Ik hou van schrijven, noteerde ik in mijn eerste blog, nu ruim zes jaar en driehonderdenzeven stukken geleden. Ik prijs mijzelf echter gelukkig dat ik met schrijven niet mijn geld hoef te verdienen.
Het is al net als in de gewone economie: de duvel schijt op de grote hoop. In Nederland kan maar een zeer beperkt aantal schrijvers van hun werk leven: zij die naast hun schrijftalent ook tot de talkshows weten door te dringen (de BN’ers die louter vanwege hun naam verkopen laat ik hier buiten beschouwing).
Ik las het verhaal van een schrijver die een vaste uitgever heeft. Dat is al heel wat. Hij heeft een aantal boeken gepubliceerd. Dan tel je toch mee. Zijn boeken worden vermeld of gerecenseerd in de kwaliteitskranten. Wat wil je nog meer? Desondanks werden van zijn laatste boek slechts een paar duizend exemplaren verkocht. Zijn redacteur ontvangt een fatsoenlijk loon, de vormgever en de drukker idem dito. De schrijver zelf verdient minder dan een vakkenvuller en moet er nog een postwijk bijnemen.
Het schrijven van een non-fictie boek waar langdurige research voor nodig is is alleen haalbaar dankzij subsidies van bijvoorbeeld het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

In Nederland worden zo’n 30.000 boeken per jaar uitgegeven, dat zijn er 600 per week. Dat moet iedereen die eeuwige roem hoopt te vergaren door de publicatie van een boek tot nederigheid stemmen. Mij in ieder geval wel. Het is daarom bijzonder – je zou het ook onrealistisch of masochistisch kunnen noemen – dat duizenden goedwillende amateurs hun werk aan een uitgever voorleggen in de hoop dat die er brood in ziet. Ik was één van hen. Meestal moet je maanden wachten op een antwoord, zo er al een antwoord komt. Daarna ontvang je, zoals met een sollicitatie, een berichtje dat jouw manuscript niet in het fonds past dan wel onvoldoende commerciële mogelijkheden biedt.
Waarom, zo vroegen meerdere mensen mij, geef je je boek niet in eigen beheer uit? Velen zijn mij hierin reeds voorgegaan. Op internet zijn er software pakketten voor te vinden. Alles in eigen hand houden geeft bovendien voordelen.
Mijn antwoord is: als het lukt om een uitgever te vinden dan heeft het boek een andere uitstraling. Een uitgever kan meehelpen bij het bekendmaken van het boek. En nog belangrijker: er is een professional die naar de kwaliteit gekeken heeft en die zijn nek voor de uitgave durft uit te steken.

Dit alles in aanmerking genomen ben ik blij en trots, dat ik voor het manuscript over mijn heeroom een uitgever heb kunnen vinden. Ik kan het wel een godswonder noemen om in de sfeer van mijn oom te blijven.
Maar omdat hij geen BN’er was en ik evenmin (tot op heden) is ook dit boek commercieel niet haalbaar en ga ik nog op zoek naar enkele subsidiegevers die het belang van de beschrijving van het trappistenleven willen ondersteunen.
Het boek komt er. Mede dankzij mijn wekelijkse oefening op deze plek. Volgend jaar verschijnt het. De afspraken hierover zijn deze week gemaakt.