Het moet rond 1972 geweest zijn dat Wim T., een van mijn huisgenoten op de studentenflat, opeens op een splinternieuwe blauwe racefiets aan kwam zetten. Zo’n fiets waar Merckx en Zoetemelk op reden! Met belangstelling bekeken wij het kromme stuur, de remkabels die daarbovenuit bolden, het puntzadel en de dunne bandjes. De riempjes om de schoenen vast te binden leken ons wat link bij het afstappen. Wim parkeerde zijn aanwinst in het smalle gangetje van de flat. Dat vond ik wel een minpunt.
Nog geen jaar later liep ik zelf fietsenhandel Kok binnen, de enige zaak in Utrecht die destijds racefietsen verkocht. Even later kwam ik met een paars merkloos, want goedkoop exemplaar weer naar buiten. Overal waar ik kwam werd de racefiets met bewondering bekeken en uitgeprobeerd. Zéven versnellingen, dat was ongekend. En zo licht van gewicht! De gebogen houding waarmee je uitgestrekt over de fiets lag werd niet door iedereen gewaardeerd, al verzekerde een jonge vrouw dat zij op het puntzadel goed zou kunnen klaarkomen.

Wekelijks maakte ik een trainingstocht om me voor te bereiden op het volgende ideaal: samen met vriend Paul op vakantie met de racefiets. De bestemming voor onze toertocht was duidelijk. Dat kon alleen maar Frankrijk zijn.
Bij aankomst met de trein in Cahors, een middeleeuws stadje ten zuiden van de Dordogne, bleek dat mijn fiets de reis niet geheel ongeschonden was doorgekomen. Met enkele kale plekken op het frame en deukjes in het spatbord viel echter nog prima te fietsen. Dat werd anders toen ik tijdens de eerste klim flink op de pedalen ging staan en een behoorlijke speling in het trapstel voelde. Met de blik van een kenner zette ik de fiets op zijn kop. Tot onze verbazing rolden er zes kleine, zwarte kogeltjes ergens uit de fiets via de zadelbuis de onderkant van het zadel in. Boos op de hele wereld en op fietsverkoper K. te U. in het bijzonder liet ik mij schoorfietsend weer naar Cahors afzakken.

Fietsenmakers waren er destijds genoeg in Cahors, maar pas de derde die wij bezochten wilde er wel eens naar kijken. De zaak heette Tout pour le cycle en werd gedreven door een oud mannetje die in zijn vuile werkplaats geholpen werd door een doofstomme man met een zenuwtrek.
Toen wij na anderhalf uur terugkwamen was de baas juist bezig met een zware hamer flinke klappen uit te delen aan het trapstel van mijn nieuwe fiets. Bij iedere klap kromp ik ineen. Zijn rappe commentaar was voor mij niet te volgen. Na zes jaar Franse les op het gymnasium wist ik feilloos de woorden voor het middenschip en de zijbeuken van een kerk, maar aan de onderdelen van een racefiets waren we niet toegekomen. Omdat zijn methode blijkbaar niet de gewenste resultaten gaf maakte hij duidelijk dat het trapstel un peu forcé was en daarom vervangen moest worden. Tegen een bedrag dat een flink gat sloeg in mijn vakantiebudget kon ik de fiets de volgende dag weer ophalen.
Zwaar beladen vertrokken we die dag stroomopwaarts langs de rivier de Lot. Met goede zin, zeven versnellingen en strak aangetrokken riempjes reden we de vrijheid tegemoet.