Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Reizen

0

GELUKZALIG ZWEVEN

Herinnering, Reizen
Jaren geleden was ik verkenner. Als ik mijn uniform aantrok, dan voelde ik mij heel wat. Ik heb me echter nog nooit zó verkenner gevoeld als de afgelopen week. Ter voorbereiding op het jaarlijkse wandelweekend van mijn koor was ik afgereisd naar de Moezel om de wandelmogelijkheden te verkennen en de kapelletjes in kaart te brengen waar de partituren uit de rugzak opgediept kunnen worden.
Welnu, je kunt er wandelen dat het een lieve lust is. Keuzen te over. Wandelaars, die lijden aan keuzestress kunnen dit gebied beter mijden. En natuurlijk is alles er gründlich geregeld. Op elke hoek staan houten wegwijzers, nummers van wandelingen, gekleurde stippen en strepen. Rustbanken en picnicplaatsen met afvalbakken zijn er in overvloed. Er staan educatieve borden met uitleg over de historie, de natuur en cultuur. En natuurlijk zijn er de borden die de Anfahrpunkte für Rettungsfahrzeuge markeren. Alleen de defibrillatoren ontbreken. Verder moet je op fietspaden uitkijken voor de horden sportief uitziende, elektrisch voortgedreven snelfietsen.
De Moezelstreek is het land van de wijngaarden, de wijnproeverijen, de geur van bestrijdingsmiddelen, de opgeruimde straten, de gothische letters, de rondvaartboten met gekleurde lampjes op het dek en de Strammer Max. Het is het vakantieland van onze ouders.
In 1967 hadden mijn ouders een vakantiewoning gehuurd in een bungalowpark boven Kröv aan de Moezel. Mijn vader reed in een Dafje, dat hij omzichtig op de helling parkeerde. Hij legde blokjes achter de achterwielen. De blik waarmee hij deze voorzorgsmaatregel nam deed mij het ergste vrezen. Ik verwachtte elk moment, dat het autootje achteruit de helling af zou rijden.
We wandelden er tussen de wijngaarden, bezochten kastelen, waar ik-weet-niet-wat-voor-hertog mooie spullen verzameld had en gingen elke kerk en kapel binnen, die op ons pad kwam.
Op de brug in Traben-Traarbach aten we zo’n verrukkelijk Italiaans ijsje, dat ik me dit 48 jaar na dato nog herinner. Tot mijn geluk zag ik deze week, dat je op precies dezelfde plek nog altijd Italiaanse ijsjes kunt kopen. De tijd heeft hier stil gestaan.
Het hoogtepunt van de vakantie voor mij was echter niet van culturele of culinaire aard.
Dichtbij het bungalowpark lag een vliegveldje voor zweefvliegtuigen. We zagen de toestellen regelmatig boven het bungalowpark draaien als roofvogels op de thermiek. Voor 15 Mark mocht je een rondje meevliegen. Dat wilde ik natuurlijk wel. D.w.z. op kosten van mijn ouders. Vijftig cent voor de cakewalk op de kermis wilde ik nog wel uit eigen zak betalen, maar een uitgave van omgerekend 16 gulden 50 kon van mij niet verwacht worden, vond ik.
Mijn ouders op hun beurt vonden de kosten van een vlucht voor alle gezinsleden te hoog. Daarom werd besloten, dat mijn broer en ik de zweeftocht mochten maken.
Op een mooie zomeravond klom ik via een trapje op de enige zitplaats achter de vliegenier. De koepel werd gesloten. De spanning steeg, maar bang was ik niet. Ik vroeg me nog wel af of mijn vader de blokjes achter de wielen van het Dafje had gelegd. Het zou de vreugde wel enigszins bederven als ik ergens onder mij een verkreukeld, beige Dafje tussen de wijnranken zou zien hangen.
Het zweefvliegtuig zat met een kabel vast aan een lier, die aan het andere einde van de baan stond. De kabel werd razendsnel opgewonden en zo werden wij de lucht ingebracht. Daarna schrok ik van een enorme klap. Ik dacht dat er iets vreselijk mis was. De vliegenier stelde me gerust. Hij had de kabel losgekoppeld.
Op de baan beneden was de zon al ondergegaan. Eenmaal in de lucht  kwamen de  oranje stralen van de laagstaande zon weer tevoorschijn. Beneden mij zag ik het kronkelende grijze lint van de Moezel tussen het lichte groen van de wijngaarden en het donkere groen van de bossen. Het was adembenemend mooi. Het landschap straalde een eeuwigdurende, paradijselijke rust uit. Dit zweven grensde aan volmaakt geluk.
We scheerden nog over het bungalowpark. Mijn familieleden stonden met de hand boven het hoofd omhoog te turen. Mijn vader wapperde met een enorm wit laken, alsof hij een noodsignaal wilde afgeven. Als hij een zakdoek had gebruikt was het mij nog opgevallen. Ik zei maar niet tegen de piloot dat het mijn vader was.
Toen het vliegtuigje heftig hobbelend op de grasbaan was teruggekeerd, zei ik tegen de vliegenier: “Nun, es war sehr schön”. Daarmee versloeg ik in één keer alle kromme uitspraken die ik die week van mijn vader had gehoord (“Ja, das hatten wir schon gedacht, ja”).
0

