De voordeur staat een stukje open. Ik loop een goed verlichte gang in die naar een trap leidt. Boven is het duister. Mensenmassa’s bewegen zich traag van de ene naar de andere ruimte. Onder een overvolle kapstok liggen stapels jassen, her en der staan glazen en bierflesjes . Overal klinkt harde muziek. Ik zie een paar bekenden met elkaar in gesprek. Zij kijken niet naar mij.
In een bedompte danskamer bewegen warme lijven ritmisch en ongelijk. Een jonge vrouw danst met haar ogen dicht, een halve literfles bier in de hand. Een stel kronkelt als slangen om elkaar heen, de ogen continu op elkaar gericht, mysterieus. Mensen doen moeite elkaar iets in het oor te schreeuwen.
Ik heb het warm en doe mijn trui uit, niet wetend waar hem te laten. Op zoek naar drank beland ik in een keuken waar men een lamp heeft aangelaten. De kratjes bier staan hoog opgestapeld. Ik zoek vergeefs een opener.
‘Geef maar hier’, zegt een andere gast en hij opent twee flesjes tegelijk door de doppen uit elkaar te trekken. Op een oude tafel staat een nog volle schaal salade van grof gesneden rode biet en aardappel. Wat nu, vraag ik mezelf af. Ik voel me nog niet op mijn gemak op dit feest.

In de smalle gang sta ik opeens tegenover een onbekende jongeman van mijn leeftijd. Het lange, sluike haar valt over zijn oren en over de pootjes van zijn ronde bril. Wat het meest opvalt, is dat hij zijn jas aan heeft, een rood-zwart geblokte houthakkersjas.
Ik moet denken aan de winterjas die ik tot voor kort droeg, een zwarte houtje-touwtje jas. Die had ik weggegeven aan Edje. Hij liep in de winterse kou zonder jas over straat. Hij had er geen, zei hij. Ik moest aan mijn moeder denken, die zou zo’n jongen ook geholpen hebben. Een week later had ik Edje een café binnen zien komen. Het was nog steeds winter en opnieuw droeg hij geen jas. Op dat moment drong tot me door, dat hij verslaafd was. Uiterlijk viel dat niet op. Hij zag er uit als een normale gozer, hij had al zijn tanden nog. Mijn winterjas moest hij verpatst hebben.

De jongen in de zwart-rood geblokte jas lijkt me niet het type verslaafde. Misschien is ie wel wat zonderling of in de war. Die mensen lopen vaker rond op feesten waar de buitendeur openstaat.
‘Heb je het koud’, vraag ik. Bij mij staan de zweetdruppels op mijn voorhoofd.
Hij wacht even met zijn antwoord.
‘Ik ben viator’, zegt hij op een toon alsof hij een geheim prijsgeeft.
Viator, ik graaf in mijn gymnasiumverleden, dat moet ‘reiziger’ zijn.
‘Aha’.
‘Ik ben altijd onderweg.’
‘Je kunt zo weer vertrekken.’
‘Precies.’ Hij schuifelt door, een nadere kennismaking past niet in zijn reisschema.
Altijd onderweg, een ongebonden bestaan, het raakt bij mij een snaar. Ik ben net begonnen aan mijn eerste baan, maar ik vraag me af of ik mijn bestemming gevonden heb. En voor hoelang? Opeens dringt de vraag naar de zin van het leven in alle hevigheid binnen. Met een onbehaaglijk gevoel zoek ik in het duister mijn jas. Via de hel verlichte trap loop ik het nieuwe jaar in.