August Willemsen (1936 – 2007) was een vertaler van Portugese literatuur. Daarnaast heeft hij dagboeken, brieven en essays gepubliceerd. Zijn bekendste boek is Braziliaanse brieven waarin hij op schitterende wijze zijn ervaringen met het Zuid-Amerikaanse land beschrijft. De goddelijke kanarie gaat over het Braziliaanse voetbal, De val over de behandeling van zijn alcoholverslaving.
Willemsen was een stotteraar – of moet ik zeggen: een spreker met een niet-vloeiende achtergrond. (Er zijn meer schrijvers met een spraakgebrek, wellicht is hier sprake van compensatie-gedrag.) Zijn ervaringen als stotteraar beschreef hij in het essay Het hoge woord, in een bundel met dezelfde titel uit 1994. Het was mij destijds ontgaan, maar ik kwam op dit spoor toen Frits Abrahams er onlangs in de NRC over schreef.
Willemsen heeft naar eigen zeggen het stotteren overgenomen van een buurjongen. Hij merkte dat hij door te stotteren onder de hoge verwachtingen van zijn ouders uit kon komen. De beloning was dat hij ontzien werd en minder verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Zo werd het stotteren geleidelijk en onmerkbaar een deel van zijn leven, een houvast in situaties waarin gepresteerd moest worden en een excuus voor tekortkomingen. Het werd zijn manier van ‘in de wereld staan’.
‘Er zit ook een behoorlijk portie aanstellerij bij. Ik vond eigenlijk dat ik een flink pak lazer verdiende’, schrijft Willemsen. Want, zo zegt hij, iedere stotteraar kan ook vloeiend spreken.
Dat laatste is waar. Het verwijst naar het grote raadsel van het stotteren: waarom de ene keer wel en de andere keer niet? Waarom spreken sommige stotteraars vloeiend als zij een rol spelen? Wat te denken van stotteraars die het tot professioneel acteur geschopt hebben (Carol van Herwijnen) of geprezen cabaretier (Herman Finkers)? Marilyn Monroe, Winston Churchill, Rowan Atkinson, de lijst is lang.

De jongensgroep in het zomerkamp, Willemsen uiterst rechts

Ooit deelde ik een week lang een kamer met August Willemsen. Het was in 1975, in de periode dat hij bezig was om een bestaan als vertaler op te bouwen. We waren beiden actief als vrijwilliger in een zomerkamp voor jonge stotteraars. Willemsen was een lange man, die nog langer leek als hij ’s avonds een nachtgewaad aantrok dat tot zijn enkels reikte. Ik vond hem een originele geest met creatieve gedachten. Hij kon op de drukste straathoek van Den Bosch tien minuten lang met zijn ogen dicht een ontspanningsoefening doen. Stotteren hoorde ik hem weinig. Zijn handicap was een ijsberg. Els Versteegh, de therapeute die ons beiden begeleid heeft, zei eens: ‘Stotteren is een oude knecht, die jou al vaak geholpen heeft. Het is nu tijd om het vechten op te geven en vrede met hem te sluiten.’
‘Maar gewoonten van een halve eeuw zijn hardnekkig’, schrijft Willemsen. ‘En zodra er een kink in de kabel komt, ruzie, emotie, woede, irritatie, misverstand, meningsverschil, schieten de schouders en de adem omhoog en maakt het verwende mormel zich weer onaanspreekbaar.’ Als hij consequent op zijn ontspanning en adem let, zou hij vloeiend kunnen spreken. Maar dat voelt voor hem heel vreemd. ‘Ik voel me, zonder de vertrouwde aanstellerij, letterlijk displaced, in een andere wereld, en klamp me aan mijn laatste innerlijke bolwerk, mijn gehate houvast.’
Confronterend en voor mij herkenbaar beschreven. Maar de complexe wereld van de stotteraar laat zich niet op één manier verklaren of verbeteren.