Deze week zat mijn hoofd vol met het c-woord. Ik moest er een blog over schrijven, ook om mijn eigen angsten en ratio in evenwicht te brengen. Elke dag was er een nieuwe ontwikkeling, telkens paste ik mijn tekst aan en nu, op zaterdag, ben ik al die meningen, feiten en ophef even zat. And now for something completely different.

De voeten hiernaast zijn van mij. Zij zijn de basis van mijn bestaan: ze dragen me, ze houden me overeind, ze zorgen dat ik geaard ben. Ze zijn me dan ook zeer dierbaar, zonder mijn voeten zou ik een zittend of liggend bestaan moeten leiden.
Ik heb al heel veel plezier van mijn voeten gehad. Ik ben ermee door heel Europa gewandeld en zij hebben me nooit in de steek gelaten. Met de fiets ben ik gevallen, op de schaats en op de ski ben ik onderuitgegaan, maar behalve wat struikelpartijen hebben mijn voeten me altijd rechtop gehouden. Ze waren me nooit tot last. En dat terwijl elke voet uit 26 beentjes en 33 gewrichten bestaat, omgeven door spierweefsel en zenuwen. Daarmee kan dus een hoop mis gaan, zou je denken. 40% van alle volwassenen krijgt jaarlijks te maken met voetklachten, lees ik op internet. Eeltknobbels, likdoorns of zweetvoeten, het is mij vreemd. Platvoeten, hamertenen, klauwtenen, de lijst van wat er mis kan gaan is lang. Een stem in mij zegt nu dat ik moet ophouden mijn voeten op te hemelen, anders roep ik het onheil over mij af.
Alleen op jonge leeftijd heb ik eenmaal een blessure opgelopen. Tijdens een potje straatvoetbal wilde ik het bruine monster een flinke peer geven, maar in plaats van de bal gaf ik de stoeprand een oplawaai. Dat heb ik geweten.
Daarnaast is er, zoals vaker gemeld op deze plek, het ongemak van de koude voeten. G. heeft het wel eens over frigide extremiteiten. Het zal met de bloeddoorstroming te maken hebben en het zal wel in de genen zitten. Ik heb me ermee moeten verzoenen, onder protest.

Wat op de foto opvalt, is de geringe lengte van mijn kleine tenen. Ik heb ooit gelezen dat deze teentjes in de ontwikkeling van de mens langzamerhand zullen verdwijnen. Als dat waar is loop ik voorop in de evolutie. Erg treurig hoeven we er niet om te zijn. We hoeven er geen takken meer mee te pakken. De voeten lijken gelijk, maar dat zijn ze niet (meer). Dat merk ik als ik schoenen pas. De rechterschoen voelt kleiner.
Zo gaat er na die zevenenzestig jaar nog wel eens vaker iets mis. Soms blijft een van de middelste tenen gekromd overeind staan. Dan lukt het me met geen mogelijkheid om daar iets aan te doen. Elk contact met die kromme is uitgevallen. Dan spreek ik ‘em vermanend toe en zet ‘em met mijn handen weer recht.
Ondanks dit ben ik tevreden over mijn voeten. Zij zien er goed uit. Ze kunnen nog wel een tijdje mee. Alleen, wie zou over twintig jaar, mocht ik die leeftijd halen, de nagels van mijn tenen knippen?
Volgende keer aandacht voor de billen.