Van het een komt het ander.
Mijn blog in januari over het werk van mijn vader bij Douwe Egberts is voor mij aanleiding om nog eens verder in zijn D.E.- archief te duiken. Ik vind onder meer een lofdicht op de snuiftabak en 19-eeuwse briefkaarten met bestellingen van balen koffie. Uit een bruine envelop haal ik een manuscript van zesentachtig pagina’s: Van Egbert Douwes en Douwe Egberts. Het is een drukproef, in de kantlijn staan een paar handgeschreven correcties. Het begint met een weinig boeiend hoofdstuk over de voorvaderen van de stichters van de koffie- , thee- en tabakshandel. Ik leg het op de stapel ‘teruggeven aan D.E.’.
Die avond begint mij opeens iets te dagen. In de laatste jaren van zijn leven had mijn vader zich beziggehouden met de opzet van een historisch archief. Dat was eind jaren zestig. Al zijn kennis over de geschiedenis van D.E. moest zijn neerslag krijgen in de vorm van een publicatie. Dat mijn vader mogelijk een boek zou publiceren had mij als zestienjarige met trots vervuld. In die jaren was er voor mij weinig wat aanleiding gaf tot dat soort gevoelens over mijn vader. Het is daarom de trots die nu ergens uit een hoekje van mijn geheugen naar boven komt. Als dat mij niet in de steek liet, dan sta ik in mijn handen met zijn manuscript, met de tekst die nooit tot een uitgave is gekomen door zijn voortijdig overlijden. De correcties in de kantlijn verraden het handschrift van mijn vader. Mijn hart begint sneller te slaan.

Directeur E.D. de Jong feliciteert mijn ouders bij het 40-jarig dienstjubileum van mijn vader.

In 1987 kwam het boek Van winkelnering tot wereldmerk uit. De Friese journalist P.R. van der Zee beschrijft hierin de historie van Douwe Egberts. In het voorwoord worden de bronnen genoemd, waaronder ‘aantekeningen van de vroegere bedrijfsarchivaris C. van Dijk’. Aantekeningen, dat klinkt wel erg mager. Zou van der Zee het boek-in-wording niet gekend hebben? Zou niemand geweten hebben dat er sinds 1972 een manuscript in een doos bij ons thuis heeft gelegen?
Ik ga er eens goed voor zitten.
Voor dit boek is mijn vader diep in de Friese archieven gedoken. Daarnaast valt mij de gedegen kennis op van de economische ontwikkelingen in de 18e en 19e eeuw. Ik begin te twijfelen of ik hier wel een werkstuk van mijn vader zie. Het is vooral het bloemrijke taalgebruik dat ik niet herken. Hoe meer ik lees, hoe duidelijker de conclusie: dit manuscript is niet door mijn vader geschreven. Blijkbaar heeft uiteindelijk een ander de opdracht gekregen tot dit boek. Maar goed dat ik dit als zestienjarige niet geweten heb.

Maar kent men bij Douwe Egberts dit werk?
Ik maak een afspraak met de beheerder van het historisch archief. Zo stap ik na meer dan vijftig jaar het kantoor aan de Keulsekade in Utrecht weer binnen. De medewerker neemt me mee naar een soort D.E.-museum. Tevreden constateer ik, dat wat mijn vader ooit begonnen is een vervolg heeft gekregen.
De beheerder kent het manuscript niet. Hij is nog meer tevreden dan ik. Alsof een archeoloog een botje van een dinosaurus gevonden heeft. Hij moet nog verder onderzoeken waarom er blijkbaar nooit iets met dit manuscript is gedaan. Als dank ontvang ik twee tassen vol met koffie.