 1937 berichtte de Woerdensche Courant:
Vleuten – Vanwege den Ned. Bond tot Redding van Drenkelingen is aan den heer A.M. Ekelschot een diploma en een onderscheidingsteken uitgereikt in verband met diens kordate optreden bij het redden van een kindje uit de Molenvliet.
Het getuigschrift spreekt van ‘bijzondere verdienste bij het wederopwekken der levensgeesten.’ Ook de burgemeester wilde zijn erkentelijkheid tonen. Hij schonk de jonge held het schilderij van het dorpsgezicht, waarop ik nu, terwijl ik dit stuk tik, kan uitkijken.
Het slot van deze geschiedenis was, als we de verhalen uit de familie mogen geloven, dat hij uit een grote groep met kandidaten werd gekozen voor een baan als politieagent in Hilversum en dat zijn oorkonde daarbij de doorslag had gegeven.

0

OBERAMMERGAU

Herinnering

Foto van de spelen van 1922

Begin augustus 1922 schrijft mijn oudoom Rinus van Rooijen een brief aan smid Hugo Rutz in het Zuid-Duitse Oberammergau. Hij vraagt Rutz of deze twee kaartjes voor de Passiespelen kan regelen plus drie overnachtingen, vanaf 18 augustus. Rutz antwoordt beleefd, dat alle plaatsen en bedden voor de maand augustus ‘vergeben’ zijn, maar dat er in september nog wel wat geregeld kan worden. Rinus schrijft onmiddellijk terug dat september voor hem onmogelijk is en dat hij daarom vastbesloten is om op 18 augustus in Oberammergau te arriveren. Hij stopt tweehonderd mark voor twee plaatsen eerste rang en tien mark voor een postzegel voor het antwoord in zijn brief. Op 15 augustus volgt een briefkaart aan Hernn J.P. van Rooijen, Portretmäler, Woerden Holland.. ‘dass für 20. August 2 Plätze sowie Logis besorgt sind.’

De rol van Caiphas werd gespeeld door smid Hugo Rutz. Tekening door Rinus van Rooijen

Al meer dan vier eeuwen lang voeren de bewoners van Oberammergau om de tien jaar een muzikale voorstelling op over de laatste vijf dagen van Jezus. Een bezoek aan de Passiespelen is een lang gekoesterde wens van Rinus en zijn vrouw Christien. Hoewel hij als portretschilder maar nauwelijks zijn hoofd boven water kan houden heeft hij in 1922 om onbekende redenen wat meer te besteden. Hij wordt daarbij geholpen door de enorme geldontwaarding in Duitsland in die jaren. Het helpt ook dat hij in zeven opeenvolgende artikelen verslag doet van de reis in het katholieke dagblad Het Centrum. Het is een relaas vol van enthousiasme, opwinding en superlatieven.
Voordat de voorstelling begint wonen Rinus en Christien de hoogmis bij. ‘Wat trof mij dien morgen de machtige eenheid van ons heerlijke Roomsche geloof, toen ik de meer dan duizend vreemdelingen uit aller oorden der wereld hier samengestroomd hetzelfde kruis zag maken en dezelfden God zag aanbidden.’ Waarna de apotheose volgt in het passiespel tijdens het afscheid van Jezus van zijn moeder: ‘O, dit hartroerende afscheid heeft ons allen diep in de ziel gegrepen. Bij iedere toehoorder werkte dit droevige afscheid een smartelijke herinnering op aan zijn eigen leven en lijden. Dit was geen spel meer, maar werkelijkheid.’ Alle vijfduizend toeschouwers zijn aangedaan. ‘Wij schamen ons niet voor onze tranen, want rond om ons zien wij mannen en vrouwen, priesters en leeken hunne tranen wegwisschen.’
Het echtpaar laat zich in Oberammergau nog een dag lang rondrijden in een rijtuig met koetsier. Zij bezoeken kastelen, kloosters en kerken. Op de terugweg naar Nederland maken zij diverse toeristische tussenstops. In München bezoeken zij een museum voor moderne kunst. ‘Vooral op het gebied der portretkunst viel er veel te genieten.’ In Rüdesheim bewonderen zij het Niederwalddenkmal, een metershoog monument dat herinnert aan de stichting van het Duitse Rijk in 1871, direct na de Duitse overwinning op Frankrijk. De Eerste Wereldoorlog dreunt hier nog na. In de sokkel staat de tekst van Die Wacht am Rhein gegraveerd, een patriottisch lied, dat Zuid-Duitse nationalisten als hun volkslied beschouwen. Als Rinus het lied begint te zingen wordt hij gecorrigeerd door een bezoeker. ‘Weissen Sie nicht dass es nicht erlaubt ist das Nationallied zu singen. Die Franzosen haben das verboten.’

