Op de dag dat overal hitterecords gebroken worden zitten wij in de Eurostar, de trein die ons vanuit Brussel naar London gaat brengen. Een kwartier na vertrek mindert de trein vaart en komt tot stilstand.
‘Ladies and gentlemen, we have a serious problem’, meldt de steward via de intercom. Dan valt eerst de airco uit, vervolgens het licht en tenslotte houdt ook het communicatiesysteem ermee op.
Daar zitten we dan midden op de dag in een open veld onder de hete zon in een volle trein. Hoe lang gaat dit duren, hoe houden we dit uit? Vooralsnog wacht iedereen gelaten de ontwikkelingen af. Barmedewerkers delen flesjes water en reepjes Twix uit. Een uur lang weet ik mezelf bezig te houden met de puzzels uit Trouw. Daarna lukt het me niet meer om me te concentreren. Het zweet loopt in straaltjes van mijn hoofd, mijn rug zit vastgeplakt aan de zitting. We zitten gevangen in een bakoven. Alles in mij schreeuwt om lucht, een zuchtje wind, een streepje schaduw. Ik moet me op iets anders concentreren, spreek ik mezelf toe. Anders houd ik het niet meer uit. Dan breekt de paniek door.
Rond de trein is er geen enkele beweging en geen enkel geluid. Gebeurt er eigenlijk wel iets om het probleem op te lossen? Waarom komt er geen andere voertuig om ons op te halen?
Niet alleen de trein staat stil, ook de tijd lijkt tot stilstand gekomen. Sinds de laatste keer dat ik op mijn horloge keek is er slechts vijf minuten verstreken. Na anderhalf uur meldt een rood aangelopen spoorwegmedewerker dat er een rescue train onderweg is uit Lille en dat we geëvacueerd zullen worden. Ik ben nog nooit geëvacueerd. We moeten onze koffers in de noodlotstrein achterlaten. Wanneer en waar we die zullen terugzien is een grote vraag.
In afwachting van de rescue train mogen we onze sauna verlaten. De buitenlucht van 35 graden voelt als een verademing. Het blijkt dat de achterste helft van de trein in een tweehonderd meter lange tunnel staat. In een lange rij lopen we over de brokkelige spoorkeien naar de schaduw. Er hangt een gebroken bovenleiding omlaag. Het wemelt hier van de gele hesjes: reparateurs, treinpersoneel, spoorwegbeambten, politie en brandweermannen. De agenten proberen als schaapshonden de kudde aan de kant te houden. Iemand spant over tien meter een nutteloos roodwit lint. Er worden weer flesjes water aangevoerd. Voor het overige gebeurt er niets. De gele hesjes roken en kijken op hun smartphone. Niemand heeft informatie, niemand lijkt de leiding te hebben.
Na een uur komt er over het andere spoor vanuit Brussel stapvoets een trein de tunnel binnen. Er volgt druk overleg tussen de verschillende hesjes. Water is er genoeg, maar elke informatie ontbreekt. Om onbegrijpelijke redenen duurt het nog weer een uur voordat de evacuatie kan beginnen. Een agent deelt mee, dat we eerst nog onze koffers uit de sauna moeten halen. Vervolgens trekt elk hesje zijn eigen plan en worden er tegengestelde aanwijzingen gegeven. Zo ontstaan er grote files in de noodlotstrein van groepen zwetende reizigers die met hun bagage in de smalle gangpaden op elkaar botsen.
Zes uur na vertrek zijn we terug in Brussel waar cameraploegen van lokale zenders ons opwachten en het inchecken opnieuw moet beginnen.
Overigens ben ik nog steeds van mening dat de trein te verkiezen is boven het vliegtuig.