Vakantieherinnering (3)

Ronda

In augustus 1981 zijn G. en ik in Andalusië met de bus onderweg van Ronda naar Sevilla. Het is 37 graden Celsius in de schaduw. De zweetdruppels lopen van mijn hoofd en mijn rug plakt vast aan de zitting. Ik zweet snel, wat volgens sommigen een voordeel is. Maar in dit soort omstandigheden ervaar ik dat als een nadeel. Zolang de bus maar rijdt en er warme lucht door de openstaande ramen naar binnen waait, is de hitte nog te dragen.
Ik had vier jaar daarvoor 35 graden meegemaakt in Athene. Dat vond ik ongekend. Elvis was net overleden en in de YMCA had ik de bijzondere aandacht van een man die naakt bij de wastafels liep. Ik had niet het idee, dat hij dat deed vanwege de hitte.

Vergeleken met Athene voelt deze hitte ondragelijker. Hoewel we een tentje bij ons hebben zoeken we in Sevilla een fonda waar je voor een habbekrats kunt slapen. Een oude man, die moeizaam loopt, wijst ons op de eerste étage een kamer met een klein balkon boven een nauwe steeg. Het voelt er nog relatief koel. Naar later zou blijken beheert de man het logement samen met een oudere broer en zus. Iedere nacht slaapt een van hen in een leunstoel onderaan de trap om te voorkomen dat gasten ’s morgens vroeg vertrekken zonder te betalen.
Als we onze rugzakken uitpakken blijkt dat het kampeer-botervlootje, ooit gekocht omdat het bestand was tegen hoge temperaturen, tijdens de reis niet goed afgesloten is geweest. De gesmolten boter heeft zich over een slaapzak verspreid. Mijn vermogen om tegenslag te accepteren was in de loop der jaren wat gegroeid, als ik maar de mogelijkheid had om het probleem direct te verhelpen. Maar als ik met de goed beboterde slaapzak en een stukje toiletzeep klaar sta bij het fonteintje, blijkt dat er geen druppel water uit de kraan vloeit. We horen dat het water in Sevilla op rantsoen is. ‘Esta noche, quizas’, vanavond misschien, zegt onze gastheer onverstoord.

Het Alcazar op een rustige morgen

De volgende ochtend gaan we al vroeg op stap naar het Alcazar, het schitterende koninklijk paleis uit de Moorse tijd. We lopen van schaduw naar schaduw om de ongenadige zon te vermijden. In de middag, als de temperatuur opgelopen is tot bijna 40 graden vluchten we naar het Parque Maria Luis om uit te hijgen op een fraai betegelde bank. De warmte ligt als een zware, niet te verwijderen deken om mij heen. Iedere beweging is teveel. Ik voel een enorme weerstand.
Laat op de avond komt er een eerste verkoelend windje door de wijd openstaande balkondeuren van onze kamer. Ik heb al mijn kleren als overbodige ballast uitgetrokken en moet de exhibitionistische neiging onderdrukken om zo het balkon op te lopen. Van buiten klinkt het lawaai van spelende kinderen. Het loopt tegen twaalven.
Om de warmte voor te zijn vertrekken we de volgende morgen in alle vroegte uit het pension. Met een opgeknapte slaapzak en een leeg botervlootje. Het gestommel op de trap maakt de man in de leunstoel wakker. Hij zet zijn stoel aan de kant om ons met de rugzakken te laten passeren. Op naar Cordoba.