Het was er altijd donker, warm, rokerig en vol. Je moest je in een geur van rook en bier een weg banen tussen de vele klanten. Voor twaalven kwam je hier niet. Dit was de kroeg die pas ‘s nachts ging leven, de kroeg waar je heen ging als alle andere gesloten waren. Hier werden, het glas bier in de ene hand, de peuk in de andere, de problemen van de wereld besproken. Hier stond men elkaar boven de jazzmuziek uit te beleren hoe de maatschappij veranderd moest worden. Glas en shaggie werden alleen opzij gezet voor de versnapering, die onlosmakelijk met het café verbonden was: de bal. Een platte gehaktbal opgediend op een witte schotel met een saus van tomatenketchup.
Achter de bar stond Cor, een kleine, brede Surinamer. Hij zei nooit iets maar was altijd opmerkzaam. Stond je achter twee rijen bezoekers om iets te bestellen, dan gaf hij direct met zijn ogen aan dat hij je gezien had. Tegelijk met je bestelling lag het wisselgeld al op de bar. Had iemand een kwade dronk over zich of viel een man een vrouw lastig, dan stond Cor in no time naast de overlastgever en leidde hem subiet naar buiten. Je kon je bestelling ook doorgeven aan Gerrie, de vrouw van Cor, die zich soepel met een blad vol bierglazen tussen de opeen gedromde gasten bewoog. Er was voor haar bij de bar door middel van een hekje een plaats vrijgehouden, waar zij de bestellingen ophaalde. Was het zelfs voor deze kroeg tijd om te sluiten, dan dreef Cor, beginnend achter in het café, als een sneeuwschuiver met zijn korte gespreide armen de klanten zonder gemor naar buiten.

Gerrie en Cor. Bron: de Nieuwe Utrechtse Krant

Wie in de jaren zeventig in Utrecht gestudeerd heeft, zal in deze beschrijving café ’t Pandje herkennen, gevestigd in wat ‘de puist’ in de Nobelstraat genoemd werd: een rij vooruitstekende panden die de straat aan het begin smaller maakten. In 1980 werden deze panden afgebroken en verhuisde de kroeg naar een onderkomen zestig meter verderop. Het nieuwe Pandje was beter verlicht. Gerrie liep niet meer rond, maar stond ook achter de bar, totdat zij deze taak aan haar oudste zoon kon overlaten. De jazz was vervangen door popmuziek. De rookwalmen en de bal waren gebleven.
Achter in de zaak stond een klein bankje. Daar vonden G. en ik een keer de laatste plek om te zitten. Het was een zaterdagnacht, zo ongeveer in 1983. We zaten onder een kapstok vol met jassen en weggedrongen achter de lijven van druk pratende gasten. Op dat bankje verzamelde ik mijn moed om haar iets te bekennen. Iets waarvan ik van tevoren niet goed kon inschatten hoe dat zou vallen. We waren een jaar of drie bij elkaar, we hadden allebei een baan gevonden. Het Pandje was veranderd en mijn leven had een andere wending genomen. Ik zei dat ik wel kinderen wilde. Ik weet niet waarom ik het meervoud gebruikte. Weggedrukt in dat hoekje omarmde G. mij en mijn wensen.
——–
Voor mijn vaste lezers: volgende week ben ik afwezig.