Als ik wakker word trekken droombeelden zich snel en ongrijpbaar terug. In mijn ontwakend bewustzijn dringt direct het besef door van de wereld die veranderd  is. En waar we mee te dealen hebben, is de volgende gedachte. Mijn lichaam moet nog ontwaken, als een zeehond op een zandplaat ligt het zwaar tussen de lakens. Er is geen spier die uit zichzelf begint te bewegen, totdat ik denk dat verder liggen geen zin heeft en me uitrek.
Bij het ontbijt hippen de mussen voor het raam tussen de resten van de broodkruimels die ik er gisteren heb gestrooid. De eerste tuinfluiter heeft zich gemeld, hij begint te zingen zoals hij altijd gezongen heeft. Een merelpaartje fladdert op de rand van het tuinhek om elkaar heen, steeds weer opvliegend, onrustig, totdat het mannetje het genoeg vindt en bovenop het vrouwtje springt, heel snel en heel kortstondig, daarna nogmaals, waarna ze ieder een eigen kant opvliegen. Vergeefs op zoek naar goed nieuws leg ik het Coronadagblad opzij.
Ik vervolg mijn onderzoek naar de Nederlandse samenleving tijdens de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw en naar de belevenissen van mijn familie, een mogelijk onderwerp voor een volgend boek. Ik struin achter mijn pc door digitale archieven, maar ik mis de bibliotheken, de gesprekken en contacten, ik mis de stilte van een archiefzaal waar bedaarde oudere mannen vasthoudend door vergeelde documenten bladeren.
Aan het einde van de morgen doen G. en ik onze dagelijkse fitness, in sportkledij, in de ruime woonkamer. We volgen de pasjes en armbewegingen op het scherm. Voor G. is dit gesneden peijnenburg, ik volg onwennig. Ik raak in de war als mijn benen zijwaarts moeten en mijn armen voorwaarts. Mijn kleinkinderen willen een opname van mijn oefeningen, maar dat heb ik verboden.
Waren G. en ik tot voor kort nooit samen thuis, nu zijn we continu in elkaars nabijheid, op de enige plek waar social distancing niet telt. In een wonderlijke mengeling van vertrouwdheid, gewoontegedrag en nieuwe vormen van samenwerking prijzen we onszelf gelukkig dat we deze tijd samen beleven in een huis dat zowel binnen als buiten ruimte en lucht geeft. Een vergelijking met merels lijkt me wat vergezocht.

Het achterstallig onderhoud in de tuin lopen we snel in. Waar het opschietende onkruid tussen stenen en tegels anders een langdurige opgave zou vormen is het wieden, met uitgedroogde handen, nu een welkome afwisseling in de buitenlucht. Een klusje dat erg meevalt. Het moet eigenlijk niet te snel gaan, want er staat nog zoveel tijd in beperking te wachten.
Ik heb grote bewondering voor de hulpverleners die in moeilijke omstandigheden hun werk doen, maar voor het slapen gaan brengt het kijken hiernaar teveel ellende in mijn hoofd. Zoveel onzekerheid, zoveel onvoorspelbaarheid.
Ik haal het brood voor de volgende dag uit de vriezer, doof de lichten, doe de buitendeur op slot en probeer in bed het gevoel van de zeehond te vinden, die zich laaft aan de zon. Mijn beperkingen zijn gering, is de gedachte die zich tussen waken en slapen opdringt. Ik voel me nog altijd een bevoorrecht mens.