0

VOORKIND

Herinnering

Petronella van Wijk, 1851 – 1932

Mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk is in 1870 negentien jaar oud als zij bevalt van een zoon, Cornelis. Hoewel zij in IJsselstein woont komt het kind in Linschoten ter wereld. De dokter uit Montfoort die geholpen heeft doet de aangifte op het gemeentehuis in Linschoten, waar hij vertelt dat Petronella ongehuwd is.
Blijkbaar komt de biologische vader niet in aanmerking als huwelijkskandidaat en gaat men op zoek naar een geschikte man. Dat vergt enige tijd en enige afstand. Uiteindelijk vindt men in Breukelen de 32-jarige boerenzoon Dirk Ekelschot bereid om met Petronella te trouwen. De huwelijksvoltrekking vindt wederom in Linschoten plaats. De griffier van de arrondissementsrechtbank Utrecht krabbelt in de kantlijn van de geboorteakte van Cornelis dat Dirk en Petronella het kind “als het hunne erkend en alzoo gewettigd hebben.” Cornelis krijgt op die dag de naam Ekelschot. Met deze oudste broer van mijn opa zouden de familiale contacten later zeer beperkt blijven.

Een voor het huwelijk geboren kind, het is van alle tijden. In het uitgebreide overzicht dat F. Pouw maakte van de familie Den Hartog, een andere voorouderlijke tak van mijn familie, kom ik er meer tegen. Zo bevalt de 21-jarige ongehuwde dienstmeid van de getrouwde Johannes den Hartog in 1831 van een zoon.
In de literatuur die ik op internet vind lees ik dat er in de eerste helft van de negentiende eeuw een piek was in het aantal voor- en buitenechtelijke kinderen. De meest plausibele verklaring onder historici luidt dat de Verlichting en de Franse overheersing hieraan hebben bijgedragen. De Fransen hadden onder meer de prostitutie gelegaliseerd. Buitenechtelijke kinderen kwamen vooral voor in de steden en onder de lagere standen en meer bij protestanten dan bij katholieken. Vrijen voor het huwelijk was echter ook op het platteland heel gewoon. Officieel was het niet toegestaan, maar jongens mochten hun gang gaan, als maar niemand het zag. Er waren artsen die meenden dat het voor jongemannen ongezond zou zijn als zij hun lusten moesten beheersen.
Onder de toenemende invloed van kerkelijke instanties, het beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en de Victoriaanse tijdsgeest nam aan het einde van de eeuw het aantal buitenechtelijk geboren kinderen weer fors af.

Paulus de Lange, 1846 – 1915

Petronella van Wijk, die als jong kind haar beide ouders verloren had, verliest op 26-jarige leeftijd ook nog eens haar man Dirk Ekelschot. Ze verhuist met haar vier jonge peuters naar Maarssen, waar zij de buurvrouw wordt van boer Paulus de Lange. Als de buurman enkele jaren daarna weduwnaar wordt is het pact snel gesloten. Petronella trekt in bij Paulus, zonder te trouwen, wat voor die tijd nogal ongewoon is. Pas als hun eerste gezamenlijke kind op komst is geven ze elkaar in 1886 het jawoord. Vier maanden later wordt dochter Anna geboren. Ik heb haar nog gekend, het was een tante van mijn moeder.
Overigens was de moeder van Paulus de Lange een zus van Dirk Ekelschot. Petronella’s voormalige schoonzus werd dus nu haar schoonmoeder. Het ware kleine kringetjes waarin de mensen zich bewogen.

