Het mechanisme werkt als volgt. Je hebt een bepaalde opvatting en alle argumenten en zelfs feiten, die daar tegen ingaan, ontken je, negeer je of bestrijd je; alles om maar vast te houden aan je eigen standpunt of waarheid. Dat kan ver gaan.

ijs polderHet is winter en er staat een straffe noordoosten wind. Na enkele dagen vorst is mijn verwachting dat  er wel geschaatst kan worden. Ik woon sinds een paar jaar op kamers in Utrecht, maar voor het schaatsen ga ik terug naar Vleuten. Ik zie de bevroren dauw in de winterse polder al voor mij, ik hoor het goddelijke geluid van schaatsen over hard, maagdelijk huis. Ik ruik de balkenbrij, waar mijn moeder mij na afloop op zal trakteren.
Het ijs van de spoorsloot voelt stevig aan, een enkeling heeft hier al geschaatst. De ijsvloer kraakt  waar deze losraakt van de slootkant. Met de wind schuin in de rug ben ik al snel bij de Bijleveld. Ook hier ziet ik schaatsstrepen. Mijn idee wordt bevestigd: het ijs is dik genoeg.
Dan kom ik bij een kruising, waar vanuit het noordoosten een sloot in de Bijleveld uitkomt. Die sloot ligt door de wind nog helemaal open. Aan de overzijde van de kruising spelen enkele jongens ijshockey. Ik hou even in, want het ijs, zo vlak bij die open sloot, ziet er dunnetjes uit. Vlak langs de oever lijkt het ijs dikker, dus daar moet ik langs.
Dan gebeurt het. Het ijs zakt weg onder mijn voeten. Ik ga omlaag, mijn benen worden nat, ik val schuin voorover.

Mijn eerste gedachte is: dit kan niet, het bestaat niet dat ik hier door het ijs zak. Ik heb al zoveel geschaatst, ik ken de polder, vertel mij wat. Ik zak dieper weg en het water komt aan mijn borst, maar ik geloof nog niet dat het waar is. Alles gebeurt in een flits van een seconde. Dan voel ik dat mijn benen traag door het water bewegen en met mijn kin kom ik op een scherpe rand ijs terecht. Pas nu zeggen mijn hersenen dat ik ervoor moet zorgen, dat ik zo snel mogelijk weer uit het water kom. Als in één doorgaande beweging weet ik weer overeind te komen en op de oever te klimmen. De jongens kijken me geschrokken aan. Ik doe alsof er niets aan de hand is. Alsof ik regelmatig zo eventjes door het water struikel. Via het weiland keer ik terug naar waar het ijs sterk genoeg is.

ijs gezaktOp de spoorsloot zie ik opeens, dat mijn beige jas aan de voorzijde geheel rood  geworden is. Er druppelt in hoog tempo bloed uit mijn kin. Vreemd, want ik voel geen pijn. Met mijn zakdoek op de wond probeer ik de vloed te stelpen. Als ik uiteindelijk tegen de wind in bibberend bij mijn schoenen aankom, zijn mijn vingers zo koud dat het me niet lukt om de inmiddels bevroren veters van mijn schaatsen los te knopen. Gelukkig is er een Florence Nightingale nabij die mij te hulp schiet.
In mijn ouderlijk huis blijkt de jaap in mijn kin zo groot dat het verstandig lijkt een arts te raadplegen. Uiteindelijk beland ik op een operatietafel in het Antonius Ziekenhuis, waar men de wond weer keurig dicht naait. Onderwijl dringt mijn ontkenning van de werkelijkheid die middag langzaam tot mij door. Ik ben met mijn vasthoudendheid aardig door het ijs gezakt.
Er zijn naasten, en zeker niet de minsten, die vinden dat ik me nog altijd onvoldoende heb losgemaakt van dit mechanisme. Misschien hebben zij gelijk. Maar misschien houden ook zij teveel vast aan hun eigen oordeel.