Ik heb er een achternicht bij. Zij heet Veronique en ze is 74 jaar. Pas sinds kort weet ik van haar bestaan.
Het begon allemaal toen ik bijgaande foto van Hotel Rustoord aan de Mariahoek in Utrecht in ons familie-archief vond. De foto is gemaakt rond 1910 en roept een sfeer op van een goed leven met een modern Frans biljart, zware eikenhouten meubelen en sigarenrook. De man rechts naast het bord is Rinus van Rooijen, een oom van mijn vader en eigenaar van de zaak. Tussen alle boeren en smeden die mijn stamboom bevolken springt deze horeca-oudoom er bijzonder uit. Ik wil meer van hem weten en ga op zoek in gemeentelijke archieven.

Ome Rinus was getrouwd met tante Christien. In het eerste decennium van de 20e eeuw woonden zij met 3 dochters en 2 zoons aan de Buys Ballotstraat nr. 14 in Utrecht. Aanvankelijk stond er een melkhandel aan de Mariahoek op naam van ome Rinus. Daarna pakte hij uit met het hotel.
Rond 1912 moet het hotel failliet zijn gegaan. De familie verhuisde naar Den Haag. Uit deze periode is slechts bekend, dat er veel gemusiceerd werd in huize van Rooijen. Tante Christien speelde het liefst Brahms op de piano en de familie zong zijn liederen. Oom Rinus schilderde het portret van Brahms en hing het boven de piano.
Daarna verhuisde de familie naar Woerden, waar Rinus een bestaan als portretschilder probeerde op te bouwen. De drie oudste kinderen waren er ondertussen achter gekomen, dat hun vader altijd veel plannen had, maar weinig geld. Zij kozen voor een geborgen leven in het klooster. De jongste dochter zou later dezelfde keuze maken. Als uitzondering hierop belandde zoon Piet in het onderwijs. Hij zou zijn verdere leven zijn ouders financieel op sleeptouw nemen.

Tante Christien en Ome Rinus op jeugdige leeftijd

Halverwege de jaren twintig woonde men in Arnhem. Hier runde ome Rinus een pension, tegelijkertijd probeerde hij het maar eens als journalist. Hij schreef af en toe voor het katholieke dagblad Het Centrum. Mijn familie vergeleek hem met mr. Micawber. Dit karakter uit Dickens roman David Copperfield is in het Engelse woordenboek beland voor een persoon ‘who is poor but lives in optimistic expectation of better fortune’. Het verhaal gaat dat ome Rinus wel eens bij mijn opa, zijn zwager, om geld kwam bedelen, wat hem door de laatste op niet mis te verstane wijze werd geweigerd.
Weer een decennium later belandden ome Rinus en tante Christien in huize Nazareth in Best, een rusthuis gedreven door de congregatie waar twee van zijn dochters waren ingetreden. Het lijkt er dus op dat ome Rinus een ietwat turbulent leven heeft geleid. Bekend is, dat hij een uitstekend zanger was, stotterde en van schrijven hield. Daarom wil ik nog wel meer van hem weten.
Ik ga op zoek naar zijn nakomelingen, de kinderen van Piet, die later Peter is gaan heten. Mijn enige aanknopingspunt is de woonplaats Emmen. Een vriendelijke ambtenaar van deze gemeente blijkt bereid om de namen van de 6 kinderen van Peter uit het archief op te duiken. Via een lange zoektocht op internet vind ik tenslotte achternicht Veronique. Eind vorig jaar hebben we kennis met elkaar gemaakt. Over enige tijd gaan we samen verder op zoek in Montfoort, waar ome Rinus en mijn oma ooit het levenslicht zagen.