4

VRIJ ALS EEN VOGEL

Herinnering

De Safety

Op een mooie dag in 1891 stapt de twintigjarige Rinus van Rooijen, de broer van mijn oma, in Montfoort op een boerenwagen. Hij kan meerijden naar Utrecht. Op het Vreeburg stapt hij af en vindt al snel de winkel die hij zoekt.
Rinus was de zoon van wagenmaker Hein van Rooijen. Na de lagere school was hij bij zijn vader in het bedrijf gekomen. Hij leerde snel. Kaasbrikken, boerensjezen, hooiwagens, mallejannen: op zijn achttiende kon hij elke wagen maken. Zijn vader was trots en noemde hem een volleerd wagenmaker. Maar Rinus had een bredere belangstelling. Hij had een tekencursus gevolgd en was bezig Duits en Frans te leren. Hij wilde meegaan met zijn tijd. Dus hij volgde met veel belangstelling het nieuws over de safety. Dit nieuwe rijwiel, in 1885 in Engeland ontwikkeld, was uitgevoerd met een ketting die het achterwiel aandreef. De wielen van deze fiets waren even groot. In 1888 kwam de volgende innovatie. John Dunlop bedacht de luchtbanden. De productie van deze rijwielen nam nu een grote vlucht en al snel waren zij ook in Nederland te koop. Rinus wist in welke winkel hij in Utrecht moest zijn.
Als de winkelbaas hem het rijwiel laat zien, begint Rinus te gloeien van opwinding. Hij twijfelt geen ogenblik. Dit is wat hij zoekt.
‘Heeft u wel eens op zo’n rijwiel gereden?’, vraagt de baas.
‘Nee, nog nooit’, antwoordt Rinus eerlijk.
‘Dan zal ik u helpen.’

Christien en Rinus

Even later zwabbert Rinus buiten tussen de voetgangers, paard-en-wagens en handelaren met handkarren, die zonder regels door elkaar heenlopen. Als hij de bel van de tram hoort stuurt hij snel naar de kant. Hij is een sportieve vent. Het fietsen krijgt hij op het Vreeburg snel onder de knie. Zijn eerste tocht naar Montfoort kan beginnen.
Met de fiets gaat er een wereld voor hem open. De boot Montfoort – Utrecht doet er vier uur over. Op de fiets legt hij de vijftien kilometer in een uurtje af. Woerden is in een half uur te bereiken in plaats van twee uur lopen.
Zijn vader vindt het maar niks. In Montfoort heb je zo’n ding toch niet nodig. Niemand anders heeft een rijwiel. Het is alleen maar voor het genot, zonde om daaraan je centen uit te geven. Maar Rinus voelt zich nu zo vrij als een vogel, hij kan zijn eigen gang gaan. Dus gaat hij op zondagmiddag niet meer naar het plechtig lof, maar naar een café in Utrecht om te biljarten. Als op een middag de ballen gunstig voor hem rollen, begint hij met zijn fraaie bariton een Frans lied te zingen. De dochter van de cafébaas hoort hem vol bewondering aan. Enkele weken later is de verkering een feit.
Het is precies wat zijn vader had gevreesd. ‘Zo’n kakmadaam uit de stad, ’t is schaand.’ In 1896 trouwen Rinus en Christien met elkaar. Zij beginnen samen het Grand Hotel Rustoord. Voor zo lang als het duurt, want eigenlijk wil Rinus portretschilder worden. Gelukkig voor Hein heeft hij nog een tweede zoon, Kees, met wie hij de wagenmakerij zal uitbouwen tot een carrosseriefabriek.
Mijn tweede boek over de geschiedenis van mijn familie is in de maak.

1

DE WERELD VERKENNEN IN KLUNDERT

Herinnering

Arie van Dijk op jonge leeftijd

Begin 1895 gaat mijn opa, Arie van Dijk, drieëntwintig jaar oud, op avontuur. Hij heeft op dat moment meer dan tien jaar bij zijn vader in de smederij gewerkt, in het Utrechtse Jutphaas. Bovendien heeft hij al vier jaar verkering. Hij zoekt een smederij met woonhuis om over te nemen, dan kan hij gaan trouwen. Maar in de omgeving van Utrecht is er blijkbaar niets passends te vinden. Wellicht om zijn voelhorens elders uit te steken gaat hij in het Westbrabantse Klundert aan het werk bij de firma Van der Made, producent van planken en andere houtwaren. Arie legt er ijzeren banden om houten wielen, beslaat paarden en repareert zaag- en schaafmachines. Hij is in de kost bij de familie Van Elewout. Onlangs kwam ik in het bezit van de herinneringen die mijn opa in 1947 heeft geschreven over zijn verblijf in Klundert.

