Afgelopen maandag, twaalf uur in de middag. Op de tijd van het vertrouwde luchtalarm werden wij opgeschrikt door de piepjes van de telefoon die het breaking news van de lockdown verkondigden, als was het een boodschap van een engel uit de hemel. G. en ik lieten onmiddellijk alles uit onze handen vallen, als je dat tenminste kunt zeggen over twee gepensioneerden. We waren ons bewust van de ernst van de situatie en wisten wat ons te doen stond: als de gesmeerde bliksem naar het tuincentrum voor een kerstboom. We hebben dit jaar al zoveel moeten missen, daar kan het ontbreken van zo’n vers ruikende boom niet nog eens bijkomen.
Bij de ingang namen we dankbaar een ontsmet winkelwagentje in ontvangst en liepen vol verwachting met mondkapje en beslagen bril het tuinwalhalla binnen. Even nog dreigde de hechte samenwerking tussen ons tweeën een scheur op te lopen, omdat ik doelgericht naar de kerstbomen wilde doorstomen en G. onderweg nog allerlei leuke dingen zag. We vonden elkaar weer in de noodzaak van de aanschaf van vogelvoer.
De bomen in een pot waren al vergeven, dus waren wij aangewezen op een afgezaagd exemplaar van de Abies Nordmanniana. Omdat het houten kruis dat jarenlang onze bomen overeind heeft gehouden de verhuizing blijkbaar niet had overleefd, ging ik direct na thuiskomst aan de slag met duimstok en zaag. Niet veel later kon ik G. met trots een houten standaard laten zien. Met twee roestige spijkers van tien centimeter sloeg ik het kruis stevig onder de stam van de boom. Ik vermeld deze bijzonderheid, omdat het jaren geleden is, dat ik een kruis heb geslagen. En ook, omdat het zomaar kan zijn, dat die spijkers afkomstig zijn uit de smederij van mijn overgrootvader. Gooi nooit iets van waarde weg.

Niet dat we het ooit hebben afgesproken, maar na veertig jaar kennen G. en ik onze taken bij het optuigen van de boom. Eerst hang ìk de lichtjes erin, daarna ontfermt G. zich over de ballen. Vaste gewoonten maken het leven gemakkelijk. Toen ik vanaf een afstandje kritisch keek of de lichtjes mooi over de boom verdeeld waren, zei G.: ‘dat kruis, dat kan niet zo.’ Ik moest haar gelijk geven. Het houten onderstel sprong eruit als het hemdje onder een kindertrui of de onderbroek van een stratenmaker.
Diep uit een van de kasten in de garage kwam nog wat hel groen crèpepapier tevoorschijn, iets dat om onduidelijke redenen wèl was meeverhuisd. Nu volgde een handeling die, zoals later bleek, het meest heikele onderdeel in het proces was. Terwijl ik met een gehandschoende hand de boom omhoog hield, wikkelde G. het crèpepapier om de vier poten. Aan haar gezucht te horen liep dat niet vanzelf. Het papier werkte niet mee en het plakband liet los. Terwijl ik kermde dat ik de boom niet langer meer kon houden, stegen van onderuit de verwensingen naar de hemel. Dat werkte. Na enkele inspannende minuten eindigde onze kruistocht. O Magnum Mysterium.
We gaan de harde lockdown in en zullen eens te meer op elkaar zijn aangewezen. Gesterkt door de oplossing van dit probleem, kunnen we het isolement beter aan dan ooit.