De studentenflat aan de Van Lieflandlaan

September 1972, laat in de avond. In een studentenflat in Utrecht open ik de deur van een kamer. De ruimte is vol mensen. Zij zitten op de bank, op het bed, op de vloer. Een walm van rook komt mij tegemoet. Vanonder een paarse lampenkap valt flauw licht de kamer in. De ruiten zijn beslagen. Ik kijk rond waar ik nog kan zitten, het gezelschap staat me tegen. Even is er de ingeving om terug te gaan naar mijn eigen kamer. Maar daar wacht dan de eenzaamheid. Huisgenoot Frans, die zijn verjaardag viert, zegt dat het kratje met bier op de gang staat.
Op een van de weinige plekken die nog vrij zijn laat ik mij op de grond zakken. Tegenover mij zit een meisje dat ik niet ken. Roodgeverfde haren, gelakte nagels, oogschaduw. Wat een opgemaakte pop, denk ik. Zij steekt een sigaret op en blaast op nonchalante wijze de eerste rook uit. ‘Je verspreidt aardig wat rook.’ Er is niets anders wat mij op dat moment te binnen schiet. We kijken langs elkaar heen.
We zitten echter zo dicht op elkaar, dat we elkaar niet kunnen negeren. Aarzelend komt er een gesprek op gang. Zij komt uit Haarlem en werkt als tandarts-assistente.
‘Ken jij hier veel mensen?’, vraagt zij.
‘Eigenlijk alleen een paar huisgenoten.’
Zij zegt dat zij zich snel eenzaam voelt. Dat zij zich vaak de mindere voelt in een gezelschap. Dat herken ik. Mijn stemming slaat razendsnel om. Ik wil alles van haar weten. We kijken niet meer weg, we hebben alleen nog maar oog voor elkaar. Er ontstaat een intimiteit die slechts onderbroken wordt door mensen die langs en over ons heen stappen.

citroengeranium

‘Laten we naar mijn kamer gaan’, stel ik na een tijdje voor. Jozien is verrukt van de grote hoeveelheid planten. Ze ruikt aan de citroengeranium en blijft stilstaan voor de kast met mijn psychologieboeken. ‘Jij kan vast door mensen heen kijken.’ Hoe nu verder, denk ik. Het is over twaalven, Jozien gaat niet meer naar Haarlem. Ik heb nog nooit met een meisje geslapen. Iedere jongen van mijn leeftijd weet natuurlijk hoe je dat aanpakt. Ik zet de bandrecorder aan.
Als er stiltes vallen en ik de moeheid en de drank voel, zeg ik dat zij in mijn bed mag liggen. Dat ik op de bank ga slapen. Even later zien we elkaar tandenpoetsend in de spiegel boven mijn wastafel. Zij zegt dat ik de tanden verticaal moet poetsen.

De volgende morgen breng ik haar op de fiets naar een uitvalsweg vanwaar zij liftend naar huis zal gaan. Ze heeft haar armen om mijn middel geslagen. Nadat ik haar heb afgezet kijk ik nog eens om. Ik zie de rode haren wapperend in de wind. Terug op mijn kamer ben ik totaal van de wereld. Ik begin aan een lange brief. ‘Ik zie je nog steeds bij de oprit staan, ik ruik de patchouli aan mijn hoofdkussen en Utrecht voetbalt vandaag tegen Haarlem. Everything reminds me of you. Wanneer kom je terug, vuurtorentje?’
Er ontstaat een wekelijkse correspondentie. Jozien wordt verliefd. Dat wil zeggen: op mijn brieven. Maar ze komt niet terug. ‘Je kunt een veel beter meisje vinden.’