GROETEN UIT SIERRA DE GUARA

Reizen
Rodellar is een kleine plaats aan het einde van de weg in de Sierra de Guara in Noord-Spanje. Er staan zo’n vijfentwintig zandkleurige huizen dicht opeen. De kerk staat op het hoogste punt.
Laat op de middag op een warme dag staan G en ik met onze rugzakken en wandelstokken voor de deur van Casa Arilla, het pension waar we ditmaal zullen overnachten. De deur is breed en boogvormig. Het dondere hout is bewerkt. De deur stamt nog uit een eeuw dat men de tijd had om iets moois van een deur te maken.
Omdat er op ons bellen niet wordt opengedaan duwen we de deur voorzichtig open. Erachter ligt een donkere ruimte met een betonnen vloer. We zien er onze koffers staan, die vanaf het vorige adres hier zijn afgeleverd. Rechts ontwaren we in het duister een trap naar boven. We horen de stem van een man, die iets onverstaanbaars roept en beschouwen dit als een uitnodiging om de gedraaide trap op te lopen. Bovenaan de trap staat een man van onbestemde ouderdom. Zijn buik is rond, zijn stem kraakt en hij steunt op twee krukken. Moeizaam lopend gaat hij ons voor door een goed verlicht gangetje over een loper langs glimmend gebeitste deuren. Hij met zijn krukken, wij met onze wandelstokken erachteraan. Groter kan het contrast niet zijn.
Aan het einde van de gang opent hij de deur van kamer 2 en knipt het licht aan, een eenvoudige armatuur met zes felle peerlampjes. Het kamertje ruikt naar zeep. Het voelt er koel. Voor het kleine raam zijn de luiken met houten lamellen gesloten. Op de bruine plavuizen staan twee éénpersoonsbedden, daartussen een ouderwets houten nachtkastje. Aan de wand hangt een goudkleurige prent van Nuestra Senora de Perpetuo Socorro.
Om half tien die morgen waren we onze wandeling begonnen. We trokken door een ruig, bergachtig gebied, waar riviertjes tussen loodrechte rotswanden stromen en vale gieren boven stenige hellingen cirkelen. Op een enkele plaats kom je een Romaanse brug tegen, op andere plaatsen moeten we onze bergschoenen uitdoen om naar de overkant te waden.
 
 
 
Het is hier uitgestorven. We lopen de hele dag door ongeschonden natuur zonder een mens tegen te komen, zonder asfalt te zien, zonder bereik voor de mobiele telefoon. Vandaag passeerden we drie verlaten dorpen. In een donker kerkje lag de vloer bezaaid met puin en paardendrollen. Op één balk na was al het hout van het koor gesloopt. Daken van huizen waren ingestort. Ergens stak er nog een houten stoelpoot uit het puin. In 1973 is hier de laatste bewoner overleden.
Na de spookdorpen waren we afgedaald door de Macunkloof. 
 
 
Wind en water hebben hier in vele duizenden jaren van de karstrotsen vreemde pilaren en boogwanden gevormd, een speelparadijs voor roofvogels. Eenmaal vlogen er vier zwarte keizerarenden boven ons hoofd. G dacht even dat de kromme snavels en glurende oogjes het op ons gemunt hadden of toch minstens op wat er nog over was van ons lunchpakket. Ik was alleen maar bezig om met mijn vogelkijker de vorm van de vleugels en de kleur van de bovenstaartdekveren te determineren, zodat ik kon vaststellen met welke gevederde vrienden wij hier te maken hadden.
De volgende ochtend genieten we ons ontbijt in Casa Arilla. We zitten als enige gasten aan een grote, bijna vierkante tafel in een nostalgische kamer vol met vooroorlogse portretjes en herinneringen aan vervlogen tijden. De oude heer schuifelt moeizaam tussen kamer en keuken heen en weer, zodat wij met grote tussenpozen het ene na het andere schaaltje met toast krijgen geserveerd. De door G aangeboden hulp wijst hij glimlachend af. Hij spreekt een dialect Spaans, waarin zo af en toe een woord Frans valt.
Terwijl wij de toast wegspoelen met lauwe thee en een in plastic verpakte madeleine openbreken, blijft hij bij de tafel staan en zegt, met een gezicht alsof hij een grap maakt, dat het leven bestaat uit het ontbijt, de lunch en het avondmaal. En daarna dormir. Hier maakt hij het gebaar bij van twee schuin gevouwen handen waar het hoofd op rust. Zo trekken de dagen voor hem voorbij.
Met deze wijsheid begeven wij ons weer op pad naar onze volgende pleisterplaats. 
Sierra de Guara, onthou die naam.
2

