Begin jaren zestig vond mijn vader dat hij niet kon achterblijven bij zijn collega’s van D.E., die zich door de toegenomen welvaart een auto konden veroorloven en daarmee naar het werk kwamen. Het werd een DAF Daffodil, beroemd geworden om zijn variomatic transmissie, bijgenaamd het pientere pookje. De auto die ook toen al met een verkleinwoord werd aangeduid was niet de auto waarvan ik als 11-jarige droomde, maar alles was beter dan de Solex waarop mijn vader, gestoken in een leren jas die tot op zijn enkels viel, naar kantoor reed.
Zoals mijn vader ons regelmatig maande om onze fiets schoon te maken, zo verdiende ook dit wonder op wielen de best mogelijke bescherming. De oude houten schuur werd afgebroken en daarvoor in de plaats verrees achter ons huis een moderne stenen garage, ‘bij elkaar gespaard met D.E.-koffiepunten’, grapte een vriend van zijn kaartclub.
Je kwam bij de garage via een grindpad dat tussen het huis en de bessenbomen liep en net breed genoeg was voor een auto. Vanaf de weg was er aan het begin van het pad een flinke bocht en aan het einde was er nog een kleine kromming. Vlak voor de garage was het pad versterkt met enkele grote rode tegels. Het liep daar licht schuin omhoog, zodat een dotje gas extra nodig was om de Daf binnen te rijden; onbelangrijke details, ware het niet, dat omkeren op deze route onmogelijk was, zodat de rit over het grindpad tenminste éénmaal in de achteruitmodus afgelegd diende te worden. Dat vereiste enige stuurkunst.
Op het einde van een middag was ik op mijn eentje achter het huis aan het voetballen. Ik telde het aantal malen, dat ik de bal hoog kon houden, als speler van DOS, Ajax, Feyenoord enz. Zo werkte ik hele competities af. Nauwkeurig hield ik mijn persoonlijke record bij. Terwijl ik geconcentreerd bezig was, hoorde ik het vertrouwde geluid van de overdekte bromfiets uiterst traag over het grindpad naderen. In zijn achteruit, wist ik.
Even later zag ik in mijn ooghoeken het beige wagentje langzaam voorbijschuiven, mijn vader in opperste concentratie stijf achterom kijkend om zijn aanwinst veilig tussen de garagedeuren te loodsen. Ik was zo fanatiek bezig met de bal, dat het even duurde voordat het geluid dat ik hoorde tot mij doordrong: een harde klap en brekend glas. Ik vloog naar de garage en zag dat de glimmende auto binnen tegen de achterwand tot stilstand was gekomen. Aan één zijde lag het achterlicht in diggelen. Glanzende rode, oranje en witte scherven lagen als een mozaïek op de grijze garagevloer. Mijn vader stond erbij en keek erna. Hij was het toppunt van hulpeloosheid.
Ik barstte in een onbedaarlijke huilbui uit. Onze nieuwe auto was kapot. Ik vroeg me af, of dat wel weer goed zou komen. Ik keek naar mijn vader. Die stond daar maar en zei niets. De schaamte om mijn vader won het al snel van het verdriet om de beschadigde auto. Ik huilde omdat ik hem onhandig vond. Omdat ik een stoere vader miste.