Tacitus

‘Vandaar werden de soldaten teruggeleid naar het winterkamp, terwijl zij in hun hart blij waren, dat zij de tegenspoed op zee door de goed verlopen expeditie hadden gecompenseerd.’ Zo vertaalde ik in de vijfde klas van het gymnasium een Latijnse tekst. De leraar had mij een 6- gegund, maar uit de vele onderstrepingen met zijn rode potlood voelde ik dat het eigenlijk een onvoldoende had moeten zijn. ‘Oh, oh, wat ben ik ongelukkig’, schreef ik onder het cijfer.
Ik denk dat het een tekst van Tacitus is geweest. Die schreef altijd over krijgstochten en oorlogsontberingen. Drie lesuren per week pijnigden we onze hersens met zijn Annalen. In de les luisterden we hoe een van ons zwoegend en aarzelend een tekst vertaalde. Wegdromen was er niet bij want als de vertaler van dienst een fout maakte, kon je zomaar aangewezen worden om te corrigeren of om de beurt over te nemen. En altijd was er de angst voor een klagelijke uithaal van de docent als we een stommiteit begingen. Als we bijvoorbeeld altus vertaalden met oud.
Het kan ook een tekst van Livius geweest zijn, de schrijver van de Romeinse geschiedenis. Ook zijn boeken lazen wij drie uur per week. Voor de afwisseling lazen we dan, drie lessen per week, de door Vergilius beschreven omzwervingen van Aeneas.
Met die negen uren Latijnse vertalingen waren we er nog niet. We lazen daarnaast Griekse schrijvers, óók negen uur per week: Homeros, Herodotus en Sophocles, de schrijver van Griekse tragedies. Φεύ, φεύ! (Ach, wee!) zijn de Griekse woorden die ik mij, niet zonder reden, het best herinner.
Van de vijfendertig lesuren besteedden wij er dus achttien (18) aan Latijn en Grieks. Wie nu zo’n lesprogramma zou voorstellen loopt de kans dat er kamervragen worden gesteld over het onnodig schade berokkenen aan kinderzielen.

Odysseus

Het gymnasium is de opvolger van de Latijnse school uit de negentiende eeuw, zo schrijft NRC-journaliste Mirjam Remie, van wie onlangs een lovend boek over deze opleiding uitkwam. Zonen uit de hogere kringen werden er onderwezen in talen en cultuur. Zonder de klassieken kon de Europese cultuur niet begrepen worden. Zonder de klassieke filosofie kon men de wereld niet kennen.
Toen ik in 1964 aan het gymnasium begon was dat niet vanuit een jarenlange familietraditie, al waren een broer en een zus mij voorgegaan. De keuze kwam al helemaal niet voort uit mijn belangstelling voor de klassieke oudheid, integendeel. De enige reden was, dat het gymnasium aangeschreven stond als het hoogste wat je kon bereiken. Wie het gymnasium kon halen meldde zich niet voor de HBS. Voor mijn ouders telde nog dat een gymnasiumopleiding een minieme kans in leven hield dat ik alsnog voor een priesteropleiding zou kiezen.

Er waren leerlingen die aardigheid hadden in de talloze oorlogen die Tacitus beschreef of in de omzwervingen van Odysseus. Zij vormden de uitzondering. Voor mij was het verplichte kost. Het ging mij louter om goede cijfers en daarvoor was ik bereid om altijd braaf mijn huiswerk te maken. Maar wie denkend aan de hitparade en de voetbalcompetitie woordjes zit te stampen en verbuigingen probeert te ordenen, moet dat wel heel vaak herhalen.