Sinds 24 februari kijk ik iedere ochtend na het opstaan eerst op Teletekst om te weten of er nog nieuws is uit Oekraïne. Daarna pas pak ik de krant. Ik lees de verhalen over de mannen die hun kostuum omwisselen voor een gevechtspak. Over de mensen in de schuilkelders en de angsten tijdens de inslagen van raketten. Ik zie de foto’s van de geblakerde gevels van flatgebouwen, van de mensen die hun leven wagen op straat om een naaste naar een ziekenhuis te brengen. Hoe zou ik reageren in zo’n situatie? Ik zou niet eens weten waar hier een schuilkelder in de buurt is. Het gaat mijn voorstellingsvermogen te boven. En tussen al die gedachten over de oorlog dringt het besef door dat ik tot de generatie geluksvogel behoor.

Op de eerste plaats omdat ik nooit een oorlog heb meegemaakt en nooit heb hoeven vechten. De vrede en vrijheid die we kennen zijn als het water voor een vis: zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stilstaat. Maar er is veel meer dat mij tot een bevoorrecht mens maakt.
Ik groeide op in een veilige, groene, niet-vervuilde omgeving. Ik genoot degelijk onderwijs, wat mij hogerop bracht. Ik was jong in de jaren zestig, een decennium waarin de rode loper van vrijheid en autonomie voor mijn generatie werd uitgerold. Een golf van democratisering ging door het land. Mijn studie werd deels gefinancierd en ik mocht er lang over doen. De opkomst van de popmuziek was een ongekende ervaring. We konden ons eigen leven leiden, met voldoende middelen, ook op het gebied van genot en anticonceptie. Onder de dienstplicht uitkomen was een koud kunstje. Vervolgens leverde de studie een goed betaalde baan op. We kochten voor een habbekrats een huis en werden slapend rijk omdat het huis elk jaar meer waard werd. Ik had een baan met veel autonomie en voldoende ruimte voor creativiteit. Part-time, zodat ik ook nog verzorgende taken op me kon nemen en me kon uitleven in hobby’s. Lieve vrouw en kinderen, vrienden, goede gezondheid, vakanties naar het buitenland. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik kan zes van de zeven vinkjes van Joris Luyendijk aankruisen.

Voor zo’n geluksvogel als ik is het toch wel bijzonder dat ik zo vaak geprotesteerd heb tegen wat er in mijn ogen mis is in de maatschappij: de ongelijke kansen, discriminatie, de wapenwedloop, het gebrek aan democratie. Dat komt er blijkbaar van als je bent opgevoed met het streven dat altijd alles beter moet en dat we de hemel nog niet bereikt hebben. Maar heeft het wat uitgehaald? De kernwapens zijn de wereld niet uit, de ongelijkheid neemt toe, de milieuvervuiling kookt over.
De generaties voor mij hebben oorlogen gekend en economische crises. Wij konden profiteren van de vooruitgang en de welvaart. Voor de generaties na mij ziet het er voorlopig niet naar uit dat het beter wordt. Laten wij, van de geluksgeneratie, het huis waarin we zo heerlijk gewoond hebben, in een slechtere staat achter? Het is goed om hoop te houden. Maar ik heb er op zijn minst een ongemakkelijk gevoel bij.