VERBONDEN IN STILTE

Reizen
Hij zit achter een halve liter pul bier, zij nipt van een witte wijn.
Hij draagt een licht zomers colbertje, dat er aan de achterzijde wat verkreukeld uitziet.
Zij draagt een wollen trui in een fijnmazig zwart-wit motief.
Beiden hebben een hoofd vol grijs haar.
Er zitten deze middag weinig gasten op het terras van Mercado Velho in Machico. Het terras is door een laag muurtje gescheiden van een pleintje, waaraan nog meer café’s en winkels liggen. Breed uitgegroeide platanen zorgen voor een donkere sfeer.
Het is bewolkt, het waait en de temperatuur ligt rond de 17 graden. Als die omstandigheden zich in september voordoen, dan zoek je een plaatsje binnen op. Maar als je de hele winter op de zon hebt gewacht, als je daarvoor naar Madeira bent gereisd, dan wil je de buitenlucht. Je wilt de zonnestralen wel door de wolken heenkijken. Dan ga je buiten zitten. En je bestelt een zomers drankje.
De stoelen van het stel staan van elkaar weggedraaid. Als hij over de platanen heenkijkt ziet hij de heuvels boven Machico en de steile terrassen waar de bevolking met grote hakken de grond bewerkt. Zij kijkt aan tegen de okergele muren van het oude zeefort dat aan het andere einde van het plein ligt.  Ze kijken niet naar elkaar. Ze praten nauwelijks met elkaar.
Wat is er aan de hand? Waarom hebben ze zich van elkaar afgewend? Hebben ze ruzie? Een hoofd vol problemen?
Zo ziet het er niet uit. De sfeer lijkt ontspannen. Zij lacht af en toe vriendelijk naar hem, hij werpt soms een guitige blik terug. Daarna kijkt elk weer voor zich uit, in stilte.
Er stapt een ander stel het terras op, twee tieners. Zij is een fors gebouwd meisje, hij een schriele jongen. Ook zij hebben de zon in hun kop. Beiden dragen een zonnebril, zij in het haar, bij hem staat ie op zijn neus. Door de grote lichtblauw getinte glazen zie je zijn ondeugende donkere ogen. Hij is trots dat hij met een vriendinnetje op stap is. Hij legt een pakje sigaretten en een aansteker op het tafeltje.
Ook dit stel spreekt nauwelijks met elkaar. Zij kijkt verveeld voor zich uit, pakt een spiegeltje en controleert haar opgemaakte ogen. Dan raken beiden verdiept in hun smartphone. Ze kijken niet op als een meisje de cola bezorgt. De jongen begint een telefoongesprek.
Met lege glazen teruglopend kijkt de serveerster een ogenblik schuin omhoog. Even lijkt de zon er doorheen te komen, maar onmiddellijk verdikt het wolkendek zich weer. Er gaat weer een windvlaag over het terras. De verpakking van een koffiekoekje wordt meegenomen door de wind.
De grijze hoofden nemen tegelijkertijd een slok, als op afspraak. De wind deert hen niet. Ze hebben vakantie en genieten. Ze kennen elkaar vast al jaren. Dan is veel al gezegd, van alles al besproken. Brandende kwesties op het gebied van opvoeding en loopbaan zijn er niet meer. De kinderen zijn het huis uit, de financiële zorgen voorbij. Zich opwinden doen ze niet zo  veel meer. Ambities zijn vervuld of bijgesteld. Nu is er tijd voor ontspanning.
Wat hen bindt is uitgewisseld en wat zij hebben meegemaakt is verteld, al vele malen. Ze willen niet weer in herhaling vallen. Ze hebben aan een half woord voldoende. Je hoeft elkaar niet aan te kijken om je verbonden te voelen.
Hij zegt iets en draait zijn hoofd naar haar toe. Op haar gezicht verschijnt een brede glimlach. Dan streelt zij met de rug van haar hand zijn wang, zonder woorden. Daarna kijkt ieder weer voor zich uit.
Dat zit wel goed met die twee. 
Of het met het jonge stel goed komt, weet ik niet.
1

IK HEB GETWIJFELD OVER BELGIË

In het nieuws, Reizen
Ik zit op het wc’tje van bakkerij tearoom Marysse in Velzeke, vlakbij Zottegem, Oost-Vlaanderen.
Mijn wandelschoenen heb ik naast de hoge tafel in de nieuwe tearoom laten staan. Na zoveel kilometers wandelen hebben mijn voeten lucht nodig. Als ik een voet verplaats, zie ik een vochtige afdruk op de zwarte natuurstenen tegel in de toilet.
Boven het fonteintje hangt een bordje Handen Wassen. Het is duidelijk: men is hier proper. Gebiedend ook. Er is niets vermeld over voeten, maar het zou me niet verbazen als men ongelukkig is met de uitgetrokken wandelschoenen in de schone tearoom. Ik heb overigens eerst wel de klei van de veldwegen er onderuitgestampt. Het laatste stuk liepen we over de kasseien van de Paddestraat in Zottegem. Die zijn wereldberoemd. Tenminste onder wielerliefhebbers. Elk jaar trekt de Ronde van Vlaanderen over de hobbels van de Paddestraat. Dan draaien ze het Romeins plein in Velzeke op. Of andersom, daar wil ik van af wezen.
Ik zit bij Marysse op het wc’tje en vraag me af: ‘Is het erg?’
We hebben vandaag al achttien kilometer gelopen en er wachten er nog zes. Gelukkig mochten we een omlegging negeren. We zijn door tal van dorpjes, gehuchten en buurtschappen gewandeld. Wij zagen, zoals te verwachten, vele café’s. Maar er was er niet één geopend. De meeste stamineekes waren voorgoed gesloten. Slechts door de verbleekte bordjes van Stella Artois of de afgebladderde letters Bij Nonkel Vic zag je het verleden van het lokaal.
In elk dorp kom je nog wèl een bakker tegen. Voor ons koffieliefhebbers is het daarom een zegen, dat de Vlaamse bakkers het koffie schenken hebben overgenomen. In Rozebeke, waar men elk jaar een processie houdt tegen de pest en de roos, dronken we onze koffies in een half-open partytent voor de bakkerij. In Velzeke heeft men er een mooie tearoom bij gebouwd.
Ik zit hier op het wc’tje en vraag me af, of het erg zou zijn als België uit elkaar zou vallen.
Er is sinds kort een nieuwe regering en de grootste regeringspartij heeft als eerste doel in de statuten staan om Vlaanderen onafhankelijk te maken. Je zou het niet zeggen met al die gesloten café’s, maar de handel in Vlaanderen gaat al jarenlang een stuk beter dan in Wallonië. Daardoor kunnen de Vlamingen nog protsiger buitenhuizen bouwen dan de Walen. De madammen kunnen vaker naar de hair designer. De mais groeit er een stuk hoger en daardoor kunnen de koeien aan deze kant van de taalgrens nog weelderiger schijten.
Men heeft nu in Vlaanderen geen goesting meer om voor de tekorten van de Walen op te draaien. Het land, waar solidariteit altijd een begrip was, waar men de mutualiteiten, de onderlinge verzekeringsmaatschappijen en de spaarkassen zonder winstoogmerk tot kunst verheven heeft, koerst zogezegd op haar eigen omlegging af.
Wat zou er tegen zijn?
Ik ben geen kenner, maar het lijkt me dat zo’n scheidinkje een bak met geld gaat kosten, dat kon nog wel eens een veelvoud zijn van wat er jaarlijks aan Waalse tekorten moet worden gedekt.
Verder is een splitsing geen oplossing voor een van de grootste problemen in het land: wat doen we met de regio Brussel? En wat met de Duitstalige minderheid?
Op de derde plaats, het is van ondergeschikte orde, maar toch: wie wil een einde maken aan België net nu het nationaal voetbalelftal in de lift zit? Ook in Europa zitten we niet te wachten op nog twee kleine voetballandjes. Misschien hebben de Walen op dit punt nog wel de grootste troef in handen. De beste spelers komen uit Wallonië.
Als ik een advies zou mogen geven, zou ik zeggen: doe het niet. Er zijn belangrijker onderwerpen om je tijd en je geld aan te besteden.
Ik ga weer eens terug naar de tearoom. Naar mijn wandelschoenen. 
0

