Hoe kan het gebeuren, dat ik, op 65-jarige leeftijd, een groot gevoel van medeleven ervaar met mijn vader, vanwege een gebeurtenis die hem overkwam op zijn 21e , in 1935?

Mijn vader met zijn broers rond 1928. Hij staat in zijn korte broek links van mijn Heeroom.

Van een neef ontving ik onlangs een dikke map met welgeteld 191 brieven, die frater Willibrordus, mijn Heeroom, tussen 1927 en 1963 naar zijn ouderlijk huis geschreven heeft. Mijn oom was trappist, ik schreef hier eerder over hem.
Omdat ik het familie-archief beheer, ben ik zeer geïnteresseerd in alle informatie over mijn familieleden, hun gewoonten, omgangsvormen enz. Daarom ben ik blij verrast met deze onvermoede vondst. Nieuwsgierig begin ik de epistels uit het klooster te lezen.
Ik kom niet alleen iets te weten over het strenge leven in het klooster, maar ook over de verkering van mijn ooms, de ziekte van mijn oma en de vorderingen van mijn vader op de mulo.
Al snel na zijn intrede in 1927 haalt mijn Heeroom zijn oudste zus over om ook het klooster in te gaan. Vervolgens wordt mijn vader, de jongste in het gezin, geadviseerd om goed te bidden en om alvast maar Grieks en Latijn te leren als voorbereiding op het kloosterleven.
Mijn vader heeft daar wel oren naar en in september 1934, hij is dan 20 jaar, meldt hij zich bij het poortgebouw van het trappistenklooster in Tilburg met de vaste bedoeling om daar als frater Ludgerus zijn verdere leven aan O.L. Heer te wijden.
Het zal vanwege mijn wettige aanwezigheid op deze aarde duidelijk zijn, dat mijn vader geen monnik is gebleven. Dat hij maar anderhalf jaar in het klooster heeft doorgebracht is ons bekend. Maar over de vraag hoe hij het kloosterleven ervaren heeft en waarom hij gestopt is, weten we weinig. Brieven die hij naar zijn ouders heeft geschreven zijn er niet meer. Ik ben daarom zeer benieuwd of ik in de nu opgedoken brieven van zijn broer een antwoord op deze vragen kan vinden.

De eerste berichten over de intrede zijn hoopvol. Frater Ludgerus doet overal flink aan mee, hij is opgeruimd en zal, schrijft frater Willibrordus met een knipoog, worden aangesteld als baas van ‘de afdeeling vegerij en schrobberij op het noviciaat’. Onderaan de brief staan in keurig handschrift enkele regels die mijn vader geschreven heeft, zie de foto rechts. Enkele weken later schrijft Ludgerus: ‘Alles best hier. Waar zou het beter zijn dan den geheelen dag met Jezus te leven’. Als kerkdienaar schiet hij een aantal bokken, maar in de Griekse les blinkt frater Ludgerus uit.
Een jaar later is de toon anders. Heeroom schrijft dat er een gouden jubileum van een broeder gevierd zal worden. ‘Dan kan ik met fr. Ludgerus een sigaretje smoken en een beetje praten.
In de volgende brief wordt het probleem benoemd.
U moet maar niet schrikken van den brief van fr. Ludgerus. ’t Is waar dat hij soms een beetje zwaar op de hand is. Weet u nog, dat hij toen hij nog heel klein was dat versje al zoo mooi vond: ‘Ja het leven is een zware strijd’.
Ach, hier breekt mijn hart. Hier staat zwart op wit dat de sombere buien van mijn vader niet alleen maar een last in de laatste twaalf jaar van zijn leven zijn geweest.
Ik lees dat de novicenmeester mijn vader flink aanpakt, ‘vooral nu hij in de eenzaamheid gelegenheid heeft om altijd te piekeren’. Maar zonder resultaat. Het gepieker houdt aan, zodat aan mijn Heeroom een zware zucht ontsnapt: ‘en dan gaat hij over Moeder tobben en met al dat getob loopen wij met z’n allen gevaar O.L. Heer en den hemel te vergeten’.
Tenslotte, in februari 1936, schrijft mijn vader (hiernaast op de foto links): ‘heel veel hartelijke groeten en dringende aanvragen om te willen bidden voor die arme stakker van een fr. Ludgerus’.
Kon ik nog naar hem toegaan, dan zou ik dat direct doen. Alsof het mijn zoon is.

Voorjaar 1936 keert hij terug naar huis. Ik lees dan, dat het met mijn vader, die inmiddels de naam Kees terug heeft, weer goed gaat. God zij dank, denk ik. (Het lezen van zoveel stichtelijke brieven heeft zelfs invloed op die woorden die in mij opkomen). Eigenlijk vind ik dat we O.L. Heer op onze blote knieën mogen danken, dat mijn vader het niet volgehouden heeft. Het strenge regime in het klooster was abnormaal, niet mijn vaders reactie hierop. Zijn neiging tot somberheid heeft hem in dit geval geholpen.