Tussen de beperkte grammofoonplaatverzameling bij ons thuis stond een promotieplaatje uit 1962. In een als humoristisch bedoelde sketch speelt Wim Sonneveld de interviewer en Godfried Bomans een beroemde componist. De cabaretier Sonneveld is ditmaal de aangever (‘hoebedoeluuu?’) voor de grappen van de schrijver Bomans. Sonnevelds uithaal aan het einde dat hij Bomans een brutale, gezwollen, zelfingenomen, brallerige kwal vindt lijkt niet alleen door de sketch ingegeven. Ik herinner mij dat ik als tienjarige geschokt was door de directe wijze waarop beide mannen elkaar de ongezouten waarheid vertellen.

Godfried Bomans schreef in de jaren dertig en veertig enkele nu nog steeds gelezen boeken, zoals Erik of het klein insectenboek (de 60e druk verscheen in 2013). Na de oorlog schreef hij columns voor De Volkskrant en Elsevier. Door zijn humor, scherpe observaties en originele gedachten werd hij een televisie-persoonlijkheid. In die tijd vond ik hem oubollig en conservatief.
Op 21 december a.s. is het vijftig jaar geleden dat Godfried Bomans overleed. Raken veel schrijvers na hun dood al gauw in de vergetelheid, voor Bomans is de belangstelling nog altijd groot, waarmee een van zijn uitspraken wordt bevestigd: ‘zolang er nog mensen over je spreken, ben je nog niet helemaal dood.’
Het Godfried Bomans Genootschap houdt met publicaties en lezingen zijn gedachtegoed op peil. Er zijn tientallen boeken over de man verschenen, een ongekende verzameling voor een schrijver die tijdens zijn leven nooit één literaire prijs ontvangen heeft. Die aandacht heeft hij zelf in de hand gewerkt. Niet alleen was hij een meester in verzinsels en rookgordijnen – je wist bij hem nooit wat waar of onwaar was. Hij was daarnaast een zeer complexe persoonlijkheid. Bij iedere deskundige van wie het beroep met psy- begint, loopt hiervan het water in de mond. Bomans wordt gekenschetst als overgevoelig, ijdel, clownesk, ongrijpbaar, lichtgeraakt. Een poseur, een onzeker kwetsbaar kind, altijd op zoek naar warmte. Hij genoot ervan als vrouwen verliefd op hem werden en keek ondertussen alweer uit naar de volgende vrouw die hem alle aandacht zou kunnen schenken.

Schrijven kon hij als de besten. Er zijn taalkundigen op zijn werk gepromoveerd. Erkende literaire grootheden als Mulisch en Brouwers spraken hun bewondering uit. Hoewel zij er veelal aan toevoegden dat zij vooral Bomans stijl bewonderen en niet zozeer de inhoud. Maarten ’t Hart daarentegen was niet onder de indruk.
Bomans komt uit een katholiek nest. Op dat punt zijn er geen mystificaties rond zijn persoon. Hij kon goed de spot drijven met de gedragsdragers in de kerk. Tegelijkertijd proef je zijn verlangen naar de aloude katholieke rituelen en gebruiken. Ik las de laatste jaren diverse boeken waarin hij verhaalt van zijn roomse jeugd. Over de kapelaan die het kind vraagt ‘Braaf op school?’ en zonder een antwoord af te wachten alvast invult: ‘kijk dat doet me genoegen’. En over de pastoor: ‘Als hij een parochiaan ontmoette legde hij zijn arm om diens schouder, alsof de man zojuist uit een moeras was opgehaald.’ Bomans noteert over het Rijke Roomsche Leven: ‘wij leefden in een zelfgenoegzaamheid, die wortelde in angst.’