EEN CRUISE LANGS DE EMIRATEN

Reizen
In de Volkskrant las ik een paginagrote advertentie van Stip Reizen:
Dubai cruises – Nog nooít zó voordelig – Tot 70% korting.
Vanaf € 598 kan je een week meevaren met de Costa Serena****. Onderweg leg je aan in Abu Dhabi, Dubai en Bahrein. De Costa Serena beschikt over: ’13 bars, 5 restaurants, 4 zwembaden, een theater waar u spetterende shows bij kunt wonen, een Grand Prix Simulator, een casino en de prestigieuze Samsara Spa’. Is dit u wat te druk, dan kunt u kiezen voor de Costa neoRiviera****, die zich onderscheidt door het ‘unieke slow cruising concept’, dat zich kenmerkt door een rustiger vaarschema en langere aanlegtijden. ‘Wees er snel bij, want VOL = VOL’.
 
Dat vind ik nu jammer, dat laatste opjut-zinnetje. Ik wilde er toch eens even over denken. Het trok me nog niet meteen aan. Het is niet zo, dat ik bang ben, dat zo’n Costa een ommetje zal varen langs een eilandje. Of dat de drijvende torenflat vanuit een gammel roeibootje onder vuur genomen wordt door een Somalische zwarte Piet.
Het is meer, dat ik me afvraag, wat ik de hele dag op zo’n boot moet doen. Je kunt weinig anders dan een beetje liggen, eten en drinken. Je zit gevangen in de luxe, je kunt geen kant op.
Ok, je kunt je een beetje uitleven in een zwembad. De kans lijkt me groot, dat je er niet één baantje ongehinderd kunt zwemmen. Bovendien vind ik een zwembad op een boot eigenlijk iets tegennatuurlijks. Alsof een boer in de polder op zijn deel een een stukje gras laat groeien.
Bovendien, wat moet ik met al die restaurants, bars en casino’s? Het lijkt wel Las Vegas. Daar kan je ook onbeperkt gratis eten, als je maar geregeld je fiches inzet. Die spetterende shows, wat moet ik me daar bij voorstellen? Zouden ze ook een simulator voor een monstertruck hebben? Dat zou ik nog wel geinig vinden.
Natuurlijk, ik weet het, je hoeft niet binnen te blijven hangen. Het aantrekkelijke is juist, dat je veel buiten kunt zijn. Het weer is fantastisch, je hoeft niets te doen, je kunt genieten van de zon en het uitzicht!
Pardon, het uitzicht? De hele dag zie je niets dan oneindig kabbelende golfjes en een lichtblauwe einder. Daar val je van in slaap. Nou ja, als het meezit, dan kan je zo’n  klein vissersbootje tegenkomen, zo’n afgeladen vaartuig, dat uitpuilt van de mensen, die zich krampachtig aan de reling vasthouden om niet door de anderen overboord geduwd te worden. Dan moet je wel geluk hebben.
Ik overdrijf, ik weet het. Je hoeft tijdens zo’n reis niet dagenlang op een boot door te brengen.
Je bezoekt interessante steden zoals Dubai en Abu Dhabi. Vergaap je aan de oneindig hoge kantoren, de megagrote hotels, de luxe welnesscentra en de shopping malls!
Minpuntje is natuurlijk dat het gemiddeld 40 graden in de schaduw is. Dan kan je twee dingen doen. Of je vlucht naar strand en zee. Als je je insmeert met factor 40 is het daar wel een uurtje uit te houden, weet ik uit de eerste hand. Of je vlucht naar de air-conditioned shopping malls, de grootste ter wereld. Tussen de blinkende luxe kan je dan even stilstaan bij al die Aziatische bouwvakkers die tijdens de bouw zijn uitgebuit en gestorven.
Tot slot kan je misschien nog een leuk uitje maken.
Je zit eerst twee uur in een hobbelende landrover. Daarna mag je in een bak gloeiend zand op een kameel rijden en moet je ervoor zorgen dat je niet van dat bonkige, stinkende beest af valt.
Maar je kunt er wel lol mee hebben!
Het lukte Tiny niet op zo’n beest te klimmen. Toen moest die jonge Arabier haar met twee handen tegen haar billen omhoog duwen!
‘Als dat bekend wordt in zijn familie, dan hoeft ie daar nooit meer terug te komen’, riep Kitty.
Toen viel ik van de slappe lach van mijn dromedaris.
Dubai cruises, nog nooit zo voordelig.
Liggen en consumeren! Dat is het bevel op deze reis.
Ze zouden je geld toe moeten geven, de restaurants en casino’s die goed aan je verdienen. Maar zelfs als ik ervoor betaald word, ga ik nog niet mee.

