Het huis midden op de foto is mijn ouderlijk huis. Het lag tussen de weilanden en boomgaarden, als laatste huis aan de onverharde Hamweg in Vleuten. De foto is genomen in de vijftiger jaren.
Mijn opa Ekelschot heeft het huis in 1919 laten bouwen door zijn oudste zoon Dirk. Opa had een klein boerenbedrijfje. Links van het huis zie je nog de kippenschuur. In mijn jeugd was deze gepromoveerd tot kolenhok. Achter het huis lag de grote schuur waar mijn opa enkele koeien en varkens hield. Mijn ouders namen in 1950 het huis voor 11.000 gulden over.
Naast ons woonde in mijn jonge jaren de familie van der Horst, een gezin met veel kinderen en, zo te zien, een hoop witte was. Achter dit huis zie je een stuk van de Molenvliet, die uitkwam op de Vleutense Wetering.
In deze wereld van bessenbomen, brandnetels en pispotjes, zonder enig verkeer en zonder lawaai, ben ik opgegroeid. We speelden verstoppertje, sprongen over slootjes met kroos, plakten het kleefkruid op elkaars kleren en haren en maakten boomhutten in de knotwilgen langs de Hamweg. Vandaar keken we uit over de weilanden en de spoorlijn Utrecht – Woerden. Als er goederentreinen langskwamen telden we het aantal wagons. Dat waren er soms wel zeventig.

Begin zestiger jaren vonden burgemeester en wethouders, dat het dorp Vleuten in de vaart der volkeren opgestoten diende te worden. Monumentale boerderijen en andere oude huizen in de kern van het dorp werden gesloopt. Weilanden moesten bouwrijp worden gemaakt voor de bouw van nieuwe woonwijken. Bezwaar maken was er in die tijd niet bij.
Als eerste verdwenen bij ons huis de Molenvliet en het land  aan de rechterkant van dit water (uiterst rechts op de foto). Hier werd de Hamwijk gebouwd (foto hieronder, ik zit voor op de fiets, het huis van onze buren is inmiddels wit geschilderd).
Een paar jaar later werden de knotwilgen langs de Hamweg gerooid en verschenen er draglines in de weilanden voor ons huis. Op gepaste afstand stonden wij te kijken hoe zo’n gevaarte met zijn ijzeren bak aan rammelende kettingen enorme hoeveelheden grond verplaatste. Slootjes werden dichtgegooid en grondwater werd weggepompt. Er hing tijdenlang een geur van natte klei. Over deze aarden vlakte werd een ruitwerk van geasfalteerde wegen aangelegd. Dat waren voor ons uitstekende rolschaatsbanen. Mijn broer heeft er in het Dafje van mijn vader leren autorijden.
Toen er huizen werden gebouwd speelden we op de steigers.
In een bouwkeet zagen mijn vriendje en ik foto’s van halfnaakte vrouwen hangen. We wisten dat stoere jongens zulke plaatjes hadden en stoere jongens wilden we zijn. ’s Avonds probeerden we met een stok via een openstaand luikje een van de dames aan de haak te slaan. Juist toen dat leek te gaan lukken werden we gestoord door de bewaker, een gepensioneerde metselaar die op zijn Mobylette door de nieuwbouw cirkelde om avontuurlijke jongens te verjagen. ‘Scheer je weg! Niet op dat verse werk!’ Mijn vriendje vroeg nog of we wel op het opgedroogde werk mochten spelen.

Vleuten dijde steeds verder uit. Als slotstuk werd eind zestiger jaren de boomgaard links op de bovenste foto omgetoverd in een villawijkje. We woonden niet meer aan een doodlopende weg. Verdwenen waren de weilanden en boomgaarden. Ons huis was het laatste huis niet meer. In minder dan tien jaar tijd waren we ingebouwd. Vleuten was meegegaan met zijn tijd.
Het zou toen niet lang meer duren of ik zou het ouderlijk huis verlaten om voor mijn studie in het dichtbevolkte Utrecht te gaan wonen. Daar woon ik nu nog. Ik verlang er regelmatig naar een rustige, groene omgeving waar ik kan uitkijken over de velden en waar ik de kikkers kan horen kwaken.