De Willibrordkerk in Vleuten

Mijn vader was in de jaren vijftig en zestig lid van het armbestuur van de katholieke kerk in Vleuten. Iedere zondag stak hij de lange stok met het zwartfluwelen zakje langs de kerkbanken om de gaven van de gelovigen binnen te halen. Een goede katholiek behoorde immers niet alleen in het gebed om de minder bedeelden te denken.
Dat mijn vader in de volle kerk zo’n duidelijke functie had vervulde mij als jong kind met enige trots. Naarmate ik ouder werd verbleekte dat gevoel. Zeker toen hij eens op nieuwe schoenen met krakende zolen door de gangpaden liep. Het gekners hield maar niet op en trok het hele kerkgebouw door.

Een bijzondere bijkomstigheid was, dat mijn vader het geld mee naar huis nam om de opbrengst te tellen. Daarbij werden wij kinderen ingeschakeld. Nadat de berg met munten midden op tafel op een krant was uitgestort, haalde mijn vader eerst de guldens en rijksdaalders eruit. Dat was in een mum van tijd gebeurd. Daarna moesten wij de overgebleven centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes sorteren. Voor elke muntsoort was er een apart houten bakje. Door het bakje met munten te vullen wist je direct hoeveel de waarde was. Een volle stuiverbak leverde vier gulden op. Een dubbeltjesbak met tien gleuven stond voor vijfentwintig gulden. Hadden wij een bakje vol, dan kiepte mijn vader alle muntjes in een linnen zakje en noteerde het bedrag. Aan het einde van de telsessie volgde dan nog een voor mij intrigerende handeling. Mijn vader verzegelde de met een dun touwtje dichtgebonden geldzakjes met donkerrode zegellak en voorzag de nog warme lak van een stempel met zijn initialen (C.D., Cornelis van Dijk). Het is destijds nooit in mijn hoofd opgekomen om eens wat van de goede gaven van de kerkgangers achterover te drukken, al was het maar vijf cent. Maar was dit wel het geval geweest, dan zou dit plan door het zegelritueel onmogelijk zijn gemaakt.

Zo was jarenlang iedere zondagmiddag het centen tellen onze vaste bezigheid.
De eerste malen vond ik het fantastisch, zo’n berg geld op tafel waarmee ik mijn handen kon volscheppen. Maar al snel werd het tellen een sleur, een lijdzaam uitvoeren van een verplichte oefening. Bij voorkeur wierpen we ons op de kwartjes of de stuivers. Dan had je vlug een bakje vol. Alsof de tijd daarmee sneller voorbij ging.
Mijn vader hield er de moed in door verschillende spelletjes te bedenken. Iemand nam een voorwerp in zijn hoofd en de anderen moesten het raden. Eindeloos speelden we het plaatsnamenspel. Mijn vader noemde een letter en ieder moest dan om de beurt een Nederlandse plaatsnaam met die beginletter noemen totdat alle plaatsen die we kenden ‘op’ waren. Dan wist mijn vader er altijd nog wel tien te noemen. Hij had niet voor niets als jong kind dagen en weken over een landkaart van Nederland gebogen gelegen.

Als mijn vriendje Piet op maandagmiddag bij ons thuis kwam en de rij dichtgelakte zakjes op het dressoir zag staan, riep hij altijd uit: ‘jullie zijn stinkend rijk!’ Dat voelde als een zware overtreding.