  

2

OVERNACHTING IN U HANECKI

Reizen

G en ik wandelen een week lang door Neder-Silezië, een dunbevolkte streek in het zuidwesten van Polen. Het landschap is een combinatie van Limburgs heuvelland en Ardense rivierdalen, met kleine dorpjes en gehuchten, die in veel opzichten lijken op Nederland in de vijftiger jaren. Tot het einde van de tweede wereldoorlog behoorde deze streek tot Duitsland. Maar daar merk je niets meer van, zo op het eerste gezicht.
Op de zesde wandeldag bereiken wij pension U Hanecki in het gehucht Barcinek, niet ver van het stadje Jelenia Gora. Het buitenhuis ziet er verouderd en verveloos uit. Daar kijken we niet van op. We wandelen dagelijks langs ingedeukte brugleuningen, roestige verkeersborden en kapotte bankjes. In de dorpjes zien we de tweedehands auto’s die wij Nederlanders op de automarkt in Utrecht van de hand hebben gedaan, maar ook paarden met houten wagens. Kippen scharrelen langs de kant van de weg. Een dorpswinkeltje valt aan de buitenzijde niet op, hoogstens door een geopende deur, waar kinderen op de stoep zitten. Binnen staan de moeders in de rij achter de toonbank voor een assortiment westerse producten. Een transistor radio naast een kruisbeeld laat Amerikaanse hiphop horen.
In U Hanecki gaat de breed gebouwde zoon des huizes ons voor naar de eerste etage. Hij opent de deur van een kamer van zo’n vijf bij zeven meter. Het enorme vertrek ziet er uit als een eind 19e eeuwse pronkkamer. In de hoek staat een witbetegelde Kachelofen die tot het plafond reikt. De wanden hangen vol met schilderijen: arcadische taferelen, bijbelse scenes, poserende vrouwen. Het meubilair is van donker eiken. De bedden, het dressoir, de klerenkast, de stoelen en de hoge zitbank bij de eettafel, alles lijkt op het meubilair dat boven in het huis van mijn opa en oma (getrouwd in 1897) stond. Overal staan kopjes, wandborden, beeldjes, doosjes en andere snuisterijen. Op de canapé liggen kussens waar in het Duits een spreuk op geborduurd is. In de boekenkast staan Duitstalige boeken in gotisch schrift.
Bij een kopje thee laat ik mijn ogen de kamer rondgaan. Dan komt opeens de gedachte op, dat al dit meubilair waarschijnlijk is achtergelaten door een Duitse familie die na de oorlog gedwongen werd om halsoverkop met medeneming van een paar bezittingen hun huis te verlaten om plaats te maken voor een Pools gezin.
De kamer verandert op slag van sfeer.

Twee dagen daarvoor zaten we in Plawna aan het ontbijt met een Duits echtpaar en een nicht van de man. Hij was voor de oorlog geboren in Lubomierz (Liebenthal), de nicht in Plawna (Schmottseifen). Hun families hadden in 1947 hun huis met bezittingen moeten achterlaten. Voor Polen was dit een begin van herstelbetalingen. Bovendien hadden de Duitsers in 1939 op dezelfde wijze Polen uit hun huizen gezet.
De nicht was in Keulen terechtgekomen, het gezin van de man had zich net over de nieuwe grens in het Oost-Duitse Halle gevestigd, hopend op een spoedige terugkeer naar Silezië. Nadat het ijzeren gordijn om Oost-Duitsland was opgetrokken konden de familieleden elkaar niet meer ontmoeten.
Nu komen de ouderen terug, op zoek naar hun geboorteplaatsen en naar de dorpen van hun voorouders. Zij hebben een kaart van Silezië, waar alle plaatsen met de Duitse naam vermeld staan. Het is geen vooroorlogse kaart. Dit soort kaarten van voormalige Duitse gebieden in Polen en Tsjechië worden in Duitsland verkocht. Er is een markt voor.
Als wij vertellen over onze wandeltocht en over wandelpaden die plotsklaps midden in een akker eindigen, vertelt de man dat in Oost-Duitsland destijds vele wandelpaden zijn verdwenen door de grootschalige landbouw. ‘Nur der Rennsteig nicht!’. De man windt zich er nog zichtbaar over op. Zijn vrouw sust: ‘Das war lange her’. Ofwel,  genoeg over dat Oost-Duitse verleden. Ze weet wat er kan gebeuren als de man zich opwindt.
Als ik in U Hanecki in het antieke bed stap, bezeer ik me aan de houten rand, die uitsteekt boven het dieper liggende matras. Het dekbed is niet 19e eeuws. Het is gemaakt voor koude winters. Dat wordt een warme nacht. Het is maar goed dat de Kachelofen niet aan is.

