‘Zal ik je een stukje duwen’, vroeg mijn moeder, ‘het is zo’n end’.
‘Nee!’, riep ik ferm doortrappend. Ik wou een stoere jongen zijn. Mijn moeder zag het met voldoening aan. We fietsten in de buurt van het Woerdens Verlaat en waren op weg naar tante Alie en ome Piet in de Hoef. Vanuit Vleuten was dat een afstand van bijna 25 kilometer. Voor een 7-jarige op een kinderfietsje geen peulenschil.
Het zou de eerste vakantie van mijn leven worden, al noemden we het niet zo. Ik ging logeren en ik vond het allemaal prachtig. Dé grote attractie voor mij was de roeiboot, die voor het huis in de Amstel lag. Dat roeien wilde ik direct zelf doen. Het bleek moeilijker dan gedacht, regelmatig belandde de boot in het riet. Ik vond het raar om achteruit te varen. Als de scharnieren piepten hield neef Gijs de roeispanen even in het water. Vervaarlijk over de rand van de boot leunend trok ik de drijvende pompenbladeren uit het water, me verbazend over de enorme lengte van de stengel. Ik wilde zien of ze allemaal zo lang waren.
Ome Piet was smid en fietsenmaker. Achter het woonhuis was een werkplaats waar mijn oom zijn kost verdiende in het spaarzame licht dat door de vuile ruitjes viel. De logeerpartij bestond niet alleen uit pret, want er moesten ook klusjes gedaan worden, zo bleek. Ome Piet had een goedkope restpartij van verschillende spijkers gekocht. Die moesten wij op lengte sorteren. Daar had ik niet op gerekend en mokkend vroeg ik me af of ome Piet wel bevoegd was mij zo’n opdracht te geven.

Het huis van ome Piet en tante Alie

Het kwartje dat we ermee verdienden lieten we, anders dan ik thuis gewend was, direct weer rollen. Bij de bakker kochten we Bazooka kauwgom voor vijf cent. Daar zaten wielerplaatjes bij van Gino Bartali en Fausto Coppi. Er ging een wereld van roem en glorie voor mij open. Ik nam mij voor alle plaatjes te sparen en vroeg ome Piet of er nog meer gesorteerd kon worden. Zijn nukkige antwoord stelde me teleur.
Tante Alie deed ondertussen haar best om mijn logeerpartij tot een succes te maken. Op een van de avonden stond er een enorme stapel pannenkoeken op tafel. Ik wilde niet onderdoen voor mijn vier jaar oudere neef. Die avond kon ik in de bedstee mijn misselijkheid niet de baas. Half overeind gekomen kotste ik het bed onder. Mijn tante zorgde zonder iets te zeggen voor een schoon bed.
Ome Piet kon nog wel eens onverwachts boos reageren. Zo riep hij een keer onder het avondeten: ‘Gatverdamme, ik ruik een wind. Wie heeft die gelaten?’ Met boze ogen achter zijn sterke brillenglazen keek hij de kring rond. Ik durfde niet te zeggen, dat ik het geweest was. Bedplassen, kotsen, er was al te veel dat ik niet had kunnen ophouden. Toen voelde ik ook nog eens tranen opkomen. Mijn oom stond met veel misbaar op en schoof achter mij het raam een end omhoog. Ik vond het logeren opeens niet zo leuk meer. Die 25 kilometer fietsen leek me nu een enorme afstand.