Nederland was aan het einde van de negentiende eeuw een staatkundige eenheid, maar in cultureel opzicht een lappendeken. Voor de meeste inwoners speelde het leven zich in de eigen streek af. Er waren grote verschillen in gewoonten en gebruiken tussen de diverse delen van het land. Arie wordt een gastarbeider in Brabant. Hij kijkt zijn ogen uit. Het meest kenmerkende verschil is voor hem, dat de mensen zo gastvrij zijn. Ze zijn gemoedelijker dan hij gewend is. Ook in geloofszaken zijn de Brabanders een stuk gemakkelijker.
Een ander verschil is de drankcultuur. In Jutphaas ging Arie niet naar het café. In Brabant is dat de gewoonste zaak van de wereld. Hij past zich snel aan. In de vrije uren wordt er menig kruikje bier geheven, aangevuld met jenever. Zodat Arie nog wel eens boven zijn theewater bij zijn kosthuis arriveert. ‘Maar Aaike toch’, verzucht moeder Van Elewout.
De Brabantse meisjes laten zich ook zien. Maar, naar eigen zeggen, is Arie voorzichtig. Hij vertelt dat hij verkering heeft en hij loopt met opzet niet langs de meiden in de keuken van het café om geklets te voorkomen. ‘Er is nooit iets gezegd of gedaan wat een ander niet mocht zien of horen’, schrijft hij later.

Arie van Dijk (rechts) in later jaren in Vleuten

De van oorsprong Italiaanse pastoor strikt hem voor het mannenkoor en de fanfare. Als de pastoor beslist dat de jaarlijkse uitvoering gehouden zal worden in het café van tante Naane, zijn de muzikanten daar niet blij mee. Zij spelen liever bij tante Piet. Arie zegt radicaal dat hij niet meer meedoet. Al snel moet hij op het matje komen bij de pastoor. Hij blijft bij zijn mening, wat voor de pastoor een reden is om Arie stante pede van koor en fanfare te verwijderen. Vader Van Elewout daagt Arie uit om een tegendaad te stellen. En dus neemt Arie tijdens de zondagse mis, zonder te verblikken of te verblozen, plaats in de bank van de kerkmeesters, allen voorname boeren.
Opnieuw moet Arie zich melden bij meneer pastoor. Die zegt: ‘ik ben een heethoofd en jij een Hollandse stijfkop. Deze uitvoering blijft zoals het is vastgesteld. De volgende is bij tante Piet en nu zullen we het maar afdrinken.’ Waarna de pastoor voor beiden een flinke borrel inschenkt.

2

SLUISWACHTER

Herinnering

Vreeswijk is een oud plaatsje aan de Lek onder Utrecht. In de veertiende eeuw werd hier een sluis in de Vaartse Rijn gebouwd, waardoor Utrecht zijn scheepvaartverbinding met de Lek kreeg. Daarna kwam er een fort om de sluis te beschermen en groeide er een dorp omheen. In 1971 werd Vreeswijk met het buurdorp Jutphaas samengevoegd tot groeikern Nieuwegein.
Het hart van Vreeswijk bestaat nog altijd uit de Oude Sluis. Twee smalle straatjes met aaneengesloten bebouwing onder hoge bomen omzomen het dieper liggende water. Aan beide uiteinden is een ophaalbrug. Waar beurtschippers de trossen om de meerpaal mikten passeren nu de pleziervaartuigen. De laadplaatsen zijn terrassen geworden en in de grutterszaak zit een sieradenwinkel. De huidige horecazaken heten Kings Valley, Happy Garden en Luigi’s IJssalon.

Op 21 oktober 1906 viel sluiswachter Willem van den Hoek in het water en verdronk. Dagblad de Tijd meldde enkele dagen later: ‘De sluisknecht Van den Hoek is waarschijnlijk door te struikelen in de sluiskolk gevallen en verdronken.’ Een bericht dat in nog acht andere dagbladen verscheen, van Leeuwarden tot Arnhem en Rotterdam. De Nieuwe Tilburgsche Courant voegde er nog aan toe: ‘Den ganschen nacht heeft men naar hem gezocht; gisterenochtend werd zijn lijk opgehaald.’
Bij de herbouw van de sluis, van 1822 – 1824, had Dirk van den Hoek, de vader van Willem, met zijn paard alle materialen aangesleept. Daarna was hij sluiswachter geworden in dienst van de provincie. Dirk heeft meermalen drenkelingen uit het water gered. Schippers konden niet altijd zwemmen. Voor deze verdienste kreeg hij ooit een zware snuifdoos. Nadat zijn zoon Willem het werk had overgenomen, ging Dirk eenmaal per jaar naar het Provinciekantoor op de Pausdam in Utrecht om een ‘pensioen’ à f 100,- in ontvangst te nemen. Een pensioen was voor die tijd bijzonder. Eind 19e eeuw waren de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren blijkbaar al aardig geregeld.

