In februari schreef ik hier over de keuze van mijn Heeroom (1903 – 1989) voor het klooster. Hij was monnik en abt van de trappistenabdij Koningshoeven in Tilburg. Maandag was ik met enkele familieleden nog eens op bezoek in het klooster.

Zo loop ik na jaren opnieuw onder de gewelfde bogen van de gewijde kloostergang. We worden rondgeleid door een vriendelijke pater. Zijn habijt ziet er bij de kraag sleets uit en de rand van zijn zwarte superpli is op één plek met grove steken dichtgenaaid. In de abdijkerk staan we stil bij het kloosterleven. ‘Ik weet wat ik morgen ga doen, en overmorgen, en alle dagen die komen’, zegt hij. ‘Dat oogt saai, maar ik heb er geen moeite mee’. Voor hem is de gelofte van gehoorzaamheid het moeilijkste. Een monnik volgt nooit zijn persoonlijke wensen, maar stelt zich in dienst van een leven met god. Wie intreedt ziet af van elk persoonlijk bezit. ‘Ik moet om alles toestemming vragen’, vertelt de pater,  ‘ook als ik nieuwe schoenen nodig heb’.
Mijn neef vertelt dat hij vijf jaar de priesteropleiding bij de Kruisheren heeft gevolgd. Daarna werd hem te verstaan gegeven, dat hij niet geschikt was voor het klooster, omdat de eenzaamheid hem te zwaar zou vallen. Ook mijn eigen vader is ooit aspirant-monnik geweest in Koningshoeven. Hij had geen moeite met het harde, sobere leven, maar mocht er niet blijven, omdat hij te weinig flexibel zou zijn.

Na de rondleiding worden we ontvangen door Dom Bernard, de huidige abt van Koningshoeven.
Hij is, net als veel andere monniken, een vriendelijke, goedlachse man. Het lijkt wel alsof sommige monniken twee gezichten hebben: een naar binnen en een naar buiten.

De smeedijzeren lampen zijn gemaakt door enkele familieleden van mij

We spreken over mijn Heeroom. Die was voor ons, familieleden, en voor vele anderen in de buitenwereld een zeer aimabele, milde man, een toonbeeld van rust en acceptatie. Voor zichzelf was hij echter zeer streng. Dat was hij ook als abt voor zijn monniken. Een monnik diende zich zoveel mogelijk comfort te ontzeggen. Enkele korsten droog brood volstond als ontbijt. Van zijn warme maaltijd maakte mijn oom een afschuwelijk mengsel. Pap, groente, bier, hij  gooide als een vorm van zelfkastijding alles door elkaar om het zo smakeloos mogelijk te maken.
Dom Bernardus vertelt dat hij als jonge monnik elke dag een half uur moest voorlezen, toen mijn Heeroom op hoge leeftijd niet meer zelf kon lezen. Dat was voor Bernardus geen pretje. Mijn oom was zeer veeleisend en vroeg na enige tijd om een andere voorlezer.
Heeroom heeft na 21 jaar vrijwillig zijn functie als abt neergelegd. Het besturen van de kloostergemeenschap was hem te zwaar geworden. Dom Bernardus vertelt nu, dat mijn oom bij zijn aftreden een sterk verdeelde gemeenschap achterliet. Er waren flinke meningsverschillen over de vernieuwing van het geloof en over de kloosterregels. Mijn oom was niet altijd even consequent geweest in zijn bestuur. Hij had een groep van medestanders en er was een  groep van opponenten. De verdeeldheid binnen de gemeenschap was zo diep, dat er pas drie jaar later een nieuwe abt gekozen kon worden.
Dat mag je wel leven in de brouwerij noemen.

Op onze terugreis van Koningshoeven concluderen we, dat niet alleen het beeld van onze oom bijgesteld moet worden, maar ook het beeld van deze kloostergemeenschap als vredige broederschap. De binnenkant en de buitenkant komen niet altijd met elkaar overeen.
De strenge orde van trappisten vraagt nogal wat van zijn monniken. Je moet een sober en eenzaam leven aankunnen. Je moet principieel en dogmatisch zijn in je opvattingen, maar tegelijk ook flexibel in de omgang met de confraters met wie je dag in dag uit het leven deelt. Dat is bijna vragen om spanningen.