De kapel in Steinfeld

Het boek dat ik schrijf over mijn heeroom bracht mij onlangs naar de Benediktinerinnen in Steinfeld. (In Duitsland hebben de benedictinessen nog een lettergreep extra). Begin zeventiger jaren woonde mijn oom bij de trappistinnen in het Duitse Dahlem. De lezingen die hij daar gaf maakten zoveel indruk, dat hij al snel uitnodigingen ontving uit tal van kloosters in Duitsland. Zo kwam hij tweemaal per jaar in Steinfeld. Er wonen daar nog steeds enkele zusters die mijn oom hebben gekend. Dat soort zusters heb je niet veel meer. Dus ik greep mijn kans.
Omdat mijn vermogen om oude, Duitstalige nonnen te verstaan niet erg sterk is ontwikkeld, had ik G gevraagd mij te vergezellen. Een vergissing is snel gemaakt, weten wij. Jaren geleden huurden wij een vakantiehuis in Slovenië. Toen de Duits sprekende verhuurder aanklopte, wilde G een verklaring geven voor mijn afwezigheid op dat moment: ‘Mein Mann is heute im WC’. Het ontbrak er nog maar aan, dat zij eraan toevoegde: ‘Bitte, kommen Sie morgen zurück’.

We worden hartelijk ontvangen. De abdis begeleidt ons naar een ontvangstkamer, waar een tafel wacht met koffie, bronwater, taarten, koekjes en andere Süssigkeiten. Het is niet in overeenstemming met de ascetische leefwijze volgens de regel van Benedictus. De twee zusters die zich daarna bij ons voegen laten het lekkers dan ook staan. De zusters zijn in vol ornaat, een zwarte sluier over het hoofd en daaronder een witte doek die alleen het gezicht vrijlaat. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie, al meer dan vijftig jaar geleden, bieden de kledingvoorschriften voor religieuzen meer vrijheid. Hier kiest men voor traditioneel.

Benedictinessen in Dinklage. Ook hier gaf mijn oom regelmatig retraites

Mijn lijst met vragen hoef ik niet af te werken. De zusters vertellen uit zichzelf, hun Duits is goed te volgen. De sfeer is zoals ik die vaker in kloosters heb meegemaakt: blij, vriendelijk en ontspannen. Een grapje hier, een overdrijving daar en vaak lachen. Het is het tegendeel van de ernst en devotie waarmee men de overige uren van de dag leeft.
Zo zegt een van de zusters lachend, dat zij onder de voordrachten van mijn oom altijd in slaap viel. Zij heeft echter genoeg meegemaakt om mijn oom met talrijke complimenten te beschrijven. Hij werd in Steinfeld op handen gedragen.
Ook in kloosters komen gevoelens van hartstocht en verliefdheid voor. Maar dat blijft onder de pet (de kap). Begin jaren veertig was mijn oom biechtvader voor de trappistinnen in Berkel-Enschot. Zijn biechtstoel werd de gehele dag belegerd door zusters die hem wilden spreken. ‘Als u niet oppast met die vrouwtjes’, zei zijn abt, ‘zullen ze u de hele dag in de biechtstoel houden en dat niet alleen, ze zullen u ’s nachts ook nog naar de biechtstoel roepen’.
Het is een thema, waarop ik zou willen doorvragen, maar dat kan niet in dit gesprek.

Loslaten en accepteren, dat waren thema’s waarover mijn oom vaak sprak. Het lijkt op een katholieke versie van wat wij tegenwoordig mindfulness noemen: door je emoties, je eisen, je oordelen te laten varen kom je tot innerlijke rust. Voor mijn oom betekende dit dat je in contact kwam met god.