Links van het huis staat het kippenhok

Het moet vlak na de bevrijding in 1945 geweest zijn, dat mijn opa Ekelschot naar de Boerenleenbank stapte om geld van zijn spaarrekening te halen. Er stond  nog genoeg op om vijftien kippen te kopen. De jaren waarin geen enkel stuk vee, binnen of buiten, veilig was voor nachtelijke dieven waren voorbij. Het kippenhok kon weer in gebruik genomen worden.
Lang heeft opa er niet van kunnen genieten. Nog geen half jaar later ging hij hemelen. Toen oma Ekelschot een paar jaar later zijn voorbeeld volgde namen mijn ouders het huis over, inclusief het kippenhok. Het was een houten geval van zo’n vier bij twee meter. Er zaten ramen in en het hok was vooraan hoog genoeg om in te kunnen staan. Kortom, voor een stel kippen een ruim bemeten onderkomen.
Ikzelf heb er nooit een kip gezien, want in mijn jonge jaren had het bouwsel, geheel in de geest van die jaren, een tweede bestemming gevonden als kolenhok. Eenmaal per jaar kwam de kolenboer een paar mud antraciet afleveren. De juten zak die hij op zijn hoofd droeg voorkwam niet dat zijn gezicht er asgrauw uitzag. Vanaf de laadbak van zijn auto nam hij een zware zak op zijn rug, liep kromgebogen naar het hok en leegde de zak op de plek waar ooit de kippen hun eitjes hadden gelegd.

In de verdeling van de huishoudelijke taken was het vullen van de kolenkit aan mij toebedeeld. Ik deed mijn plicht zonder morren. Was ik het overdag vergeten, dan kon ik ’s avonds in het donker naar het hok. Er was geen licht.
Het kwam mij dan ook uitstekend uit, dat Nederland in de zestiger jaren op aardgas overging. Het verweerde kippenhok stond er nog een paar jaar doelloos bij als herinnering aan een sober vooroorlogs verleden. Er zat een barst in een ruit en binnen hingen de spinnenwebben boven het achtergebleven zwarte gruis. Er hoefde dus geen traan te worden gelaten toen het hok in een moderniseringsgolf het loodje legde.

Einde verhaal zou je denken. Wie schetst echter mijn verbazing toen er vele jaren later een nieuw hok met kippen en al verscheen. Mijn moeder had een student diergeneeskunde op kamers. Die wilde zijn kennis graag direct in de praktijk brengen. Hij zorgde voor zijn kippen alsof het zijn kinderen waren. Maar je weet hoe het gaat met studenten. Zij krijgen op een gegeven ogenblik een vriendin. Toen hadden zijn kippen het nakijken. Maar geen nood, de buurman stond al klaar om de zaak, om niet, over te nemen. Hij was gepokt en gemazeld in het konijnenwezen, dus ook bij hem waren de kippen in goede handen.
Maar je weet hoe dat gaat met buurmannen. Die krijgen een stacaravan, zo’n ding op wielen met de afmetingen van een modaal kippenhok (het merk laat zich raden). Vervolgens was de buurman de hele zomer afwezig. Zo kreeg mijn moeder na meer dan veertig jaar weer een stel kippen onder haar hoede.
Hoe liep het uiteindelijk met de kippen af? Die werden oud en raakten van de leg. Ergens in de jaren negentig verdween de laatste taaie kip in de braadpan van de buurman. En het hok in zijn houtkachel.