Laatst kwam ik nog eens door Lunetten heen. Deze Utrechtse wijk is eind jaren zeventig gebouwd in de uiterste Zuidoosthoek van de stad, weggestopt achter een spoorlijn en een snelweg. In 1985 hebben G. en ik hier een half jaar gewoond. Het was ons eerste gezamenlijke adres. Maar het was niet de bedoeling.
We waren met een bevriend stel op zoek naar een groot huis, waar we met zijn vieren konden wonen en waar we in een gezamenlijke huishouding de kinderen, die we wilden, zouden kunnen grootbrengen. Dat zoeken duurde langer dan gedacht. In februari begon de tijd te dringen. G. was vijf maanden in verwachting en we wilden samenwonen op het moment dat ons kind zou komen. Daarom ging die maand plan B in werking: wij tweeën gingen op zoek naar een huurwoning, voor tijdelijk. Dat werd Walcheren 96, een nette vierkamerwoning met open keuken. In plaats van ieder één kamer hadden we opeens een heel huis.

Ik had meer dan tien jaar in de binnenstad gewoond. Dat was mijn habitat. Hoewel ik al vijf jaar een baan had, leefde ik nog het leven van een student, in ieder geval in het weekend. Met mijn part-time baan begon dat op donderdagavond. Winkels en bioscopen waren dichtbij. Er waren cafés waar ik iedere week kwam en waar ik altijd bekenden ontmoette. Ik ging mijn eigen gang. Lunetten was voor mij niet alleen fysiek, maar vooral psychologisch ver weg. Daar woonden gezinnetjes, daar heerste de burgerlijkheid. Ik zag ertegen op.
We gingen op pad voor een wasmachine (een Miele, f 1749,-) en een kleurentelevisie (Philips, f 1597,-). Contant betaald, staat er op de facturen die ik nu nog in een hangmap vind. Zoveel geld hadden we nog nooit uitgegeven. Bij de Kwantumhallen haalden we het goedkoopste stukje vloerbedekking uit het assortiment.
Daar zaten we dan, een maand later, aan tafel in ons burgerlijk huisje, achter een door G. gemaakte gehaktbal. We spraken over opstal- en overlijdensrisicoverzekeringen. Want inmiddels hadden we een koophuis gevonden en was het voorlopig koopcontract getekend. 1 juli was de datum van overdracht.

De volgende stap was de inrichting van de kinderkamer. Het hoort erbij, zei ik tot mezelf. Ik wilde toch graag kinderen? Lundia bezorgde een zelfbouwkast, die zou dienen als commode. Er kwam een tweedehands kinderwagen, model zestiger jaren, met flinke vering. Stapels katoenen luiers, hemdjes, rompertjes. Het was niet mijn ding, maar ik was erop gebrand om mijn bijdrage te leveren. Daarna volgden de incontinentiematjes, de huur van de bedverhogers. We keken vol verwachting uit. In de binnenstad kwam ik allang niet meer. Voor het slapen gaan vloog het mij wel eens aan, de vrijheid die ik zou gaan inleveren. Zo voelde het.
Nadat zoon E. op 9 juni geboren was liep ik dagelijks apetrots achter de kinderwagen door de parken van Lunetten. Toen ik ’s morgens in alle vroegte babymelk stond te maken achter een rij van tien lege flesjes op het aanrecht wist ik het zeker: mijn leven is voor altijd veranderd.
Nadat we in twee maanden de koopwoning vertimmerd en opgeknapt hadden, reed ik op 30 augustus het verhuisbusje voor de deur van Walcheren 96 en zeiden wij Lunetten vaarwel.