Willem van den Hoek (1844 – 1906)

Zoon Willem was behalve sluiswachter ook een begenadigd zanger en dirigent. Naast het koor van de katholieke kerk leidde hij ook een zangvereniging. Op de bewuste 21 oktober had hij een repetitie van het kerkkoor geleid. Volgens de overlevering had hij de koorleden gemaand om het Kyrie Eleison, Heer ontferm u over ons, met meer gevoel te zingen. ‘Denk er toch bij na, wat je zingt’, had hij gezegd. Na afloop van de repetitie waren zij zoals gewoonlijk nog een borrel gaan drinken. Daarna had hij in het donker de kortste weg over de sluisdeuren genomen.
Willem van den Hoek was de jongere broer van mijn overgrootmoeder Theodora van den Hoek, de moeder van mijn opa van Dijk. Mijn Tante Jo schreef over dit ongeluk: ‘waarschijnlijk is hij onwel geworden. Hij had niet teveel gedronken, dat heeft men nagegaan.’ Deze laatste bewering heb ik niet kunnen checken.
Theodora had een van haar zoons Willem genoemd, naar haar broer. In 1883, jaren voor het ongeluk in Vreeswijk, was deze kleine naamgenoot op 3-jarige leeftijd, voor zijn ouderlijk huis tijdens het knikkeren in de sloot gevallen en verdronken. Toeval of niet, maar na het verdrinken van de twee Willems is deze naam in de familie nooit meer gebruikt.

0

OME ARIE

Herinnering

de familie Vonk eind jaren twintig

Begin jaren zestig kwamen ome Arie Vonk en tante Anna nog wel eens op bezoek bij ons. Deze oom en tante van mijn moeder woonden op een bovenverdieping aan de Wittevrouwenstraat in Utrecht. Het was een monumentaal pand, maar binnen kreeg ik sterk de indruk dat ome Arie en tante Anna het niet breed hadden. Het verhaal ging dat tante Anna gerust een omweg liep als zij elders een doosje lucifers één cent goedkoper kon krijgen.
In ons familiearchief vind ik een fotoalbum van de familie Vonk. De foto’s uit de jaren twintig geven een heel ander beeld. Arie en Anna bezitten een motor met zijspan en gaan goed gekleed dagjes uit naar het strand. Ik zie Arie in de huiskamer achter een piano met kandelaren en bustes van componisten. Klassieke muziekbeoefening in mijn moeders familie, dat ben ik nog niet eerder tegengekomen. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Wie was Arie Vonk en wat deed hij? Ik ga op zoek in archieven.

Bredaseweg Tilburg

Arie werd in 1880 geboren als halfbroer van mijn oma Ekelschot. Anders dan zijn voorouders werd hij geen boer, maar timmerman. Blijkbaar een intelligente en ondernemende timmerman, want hij is nog in de twintig als hij zijn eerste drie huizen bouwt aan de Schoolstraat in Vleuten. Hij trekt naar Amsterdam, daarna naar Tilburg. Daar bouwt hij rond 1913 samen met een compagnon tien herenhuizen aan de Bredaseweg. In Tilburg wordt ook hun enige kind geboren: Annie.
Het gezin verhuist naar Utrecht. Begin twintiger jaren begint Arie, naast zijn timmerbedrijf, een manufacturenzaak. Modemagazijn de Concurrent aan de Kanaalstraat in Utrecht staat er met grote letters op het raam. Op twee andere ruiten: Manufacturen, Garen, Band, Sajet. Van de Kamer van Koophandel mag hij de naam Concurrent niet meer gebruiken. Die was blijkbaar al in bezit van een mededinger. Op de winkelruit blijft de naam gehandhaafd en in 1924 staat in het Utrechts Nieuwsblad een advertentie in telegramstijl:

