Het kerkje van Maglioggio, Piemonte, zit net als vorig jaar helemaal vol, als wij, een groep van 9 Nederlandse zestigers, aantreden om te laten horen wat wij in de zevendaagse zangcursus geleerd hebben.
Onder de naam Musica Galante zingen we solo-aria’s, duetten en koorstukken uit de tweede helft van de 18e eeuw. In het overwegend gewijde en serieuze programma zijn twee komische stukken opgenomen. Beide stukken zijn, om niet opgehelderde redenen, aan mij toebedeeld. Tevoren vraag ik mij af hoe deze grappig bedoelde noten gaan uitpakken. We zingen in een gewijde omgeving, in gelovig Italië. Bovendien valt ons eerste optreden op de dag van nationale rouw, ter herdenking van de slachtoffers van de aardbeving eerder deze week.

In de aria Vedo quell’ albero van Baldassare Galuppi klim ik hoog in een boom om een lekkere peer te plukken. Muzikaal gezien moet ik voor die peer naar een hoge fis klimmen, zo hoog ben ik nog nooit geweest. De fis blijkt haalbaar, maar de peer kost meer moeite.
In de tuin van mijn ouderlijk huis heb ik vroeger talloze malen bovenin een perenboom gestaan, de volle plukschort bungelend aan mijn nek, om op mijn tenen de hoogste Conference of Gieser Wildeman te plukken. Dat liep altijd goed af, maar in deze aria donder ik omlaag,  col capo in giu, met het hoofd naar beneden. Het publiek kijkt geamuseerd toe.

Het duet Quei begl’ occhi van Leonardo Leo zing ik samen met een mezzosopraan. Ik ben een jong soldaatje met de onvergetelijke naam Lesbo en dolverliefd op Rosina. Ik wil het meisje veroveren door haar complimenten te maken over haar wonderschone ogen. Op zich geen gekke gedachte, maar omdat Lesbo in zijn vierjarige militaire vorming louter omringd is geweest door militaire attributen en geen enkele vrouwspersoon is tegengekomen, weet hij niets beters te doen dan de ogen van zijn geliefde te vergelijken met vuren, kanonnen en ander explosief materiaal.
De componist verbeeldt het verhaal in muzikaal opzicht met staccato geweerschoten, octaafsprongen als daverende salvo’s en ratelende loopjes . Ook dat is blijkbaar Musica Galante.
Rosina keert zich stug van mij af (Taci, taci, zwijg, zwijg), waardoor ik met verhoogde passie en naar forte oplopende smeekbedes tegen haar rug zing of zij mij misschien wil aanraken. Je moet immers iets doen om te kunnen vuren. In de laatste maten laat ik mijn schroom varen en trek haar hand naar mijn mond voor een kus, waarna Rosina op de eindnoot haar arm bruusk terugtrekt en mijn getuite lippen nogal dom in het luchtledige laat hangen.

De heilige Antonius boven het altaar heeft er blijkbaar zijn goedkeuring aan gegeven. Mijn peren en kanonslagen vallen bij het publiek danig in de smaak.
Als ik zou schrijven dat een groepje vrouwen na afloop bij de uitgang van de kerk mij staat op te wachten dan overdrijf ik. Er staan namelijk ook mannen bij. Maar de eerstgenoemden schieten mij  onmiddellijk aan, zoals Lesbo zijn Rosina. In rap Italiaans natuurlijk, ik heb hen immers ook in verstaanbaar Italiaans toegezongen. Ik begrijp echter niets van hun woorden.
Het zou kunnen zijn dat de vrouwen mij op het hart willen drukken dat als een vrouw ‘nee’ zegt, zij ook daadwerkelijk ‘nee’ bedoelt. Maar uit de toegenegen blikken krijg ik de indruk dat er sprake is van enige tevredenheid, over wat dan ook.
Ik neem hun woorden dankbaar in ontvangst, maar moet er direct tot mijn eigen teleurstelling en misschien ook wel de hunne aan toevoegen: ‘no parlo italiano’ (wat feitelijk een van de meest sprekende voorbeelden is van een contradictio in terminis).
Niettegenstaande dit succes heb ik de docenten gevraagd, of ik volgend jaar een meer gedragen stuk mag zingen. Om ook een andere kant van mijzelf te ontwikkelen.

Helaas heb ik geen geluidsopname van het duet kunnen vinden.