Wat ga je onthouden van deze kerk, vraagt G. mij. We staan in Bath Abbey, een gotische kathedraal in het Engelse Bath. De vraag is bedoeld om ons slechter wordend geheugen een handje te helpen. Het plafond vind ik wel apart, antwoord ik, of die zesenvijftig glas-in-loodramen die het leven van Jezus weergeven. Terwijl ik dit zeg, weet ik dat deze oefening vergeefs is. Over een jaar zal ik me uit het blote hoofd niets meer van Bath Abbey herinneren.
Voor het verrijken van onze kennis of voor het oefenen van het geheugen hoeven we het niet te doen. De vraag is dan: waarom bezoeken we in elke plaats de kerk?
De meest simpele verklaring is: zo ben ik groot geworden. Niet dat we vaak op stap gingen in mijn jeugd. Maar als we ergens waren, in Oldenzaal, Middelburg of Köln, dan bezochten we onder aanvoering van mijn vader de plaatselijke kerk. Overal liepen we zachtjes en vol eerbied door het middenpad, maakten een korte kniebuiging voor het hoofdaltaar en bekeken de schilderijen in de zijaltaren. Als kind zag ik weinig verschil tussen de ene of de andere kerk. Het kerkbezoek hoorde erbij, het maakte onderdeel uit van het complex van plichten dat je als katholiek nu eenmaal had.
Het geloof is nu allang verdwenen, maar de impuls om een kerkgebouw binnen te lopen is gebleven.
Een argument is, dat een kerk vaak een museum van architectuur en religieuze kunst is. Je kunt er gratis en vrijblijvend naar binnen lopen. Dat danken we toch maar aan alle gelovigen die door de eeuwen heen hun geld aan de kerk geschonken hebben. Om zich van een plekje in de hemel te verzekeren.

Je kunt een kerk ook bezoeken voor de rust en ontspanning, voor de koelte, voor een moment van bezinning. Nog nooit bezochten we zoveel kerken als in Rome. Ik herinner me (zonder dat G. er een vraag over had gesteld) dat we in een hete straat vol verkeerslawaai de hoge trappen van een kerk opliepen. We openden de deuren en stonden direct in een oase van rust en koelte. De naam van de kerk herinner ik me niet meer. Ik weet wel, dat er schilderingen waren van een armada uit het christelijke Venetië die op volle zee de moslims uit de Midden-Oosten versloeg. Dat waren nog eens tijden. We waren op dat moment de enigen in die kerk. Tenminste zo leek het. Maar opeens hoorden we dat voorin de kerk iemand een paar noten aangaf. Daarna klonk er een schitterend meerstemmig religieus lied, zo indringend, zo zuiver en zo prachtig, dat ik mijn tranen niet kon bedwingen.
Hoe is dit mogelijk, vraag ik mij nu af. Roept het gezang iets op uit een ver verleden, iets wat verloren is gegaan, iets wat ik misschien wel weer terug zou willen? Zoals klokgelui op zondagmorgen ook iets nostalgisch heeft?
In Bath Abbey geeft men niet alleen informatie over de historie van de kerk. Men probeert de bezoeker ook te interesseren voor wat de kerk nú te bieden heeft. Dat gaat me toch een stap te ver. Daarvoor kom ik niet binnen.