Toen zijn dochters rond hun twintigste verjaardag het huis uitgingen, zei een vriend van mij: ‘Zo, het project Kinderen is succesvol afgerond’. De kinderen stonden op eigen benen. Het opvoeden en verzorgen was afgelopen.
Soms loopt het zo. Voor de meeste ouders van mijn generatie geldt echter dat zij voor hun kinderen blijven zorgen, ook als deze volwassen zijn geworden. Herman Vuijsje en Anneke Groen schreven hierover het boek Eindeloos Ouderschap, met de wat fatalistisch klinkende ondertitel: zorgen voor je kinderen houdt nooit meer op.
Was het dàt wat er door mij heenging, toen onze oudste zoon net geboren was en ik voor het eerst de babymelk aan het bereiden was? Er stonden acht lege flesjes op het aanrecht. Was het het zware gevoel van verantwoordelijkheid wat op mij drukte? Een baan kan je opzeggen, je huis kan je verkopen, je kunt desnoods van je partner af, maar een kind is er voor altijd.
Nu, zoveel jaren later, voldoen wij aan het beeld dat Vuijsje en Groen schetsen: wij passen op de kleinkinderen, staan onze kinderen bij met raad en daad en helpen bij de aankoop en het opknappen van een huis. Dit verschilt nogal met de relatie die wij met onze eigen ouders hadden. Hoe is deze verandering tot stand gekomen? Hoe kan het dat onze generatie die zelfstandigheid zo hoog in het vaandel heeft staan, doorgaat met de zorg voor de volwassen kinderen?

Onze generatie heeft veelal het geld en de tijd om de kinderen te steunen. Voor onze ouders gold dat veel minder. Bovendien hebben wij ons afgezet tegen onze ouders, wij wilden absoluut niet afhankelijk zijn.
Nu is de verhouding tussen ouders en kinderen harmonischer. Voor onze kinderen is de ondersteuning  welkom. De prijzen van huizen zijn vele malen hoger dan in onze tijd, de kinderen werken vaak in tijdelijke contracten. Beide partners werken en opvangarrangementen voor hun kroost zijn prijzig. Bovendien, vanuit de sfeer waarin zij zijn opgegroeid verwachten de volwassen kinderen ook de blijvende steun van hun ouders.

De vraag is of het erg is, dat deze jongvolwassen generatie deels afhankelijk blijft van hun ouders. Ik denk het niet. Ik prijs mezelf gelukkig, dat ik mijn kinderen kan steunen. Het contact met mijn kleinkinderen is een verrijking van mijn leven.
Maar er zijn wel enkele valkuilen.
In het boek van Vuijsje en Groen klinkt op diverse plaatsen een schuldgevoel van onze generatie door. Wij hebben in onze jonge jaren flink de wind mee gehad. Onze studiekosten waren laag, we konden aan een goed betaalde vaste baan komen, een huis kopen, dat sindsdien vier maal meer waard is geworden en geld sparen via fiscaal gunstige regelingen. Wij hadden toch het ideaal van delen en solidariteit? Schuldgevoel, het is geen goede drijfveer.
Een tweede valkuil is dat de volwassen kinderen de ‘altijddurende ouderlijke bijstand’ heel normaal vinden. In de rubriek Moderne Manieren van Beatrijs Ritsema in Trouw las ik een brief van een vrouw die zich beklaagde over haar schoonzoon. Deze vindt het niet meer dan vanzelfsprekend, dat zijn schoonouders komen oppassen, zodat hij naast zijn drukke baan zijn uitgaansleven kan voortzetten. ‘Jullie hebben toch de tijd! En jullie vinden het toch leuk!’ Ouders hebben moeite met ‘nee’ zeggen. Je wilt geen ruzie met je kinderen.

De afgelopen week waren wij met onze kleindochters in een vakantiepark op de Veluwe. Je kon er geen klein kind tegenkomen of er liep wel een grootouder bij die de aandacht van het kind probeerde te trekken.
32 jaar na het vullen van de babyflesjes stond ik daar een maaltijd te koken voor mijn kleinkinderen. Ze probeerden mij te laten schrikken, maakten de knoop van mijn schort los en zeiden dat ik poep in mijn ogen had.
Zorgen houdt nooit op, zorgen hoort erbij.