OPRUIMING – Manufacturen v.h. De Concurrent, Kanaalstraat 89, begint a.s. Maandag. Weer koopje halen.

de winkel aan de Amsterdamsestraatweg

De roaring twenties brachten welvaart in het gezin Vonk. Het leven lacht hen tegemoet. Men flaneert op zondag door Utrecht, gekleed volgens de laatste mode, de rok boven de knie. Samen met een zwager gaan Arie en Anna met de auto op vakantie in Zwitserland.
Misschien hadden zij een te grote broek aangetrokken. In de tweede helft van de jaren twintig verkast men naar een kleinere winkel aan de Amsterdamsestraatweg. De neergang lijkt ingezet. Op de golven van de economische recessie wordt de manufacturenzaak begin jaren dertig opgeheven. Wat overblijft is een naaiatelier, waar Tante Anna en haar dochter nog lang zullen doorgaan met het vervaardigen van gordijnen, mantels en japonnen. Ome Arie heeft nog altijd zijn timmerwerkplaats maar of hij nog zulke mooie huizen gebouwd heeft als in Tilburg, is in het Utrechts Archief niet te vinden.
Vanaf eind jaren dertig huurt het gezin de etage aan de Wittenvrouwenstraat. Enkele kamers worden onderverhuurd. Vlak na de oorlog staat Arie als ‘kamerverhuurder’ vermeld in een notarieel document. De gloriedagen lijken voorbij.

het pand aan de Wittevrouwenstraat

In 1963 overlijdt, als eerste, dochter Annie, een paar jaar daarna gevolgd door Anna. Arie slijt zijn laatste jaren in het Labrehuis, een katholiek opvanghuis voor alleenstaande ouderen en daklozen. Na zijn dood belanden de weinig overgebleven bezittingen, zoals zijn viool en zijn foto’s, bij zijn nicht, mijn moeder.

Het complete verhaal Op zoek naar ome Arie is voor familieleden te vinden in het familiearchief op deze website. Aan andere geïnteresseerden kan ik het toesturen.

2

DE GESCHIEDENIS VAN EEN KIPPENHOK

Herinnering

Links van het huis staat het kippenhok

Het moet vlak na de bevrijding in 1945 geweest zijn, dat mijn opa Ekelschot naar de Boerenleenbank stapte om geld van zijn spaarrekening te halen. Er stond  nog genoeg op om vijftien kippen te kopen. De jaren waarin geen enkel stuk vee, binnen of buiten, veilig was voor nachtelijke dieven waren voorbij. Het kippenhok kon weer in gebruik genomen worden.
Lang heeft opa er niet van kunnen genieten. Nog geen half jaar later ging hij hemelen. Toen oma Ekelschot een paar jaar later zijn voorbeeld volgde namen mijn ouders het huis over, inclusief het kippenhok. Het was een houten geval van zo’n vier bij twee meter. Er zaten ramen in en het hok was vooraan hoog genoeg om in te kunnen staan. Kortom, voor een stel kippen een ruim bemeten onderkomen.
Ikzelf heb er nooit een kip gezien, want in mijn jonge jaren had het bouwsel, geheel in de geest van die jaren, een tweede bestemming gevonden als kolenhok. Eenmaal per jaar kwam de kolenboer een paar mud antraciet afleveren. De juten zak die hij op zijn hoofd droeg voorkwam niet dat zijn gezicht er asgrauw uitzag. Vanaf de laadbak van zijn auto nam hij een zware zak op zijn rug, liep kromgebogen naar het hok en leegde de zak op de plek waar ooit de kippen hun eitjes hadden gelegd.

In de verdeling van de huishoudelijke taken was het vullen van de kolenkit aan mij toebedeeld. Ik deed mijn plicht zonder morren. Was ik het overdag vergeten, dan kon ik ’s avonds in het donker naar het hok. Er was geen licht.
Het kwam mij dan ook uitstekend uit, dat Nederland in de zestiger jaren op aardgas overging. Het verweerde kippenhok stond er nog een paar jaar doelloos bij als herinnering aan een sober vooroorlogs verleden. Er zat een barst in een ruit en binnen hingen de spinnenwebben boven het achtergebleven zwarte gruis. Er hoefde dus geen traan te worden gelaten toen het hok in een moderniseringsgolf het loodje legde.

