Studeren in de jaren ’70 (16)

(vervolg op het vorige blog, d.d. 28 juli)

Een winkel in de Sovjet-Unie

In Leningrad sta ik samen met Karin ‘s morgens vroeg in een lange rij. De muren van de winkel zijn wit betegeld. De schappen zijn halfvol. Er staan deegwaren, blikken vlees en vis. In manden liggen kolen, tomaten en eieren. Een vrouw in een witte stofjas rekent af met behulp van een telraam. Ik lees Karin voor wat er op de bordjes staat.
Ik ken het cyrillisch schrift en enkele Russische woorden. Ik heb het boek van John Reed gelezen over de Russische Revolutie. ‘Zonder voorbehoud beveel ik het de arbeiders van de hele wereld aan’, schreef Lenin in het voorwoord. Ik ken een couplet van de Internationale in het Russisch. Steeds vaker ben ik een vraagbaak voor mijn medereizigers.
Weer buitengekomen vertelt Karin in een bijzin over haar vriend die in Nederland gebleven is. Ik wist niet dat zij een vriend had en kan wel door de grond zakken. Ik neem mij voor haar verder te mijden, ik moet mijn hoofd erbij houden. Maar dat lukt van geen kant. We trekken steeds weer naar elkaar toe, als de helften van een magneet. De verliefdheid is niet tegen te houden.
Op een avond met jeugdleden van de communistische partij bevragen Nederlanders en Russen elkaar over werk, vrije tijd en politiek. Na afloop gaan de discussies in onze groep door. Als de Russische onvrijheden worden aangevallen, zeg ik dat het land in opbouw is. De opmerkingen over waardeloze spijkerbroeken en smakeloze cola kan ik tegengaan door de westerse consumptiemaatschappij te hekelen. Maar de vraag, waar ik zelf dan het liefst zou willen wonen, laat ik maar onbeantwoord.

Wachten op de bus. Ik maak een aantekening (uiterst links)

Op de voorlaatste avond gaat onze groep naar een luxe Amerikaanse bar in Leningrad. Ik ga niet mee. ‘Imperialistisch gedoe’, zeg ik tegen Karin. Maar de werkelijke reden is, dat ik met haar in het hotel wil blijven.
Voor het eerst van mijn leven heb ik een eigen hotelkamer. Het voelde de eerste dag als een enorme luxe: rustig op de wc zitten met de deur open. Totdat ik ontdekte dat het wc-papier ontbrak. Toen moest de folder van het Marx-Leninmuseum eraan geloven.
De deur van mijn kamer is nog niet dicht of Karin en ik omhelzen elkaar.
‘In de geest van Lenin’, zeg ik.
‘Genoeg, hou op!’
De tl-buis boven het bed bromt.
‘Of is het afluisterapparatuur?’, vraagt Karin.
Direct na het vrijen barst zij in huilen uit, ze voelt zich schuldig tegenover haar vriend. Bedremmeld probeer ik haar te troosten, terwijl ik me danig zit te verbijten, dat ik op de verkeerde ben gevallen.
De volgende morgen kies ik terneergeslagen een plaats achter in de bus, ver van de anderen. Er volgt een excursie naar een school, waar een leerkracht de zegeningen van de communistische opvoeding roemt. Als in een belendend lokaal iemand ongenadig weemoedig op een accordeon begint te spelen, kan ik wel janken. Maar ’s avonds zeg ik vermoeid tegen Karin: ‘het is jammer, maar we hebben mooie dingen meegemaakt met elkaar’.
‘Walgelijk’, reageert Karin en ze wil weglopen, ‘hou op met die verstandelijke overwegingen. Waar zit je gevoel, man?’
Ik weet niets te zeggen, ik wil alleen maar slapen.