Een klein bericht vorige week op Teletekst: ‘de Zwarte Cobra is terug in Nederland.’ De bijnaam verwijst naar drugsbaron Henk R. Hij zat sinds 2006 gevangen in de Verenigde Staten. Op Schiphol is hij direct in hechtenis genomen. Hij moet nog een poosje zitten voor enkele vergrijpen in Nederland en er loopt nog een onderzoek waarin hij verdacht wordt van een dubbele moord. Hij kreeg zijn bijnaam in de tijd dat hij nog een gewone inbreker was. Hij was zo lenig, dat hij door elk sleutelgat naar binnen kon. Slim moet hij ook zijn, want van een dief van postzegelverzamelingen werkte hij zich op tot een van de rijkste drugshandelaren van het land.
In het schooljaar 64/65 zat Henk direct achter mij aan het raam van een benedenlokaal van het Bonifatiuslyceum. Hij kwam van het katholieke internaat Don Bosco in Leusden. Ik vond het een aardige jongen. Hij was goed in sport en niet op zijn mondje gevallen. Bij het begin van het nieuwe schooljaar bleek dat hij van school af was. Katholieke scholen brengen priesters voort, onderwijzers, officieren van justitie, maar ook drugsbaronnen. Wie welke afslag neemt en wat daarbij meespeelt is een vraag die ik hier nu laat liggen. De terugkomst van de Zwarte Cobra heeft bij mij wel andere vragen opgeroepen.

Van een deel van mijn klasgenoten in dat lyceumjaar weet ik wat zij geworden zijn: dierenarts, klinisch psycholoog, ingenieur, tandarts, jurist; beroepen die je kunt verwachten van vwo-scholieren. Er zijn zijn ook klasgenoten met een andere levensloop: een kunstenaar die aan de drugs is verslaafd, een architect met een alcoholverslaving en de genoemde handelaar in drugs.
Wij waren de jongeren voor wie de volwassenwording samenviel met de vrijheidsgolf van de jaren zestig. De rem die we hadden meegekregen in de opvoeding ging eraf. Niets hoefde, alles kon. Wij werden als het ware door de tijdsgeest geholpen in het loskomen van onze ouders. En door de pil, de uitkering en de genotmiddelen. De ouders die zelf nooit die vrijheden hadden gekend werden bedankt. Ging dat niet al te gemakkelijk? Zijn er daarom generatiegenoten blijven steken in het ongebonden leven?

Ik heb er geen cijfers over, maar ik denk dat de meesten van mijn leeftijd ondanks de vrijgevochten jaren keurig op traditionele pootjes terecht zijn gekomen. Omdat zij voldoende zelfvertrouwen hadden meegekregen of omdat zij, zoals ik, de normen uit hun opvoeding stevig hadden geïnternaliseerd. Kenmerkend is wel dat de meesten die ik ken in de non-profit sector zijn beland. De jaren zestig waren geen kweekbak voor marketingmedewerkers of beurshandelaren.
Daarnaast zijn er van mijn generatie meer mensen doorgegaan met een ongebonden levensstijl. Via afwisselende bezigheden zoals een baantje in de biologische tuinbouw, een wereldreis maken, het boeddhisme bestuderen en een dichtbundel uitgeven. Ik zou er niet gelukkig van worden, maar dat zegt minstens zoveel over mij. En waar verslaving om de hoek komt kijken is het gebruik van de woorden ongebonden leven discutabel. Wie zou beter af zijn: de kunstenaar die gevangen zit in zijn verslaving of de drugshandelaar die opgesloten zit tussen vier muren?