Einde verhaal zou je denken. Wie schetst echter mijn verbazing toen er vele jaren later een nieuw hok met kippen en al verscheen. Mijn moeder had een student diergeneeskunde op kamers. Die wilde zijn kennis graag direct in de praktijk brengen. Hij zorgde voor zijn kippen alsof het zijn kinderen waren. Maar je weet hoe het gaat met studenten. Zij krijgen op een gegeven ogenblik een vriendin. Toen hadden zijn kippen het nakijken. Maar geen nood, de buurman stond al klaar om de zaak, om niet, over te nemen. Hij was gepokt en gemazeld in het konijnenwezen, dus ook bij hem waren de kippen in goede handen.
Maar je weet hoe dat gaat met buurmannen. Die krijgen een stacaravan, zo’n ding op wielen met de afmetingen van een modaal kippenhok (het merk laat zich raden). Vervolgens was de buurman de hele zomer afwezig. Zo kreeg mijn moeder na meer dan veertig jaar weer een stel kippen onder haar hoede.
Hoe liep het uiteindelijk met de kippen af? Die werden oud en raakten van de leg. Ergens in de jaren negentig verdween de laatste taaie kip in de braadpan van de buurman. En het hok in zijn houtkachel.

5

MIJN MOEDER

Herinnering

De meimaand is in de katholieke kerk gewijd aan Maria, de Moeder aller moeders. In veel landen is het deze maand ook Moederdag, de wereldse versie van de moederverering. Als 8-jarige schreef ik voor mijn moeder:
Ik ben blij omdat Uw jarig is
Ik heb goed voor Uw gebeden in de H. Mis
En het mooiste wat God heeft gegeven
Is Moeder! Dus ik verwen haar even

Mijn moeder in 1931

Na haar lagere school, waarin zij ieder jaar het hoogste cijfer behaalde voor Katechismus , ging mijn moeder (geboren in 1913) thuis op de boerderij aan het werk. Ze leerde melken en kreeg als beloning van haar vader een fiets. Maar het werk aan huis gaf haar niet voldoende bevrediging. Ze werd hulp in de huishouding en als het even kon trok ze eropuit, bijvoorbeeld naar de korfbalclub. Ze was er bij toen in Vleuten een afdeling van de Katholieke Jeugd Vereniging werd opgericht, een vereniging waarin jonge vrouwen op hun toekomstige taak werden voorbereid, naar het voorbeeld van Maria: vrouwen kunnen gelukkig worden als zij zich in dienst stellen van anderen. Ze werd leidster bij de KJV, wat betekende dat zij geen contacten met mannen mocht aanknopen. De retraitedagen waarin werd onderwezen in de leer van het geloof waren voor haar een hoogtepunt. Dàt werk zou ze het liefste willen doen.
Het is er nooit van gekomen. Rijkelijk laat, in 1943, trouwde zij met mijn vader en nam haar plaats in als moeder van het gezin, zoals zij dat bij de KJV geleerd had. Ze wijdde zich volledig aan haar man en vier kinderen, maar een leven tussen aanrecht en waslijn was haar te beperkt. Al snel trok ze wederom eropuit. Ze werd voorzitster van het Vrouwengilde, trad toe tot het Schoolbestuur en richtte een dameskoor op. Ze was nogal eens ’s avonds weg. Ik vond dit alles heel normaal, net zo normaal als dat zij elke dag mijn boterhammen klaarmaakte en mijn gymtas opruimde.

In 1968

Toen de kinderen het huis uit waren en mijn vader in 1972 overleden was, schakelde mijn moeder nog een paar versnellingen hoger. Ze was onder meer vrijwilligster in het bejaardenwerk, werd actief in de Parochiële Caritas en als eerste vrouw lid van het kerkbestuur. Ze was de Marga Klompé van Vleuten. Werken ten behoeve van de gemeenschap, dat was haar roeping. Ik was blij dat zij een actief leven leidde en vond dat alles heel normaal.
Mijn moeder werd een meer dan actieve deelnemer in de kerkelijke werkgroepen Nieuwe Levensstijl en Vrouw en Geloof. Hoewel van huis uit geen lezer las zij een boek over feministische theologie. Zo was ze toch weer een beetje terug bij het catechisatie-werk dat zij ooit geambieerd had.
Nu ben ik mij ervan bewust dat al dat werk voor de gemeenschap absoluut niet normaal was, zeker niet voor een vrouw van haar generatie. Zo sluit zich ook voor mij een cirkel en ben ik terug bij de bewondering die ik als 8-jarige had. Met enige voorspellende waarde eindigde ik mijn gedicht:
Ik hoop dat Uw nog lang zult leven
Tot Uw honderdse jaar
En als Uw oud ben niet meer zult beven.
Zij stierf in 2012, in haar 99e jaar.