0

OUDJAARSDAG

Reizen
 Buiten jaagt de wind stevig langs de oevers van de Rijn. De veelkleurige vlaggen op de rondvaartboten aan de kades staan strak. De meeuwen scheren over het onrustige, grijze water. Nadat we langs de Romeinse thermen zijn gewandeld zie ik  in een étalageruit dat mijn haren alle kanten op staan (of zoals George Moustaki zong: Mes cheveux aux quatres vents).
Binnen loopt even later de thermometer in de sauna op tot bijna 100 graden. Mijn haren, nat van het zwemwater, drogen aanvankelijk in hoog tempo op om vervolgens nat te worden van het druppelende zweet, zoals kaas onder hitte snel vloeibaar wordt.
We zouden nooit in de moderne versie van de thermen zijn beland als de vakbonden in Duitsland niet zoveel invloed hadden gehad. Dat is althans mijn veronderstelling.
Blijkbaar hebben de bonden ooit gedaan gekregen, dat de ambtenaren in Duitsland op de laatste dag van het jaar een vrije dag hebben. Daarom zijn alle musea in Köln niet alleen op 1 januari, maar ook op 31 december gesloten. Terwijl de stad op oudjaarsdag uitpuilt van de toeristen. Velen van hen lopen nietsvermoedend de beroemde musea af en komen daar voor een dichte deur. Met dank aan de Deutsche Gewertschaftsbund.
Gelukkig zijn er dan nog de kerken. Daarvan staan de deuren altijd open.
In Köln staat een aantal fraaie romaanse kerken met onopgesmukte, verstilde interieurs en houten altaardrieluiken, waar de houtworm na eeuwen nog geen vat op heeft gekregen.
In de beroemde Dom is er een vroegtijdige driekoningenhoogmis. We zien allerlei groepen mensen verkleed als koningen de trappen van de kathedraal op lopen. In de handen dragen zij stokken met vergulde sterren en manen. Achter één groep klimt moeizaam een aangeklede dromedaris naar boven. Tastend zoeken de vier poten de treden omhoog. Op het zuidplein zien we nog een stel gelovigen die zich als priester verkleed hebben. De religieuze gewaden waaien op in de wind. De mannen houden hun hoofddeksels vast. Het is niet voor niets dat Köln een naam als carnavalsstad hoog te houden heeft, gaat er nog door mij heen.  Even later blijkt, dat het hier daadwerkelijk de kardinaal van Köln met zijn gevolg betreft. Achterin de kerk krijgt hij zijn mijter en staf aangereikt. Als hij in het middenpad naar voren schrijdt, langs alle verklede koningen en langs een drommedaris, die zich tussen de kerkbanken geperst heeft, kan het feest beginnen. Het koor zingt O lasset uns anbeten (3x).
 En gelukkig is er ook nog de opgewekte kerstmarkt. In houten kraampjes met een hoog koekoeksklokgehalte worden mutsen, sjaals en sieraden verkocht. Groter nog is het aantal gelegenheden waar men iets kan eten en drinken, van pannenkoeken en warme chocola tot worstebroodjes en glühwein. Er is een ijsbaantje met muziek uit vroeger dagen. De schaatsers maken een ronde om het lichtgroene, meer dan levensgrote standbeeld van een Pruisische vorst te paard. De kerstmarkt is een nostalgische verzameling van alles wat er juist niet in een stad te vinden is: dennebomen met sneeuw en alpenhutten.
Nadat G zich te buiten gegaan is aan een bonte muts van zuiver scheerwol, zie ik een bijzonder paar de markt oplopen. Een goedgevulde man van in de vijftig, met vermoeide ogen onder een grijze muts, ondersteunt een graatmagere, broze vrouw van in de tachtig, die met vochtige ogen bezorgd om zich heen kijkt. Zoals de ongeoefende schaatsers zich vasthoudend aan de railing heel voorzichtig over het ijs bewegen, zo schuifelen de man en vrouw langs de kraampjes.
Ik denk dat het een ambtenaar is, die eindelijk eens een dag vrij heeft om met zijn moeder over de kerstmarkt te lopen. Misschien is het wel de laatste keer voor haar.  
 
 
0

LIEBE, FREUDE UND FREIHEIT

Reizen

Kan je medelijden hebben met een staat?
G en ik waren de afgelopen week in Wenen. Halverwege de derde dag gebruikten we de zelf meegebrachte lunch op een bankje in de Belvedere Garten, vlakbij het kasteel Oberes Belvedere.
Wenen staat vol met kastelen en paleizen uit de negentiende eeuw en daarvoor. Het ene gebouw nog mooier dan het andere. Het is de uitdrukking van de toenmalige macht en rijkdom van het Habsburgse rijk.
Hoe kan het, vroeg ik me af tijdens het broodje kaas, dat een land dat honderd jaar geleden tot de machtigste landen van Europa hoorde, nu een kleine EU-staat is met beperkte invloed? Oostenrijk heeft weliswaar in de vorige eeuw twee oorlogen verloren. Maar dat geldt voor Duitsland ook. Beide keren heeft Duitsland zich weer opgericht. Het is nu de machtigste natie binnen de Europese Unie. Hoe kon het Oostenrijkse keizerrijk als een plumpudding in elkaar zakken? Of, om een vergelijking te gebruiken geïnspireerd door een bekende inwoner van Wenen, Prof. Dr. S. Freud: hoe kon zo’n fier opgeheven lid verschrompelen tot een rimpelig ouwemanslulletje?
Wenen leeft van het verleden en van de toeristen die zich in de fiakers laten rondrijden. De Donau is al lang zo blauw niet meer. Udo Jürgens, de enige Oostenrijkse winnaar van het Eurovisie Songfestival (Merci, Cherie), is al jaren passé. De Wiener Schnitzel met zijn van braadvet doortrokken paneerlaag is de paria van de culinaire wereld, om over de prestaties van het Oostenrijks voetbalelftal maar te zwijgen. Krijgen Oostenrijkse politici internationale bekendheid (Kurt Waldeim, Jörg Haider), dan blijkt er een verkeerd geurtje omheen te hangen.

