In een hoekje van onze klerenkast, een beetje weggestopt achter de overhemden, hangt een houder met stropdassen, wel veertien in getal. Het zijn de ondergeschoven kindjes in mijn kledinguitzet, of beter gezegd, het is de afdeling overbodige zaken. Op die enkele keer na dat er voor een kooruitvoering een stropdas is voorgeschreven, draag ik ze nooit.
De moderne stropdas ontstond eind negentiende eeuw in Engeland. Afgaande op foto’s uit het familiealbum begon de das aan zijn opmars in de generatie van mijn opa’s. Zij droegen ‘em op zon- en feestdagen. Aanvankelijk werd de das buiten om het hoge stijve boord gelegd, daarna verdween het bovenste gedeelte onder de kraag. Mijn vader, de volgende generatie, droeg altijd een stropdas. Zelfs als hij in de tuin aan het werk was gloorde het stropje boven de hoogste knoop van zijn overall.

Mijn eerste stropdas ontdek ik op een schoolfoto uit 1959. Mijn moeder moet het dasje hebben uitgekozen. Haar boodschap lijkt me duidelijk: als een echte man zich aan de wereld toont draagt hij een stropdas. Tussen huis en school moet de knoop wat zijn losgeraakt. Mijn netjes gekruiste armen duwen het dasje opzij tot een ontspannen dracht die goed bij de stralende blik past.
Een jaar later, bij mijn Eerste Heilige Communie, is het een strik die mijn witte overhemdje siert. Op foto’s uit de daaropvolgende jaren zie ik steeds weer de scheve strik, tot en met mijn Plechtige Communie als ik twaalf jaar ben. Daarna draag ik een dun stropdasje. Ten behoeve van de volgende Plechtige Gelegenheid, de dansles, zoeken mijn moeder en ik een vlot kostuum uit, onopvallend bruin met ‘een werkje’, inclusief een rood gemêleerde das, die ik ‘goed kan hebben’, aldus de verkoper. In januari 1970, tijdens het veertigjarig dienstjubileum van mijn vader, draag ik het ensemble voor het laatst, zij het onder protest. De stoet directeuren die zijn opwachting maakt om het jubileum luister bij te zetten is het argument dat de doorslag geeft.

Met de jaren zeventig komt er een einde aan wat ik zie als het onderscheidingsteken van het gezag. Twintig jaar later zal ik nog eenmaal ’s ochtends voor de spiegel de kraag van mijn overhemd omhoog zetten om een das aan te leggen. Het strikken ben ik nog niet verleerd. Ik ben in mijn werk steeds hogerop geschoven en zit soms aan tafel met invloedrijke personen uit de zorg, het verzekeringswezen en de overheid. Allemaal lieden die zichzelf de strop omleggen. Ik had me al aangepast door het dragen van een colbert, later werd het een kostuum. Maar ik hikte nog aan tegen de laatste horde: de stropdas.
Die dag zet ik mijn twijfels opzij. Tenminste dat wil ik. Met een quasi-nonchalante houding wandel ik op mijn werk het secretariaat binnen. Om direct daarna verstijfd te blijven staan van alle commotie die ik heb opgeroepen. Dat went wel, spreek ik mezelf toe.
Dat viel echter tegen. Bovendien knelde de bovenste knoop. Tegenwoordig schijnt twee knoopjes los het summum van echte mannelijkheid te zijn.