1

ZOEKEN NAAR VOOROUDERS

Herinnering

De boerderij in Maarssenbroek waar mijn overgrootmoeder Petronella van Wijk woonde (links, met de witte schort)

In het tv-programma Verborgen Verleden gaan Bekende Nederlanders op zoek naar hun familiegeschiedenis. Ze vinden onbekende voorouders en verrassende verhalen. Er komt ook nog al eens een Bekende Vaderlander in de stamboom voor.
Omdat mijn vader wellicht al aanvoelde, dat wij geen Bekende Nederlanders zouden worden heeft hij meer dan zestig jaar geleden dit speurwerk voor ons verricht. Na de zaterdagse arbeid (er was toen nog een 44-urige werkweek) verruilde hij het archief van Douwe Egberts voor gemeentelijke en kerkelijke archieven in Utrecht en omstreken. Daar moet hij uren hebben zitten spitten in kaartenbakken en doopregisters. Het resultaat was een indrukwekkende stamboom waarvan sommige takken tot in de 16e eeuw doorlopen.
Onder mijn voorouders bevinden zich veehouders, landmannen en boeren uit de buurt van Utrecht, maar ook smeden, sluiswachters en wagenmakers. Vooral naamloze zelfstandigen, al wordt er een enkele schepen vermeld.
Een overgrootmoeder van mijn moeder heette Hillegonda Muis. Met haar komt zowaar een Bekende Vaderlander onze stamboom binnen. Mijn vader twijfelde er niet aan, dat Hillegonda een ver familielid was van ene Cornelis Muis of Musius. Deze was rector van een klooster in Delft en bevriend met Willem van Oranje. Cornelis is in 1572 in Leiden door de Geuzen opgehangen, zonder nakomelingen, mag je aannemen. Cornelis Musius heeft een vermelding in de Wikipedia.
‘Tenslotte zij nog vermeld dat alle gevonden voorouders katholiek waren’, schrijft mijn vader er in 1952 ter geruststelling bij. Hij had nog wel meer willen uitzoeken, maar het kostte zoveel tijd. Daarom hoopte hij dat een ander zijn werk zou willen voortzetten.

Boerderij de Tureluur aan de Thematerweg in Vleuten. Hier heeft mijn betovergrootvader Matthijs den Hertog gewoond.

Dat gebeurde. Af en toe kwam er wel eens een onbekende meneer aan de deur, die nog wat namen aan de boom kon toevoegen. Sinds ik op deze website met de genealogische veren van mijn vader kan pronken, heb ik een enkele keer contact met zo’n familieonderzoeker. Net als met vissers en vogelaars zijn het uiterst gedreven mannen die hun complete vrije tijd aan hun hobby besteden en er niet voor terugschrikken om nachtenlang door te zoeken. Ikzelf ben meer in het verhaal achter de mensen geïnteresseerd. Maar uit die enkele keer dat ik in bevolkingsregisters gedoken ben, kan ik me iets voorstellen van de drijfveren van stamboomvorsers. Wie na urenlang zoeken een ontbrekende connectie vindt is minstens zo gelukkig als de vogelaar die een onbekende vogel waarneemt of de visser die een flinke vis uit het water haalt.
Onlangs nog was er nog een ver familielid bij mij op bezoek, een wandelende encyclopedie die feilloos uit zijn hoofd kon reproduceren welke familie in welke periode op welke boerderij in Tull en ’t Waal, Montfoort of waar ook in de omgeving van Utrecht had gewoond en hoe de verschillende families met elkaar verbonden waren. Uit zijn verhalen werd duidelijk hoe de uitdrukking Van een bruiloft, komt een bruiloft is ontstaan. Mensen huwden vroeger binnen dezelfde stand, dezelfde regio en dezelfde geloofsgemeenschap. Een soort regionale inteelt. Zo leerde ik dat er tussen de familie van mijn vader en de familie van mijn moeder nog veel meer lijntjes lopen dan alleen die in 1943 vastgelegde verbinding, waaruit ik voortgekomen ben.