Aan het einde van een zondagmiddag – de schemering is ingevallen, het water van de Vleutense wetering is donker, de oevers grijs – open ik de donkerrode achterdeur van het huis van mijn tante Jo en ome Do. Het droge, schurende geluid van de scharnieren verbreekt de stilte. Ik stap de keuken in en sluit zachtjes de deur. Binnen is het al bijna donker. Dat deert mij niet, ik ken de weg op mijn duimpje. Ik open de deur naar de woonkamer en neem het opstapje. Ook hier is het duister. Alleen door de ruitjes van de schuifdeuren tegenover mij zie ik het flauwe licht dat door een achterraam naar binnen valt. Er hangt een geur van sigaren en zoete thee. Is er iemand thuis, vraag ik mij af. Ik aarzel een ogenblik. Alleen het tikken van de grote wandklok doorbreekt de stilte. Onzeker loop ik om de ronde tafel heen, naar de half openstaande schuifdeuren en de achterkamer, het weinige avondlicht tegemoet. Dan pas zie ik de silhouetten van twee figuren, links en rechts voor het raam, de hoofden omgedraaid om in het laatste licht te zien wie binnen is gekomen. Mijn jonge geest is verbijsterd. Twee mensen zitten in het bijna-donker stil en zwijgend voor het raam. Het leven lijkt hier tot stilstand gekomen. Wie gaat er nu als een dooie in het duister uit het raam zitten staren? Naar niks. Zonder iets tegen elkaar te zeggen.

Deze herinnering kwam in mij op bij het lezen van een artikel van Marjolijn van Heemstra in de Volkskrant van 20 november j.l. Zij stelt daarin de fixatie op economische groei ter discussie en keert zich ‘tegen het absurde idee dat elke seconde nuttig moet worden besteed, tegen de groeiverslaving die onze levens beheerst.’ Schemeren is in haar ogen een krachtig middel tegen deze fixatie: ‘Simpelweg zitten en zien hoe de duisternis opkomt, hoe grenzen vervagen, de dag verwatert. (…) Een zeer toegankelijke oefening in niet-doen en niet-zijn. (…) Het gaat zo langzaam dat er niets lijkt te gebeuren, terwijl intussen alles verandert. Wat in daglicht vastomlijnd is, verwatert in de schemering.’ Het daglicht beperkt je locatie, de duisternis maakt je wereld grenzeloos, zo schrijft zij.

Nu ik zelf de leeftijd heb van mijn oom en tante destijds, kan ik me vinden in het pleidooi voor schemeren, als voorbeeld voor een moment van rust. Al is de drijfveer om iets te doen bij mij meestal sterker, zeker als ik denk aan de klok die de jaren wegtikt. Deze week zette ik aan het einde van de middag mijn stoel voor het raam aan het westen en liet het vallen van de avond op mij inwerken. Bomen die grijs afsteken tegen het licht daarboven. De contrasten tussen licht en donker weerspiegeld in het wateroppervlak. Een laatste roep van een mees. De wind is gaan liggen, het lijkt of ook de natuur rust neemt. Zo word ik omsloten door het grijsdonker. Totdat binnen het licht aanfloept en de betovering over is.
Heb ik nu een uur gewonnen of een uur verloren?