Wat is er misgegaan in de afgelopen eeuw?
De vraag stellen is gemakkelijker dan deze te beantwoorden, bedacht ik even later lopend tussen de standbeelden van componisten in het Stadtpark.
Blijkbaar was het Habsburgse rijk gevestigd op de macht van het wapen, de adel en de bureaucratie en te weinig op een goed draaiende economie. Alleen van Milka repen en Doppelmayr skiliften word je niet rijk.  Bovendien ging in het Wenen van 1900 de bovenlaag van het volk  teveel naar het bal, de theaters, het vertier. Tegelijkertijd was er sprake van melancholische trekken. Ik las in Wenen de verhalen van Arthur Schnitzler. Ze spelen rond die eeuwwisseling en in elk verhaal speelt zelfmoord een rol. (Sinds de toetreding van Oostenrijk tot de EU gaan de suicidecijfers naar beneden tot gemiddeld europees niveau).

Valt er verder nog iets positiefs over Oostenrijk te melden?
Jazeker. Op onze eerste dag in Wenen belandden wij op zondagmorgen onverwachts in een feestelijke hoogmis in de Augustinerkirche. We liepen in den beginne nog wat doelloos door de stad en zagen de aankondiging van de mis inclusief de uitvoering van de Messa di Gloria van Puccini. Een half uur te vroeg, maar nog juist op tijd vonden we een zitplaats. Even later vulden zich de gangpaden, de trappen van de zijaltaren en waar er ook maar iemand kon staan of leunen, met gelovigen en ongelovigen.
Om vijf over elf kwam er een processie de kerk binnengelopen, onder de tonen van Festmusik nr. 1van K. Pilss (niet te verwarren met het dweilorkest Kleintje Pils): voorop de acolieten met een groot kruis en een walmend wierookvat, daarachter een groep misdienaars (m/v),  dan volgde een stoet leken in middeleeuwse mantels en de optocht werd gesloten door de priesters, acht in getal, onder hen ook ouden van dagen voor wie de kniebuiging voor het hoofdaltaar niet meer haalbaar was. Na de rondtocht in de overvolle kerk konden de strijkers het Kyrie inzetten (http://youtu.be/HWXuTiQjOwU). In het Gratias agimus tibi gloreerde een tenor met de naam Ilker Arcayürek (voor hem gold waarschijnlijk: if you can’t beat them, join them).
De feestpreek werd gehouden door Pater Magister Matthias Schlögl OSA. Hij sprak over het contact met de medemens, durch Liebe, Freude und Freiheit. Hij werkte deze begrippen systematisch uit en vatte aan het einde van zijn preek de hoofdpunten nog eens duidelijk samen, zodat ik deze een week na het gebeuren nog moeiteloos uit het hoofd kan reproduceren. Na zijn laatste woord zette een oudere heer achter ons het applaus in.
Nu de daden nog.
Toen men na twee uur van feestelijkheden nog niet aan de offerande toegekomen was, slopen G en ik de Augustinerkirche uit, linea recta naar het dichtstbijzijnde koffiehuis. Daar bejegenden we elkaar met Liebe und Freude, onder het genot van een klein kopje koffie en een miniatuurtaartje. Even later verlieten we het huis, onder een hoofdknik van de stijve ober en  € 17,30 lichter.
Zou Oostenrijk er op deze manier weer bovenop komen?

 

 

 
0

THE CANADIANS ARE COMING (2)

Reizen
Dit stuk is een vervolg op de bijdrage van 6 september j.l.
Op de eerste dag van onze wandeling over de West Highland Way in Schotland ontbeten we in de paarskleurige Premier Inn in Mylgavnie. Langs het ontbijtbuffet van cereals, yoghurt en geroosterd witbrood liep een groep mensen die de aandacht trok. Drie mannen en drie vrouwen, die alle een wit t-shirt droegen met een foto van een vrouw en het getal 50 op de voorzijde. Aan hun taal kon ik niet goed vaststellen of het Engelsen waren of Amerikanen. ‘Het zijn denk ik Canadezen’, zei G.
Later die morgen haalden ze ons op een afdaling in. Ze waren van plan om de whisky-distilleerderij enige kilometers verderop te bezoeken. Daarna kwamen we de groep nog vaker tegen. Aan het einde van een wandeldag zag je ze meestal zitten, achter een tafel met grote pullen bier, de benen omhoog. Een vrolijk stel. Ze nodigden je uit om erbij te komen zitten en staken hun hand omhoog voor een high five: ‘We made it!’
Met de mededeling dat de Canadezen in aantocht waren, leek de jonge Belg zich wat te ontspannen. Hij deed geen pogingen meer om overeind te komen of om te drinken. Naast hem voelde ik me een bezorgde vader die op bezoek is in het ziekenhuis.
Na enige tijd hoorden we stemmen. Daar arriveerden, de hoofden rood en bezweet van de inspanning, de drie mannen uit het canadese gezelschap. De achterste van de drie kwam hinkelend omhoog.
Een van de anderen gaf direct instructies, doortastend, met overwicht, alsof hij ooit het diploma Mountain Rescue had gehaald en verlangend was om nu voor de eerste maal zijn kennis toe te passen. We stelden ons met zijn vieren rond de gevloerde man op. De leider van de hulptroepen telde tot drie en met één gezamenlijke krachtsinspanning stond de Belg zonder in een kramp te schieten weer op zijn benen. Hij dronk eerst het blikje met energydrink in één teug leeg, daarna nog een halve fles water. Vervolgens zei hij, dat hij wel weer zou kunnen lopen. ‘Are you sure?’, vroeg de aanvoerder met zijn gezicht vlak voor dat van de Belg. ‘There’s a ravine on that side, so you should not fall’.
Daarop vertrok de karavaan. De Schot met ontblote bovenlijf ging voorop, als vaandeldrager zonder vlag. Daarna kwam de Belg, aan beide armen stevig vastgehouden door een sterke Canadees. Omdat het pad te smal was voor drie personen moest de Canadees aan de dalzijde voortdurend door varens en over struiken heen springen. Daarachter volgde ik als mentor en als laatste, met de zware rugzak van de Belg, de strompelende Canadees. Hij had 6 joekels van blaren op zijn voeten. Dat had hem niet weerhouden van deze reddingsactie: ‘this is an allied action by Scotland, the Netherlands and Canada.’
Beneden op de camping gekomen was de Belg weer in staat om zelfstandig zijn tent op te zetten. De Canadezen bestelden nog een pul bier. ‘You’ve done a great job’, zei de leider tegen mij en hij hield zijn vuistje voor, zodat ik er met de mijne tegenaan kon tikken. Het bleek echter niet voldoende, want tijdens het avondeten zagen we een ambulance het terrein op rijden. De Belg had opnieuw krampaanvallen gekregen. Hij werd nu naar een ziekenhuis gebracht.
‘s Avonds zaten we met de Canadezen in de nabijgelegen Drovers Inn, een eeuwenoude, wijd en zijd vermaarde gelegenheid. We hadden eerder op deze reis Amerikanen ontmoet, die er een autorit van drie uur voor over hadden, omdat er in hun reisgids stond, dat je deze Inn niet mocht missen.
De muren in de donkere pub zijn zwartgeblakerd door de rook. Het houten plafond is er laag. Naast eenvoudige houten krukjes staan er met rood fluweel bedekte stoelen. De barman draagt een kilt en men heeft een groot assortiment aan whisky’s en ales.
We zaten rond een tafel vol met gevulde bierpullen en klonken op de mooie dag en we klonken (nog een keer alle pullen tegen elkaar) op de mooie highlands. Een fototoestel met uitvergrote foto’s van de reusachtige, bleekgele blaren van de hinkelende Canadees ging rond. Er werd een bijzondere whisky besteld, die na enig proeven als niet smakelijk ter zijde werd geschoven. We vertelden elkaar onze High en Low van deze dag.
Tenslotte toostten we nogmaals, ditmaal op de Belg.
We weten niet hoe het met hem afgelopen is.
 
 
0

THE CANADIANS ARE COMING

Reizen
Het gebeurde tijdens de wandeling van Rowardennan naar Inverarnan, een van de etappes van de West Highland Way, een langeafstandswandelpad in Schotland. We hadden zojuist Loch Lomond achter ons gelaten en waren via een korte klim aangekomen op een weidse pas. Vanaf de hellingen, bedekt met geelgroen gras en donkergroene doornstruiken kwamen kleine stroompjes omlaag, glinsterend in het uitbundige zonlicht. Het was vijf uur in de middag en we waren nog een kleine kilometer verwijderd van ons einddoel die dag, Beinglass Farm, een camping waar we zouden overnachten in een houten châlet.
Na een bocht in het smalle pad zagen we hem opeens liggen. Een zwaargebouwde jongeman in donkere kleren, liggend op zijn rug, dwars over het pad. Zijn antracietkleurige overhemd, dat strak rond zijn bleke, vlezige borstkas stond, was doordrenkt van het zweet. Zijn ogen onder het kortgeknipte zwarte haar stonden dodelijk vermoeid.

‘Are you oké?’, was  de eerste vraag van G.
Hij kon zijn belabberde toestand niet ontkennen: ‘No, I’ve got cramps’.
Dat moest te verhelpen zijn, dachten we, en we hielden zijn been gestrekt omhoog en bogen de tenen naar de romp. Even flink strekken en de jongeman zou weer verder kunnen lopen.
Die verwachting kwam niet uit. Het sjorren aan zijn benen veroorzaakte weer andere krampen in zijn borst, zijn buik en zijn armen. Hij schokte over zijn hele lijf en schreeuwde het uit.
‘Heb je wel genoeg gedronken’, vroegen we, ietwat belerend. We hadden intussen ontdekt dat de man uit Belgie kwam en nederlands sprak. Hij zei dat ie in de afgelopen paar uur twee liter water gedronken had. Een landkaart lag uitgevouwen achter zijn hoofd. ‘Het is niet ver meer, ik moet nog even rusten, dan ga ik het wel halen’. Het was niet duidelijk of hij zichzelf of ons moed wilde inspreken.  Zijn ogen rolden angstig heen en weer. Hij probeerde op zijn zij te rollen en overeind te komen, maar de minste beweging van zijn hoofd was al voldoende voor een volgende pijnlijke krampaanval. Een tweede poging vijf minuten later faalde op dezelfde manier.
Mijn kennis over wat hier aan de hand was en wat je moet doen in zo’n situatie is beperkt. Het was duidelijk dat we dat zware lijf niet met zijn tweeën overeind konden krijgen. We keken elkaar aan. We moesten hulp halen. G liep naar beneden naar Beinglass Farm, ik bleef bij de ongelukkige Belg.

Terwijl ik een sinaasappel pelde, vertelde de jongeman, dat hij juist naar Schotland was gekomen, omdat hij niet tegen de hitte kan. De avond tevoren had hij in zijn tent al hevige krampen gehad. Hij had deze wandeletappe sterk ingekort door een boot te nemen tot het einde van Loch Lomond. Hij was dus nog geen uur aan het lopen, wilde even rusten, maar eenmaal op zijn rug beland kon hij niet meer overeind komen.
Ik stopte wat sinaasappelpartjes tussen zijn lippen. Naast mij liep een grote zwarte tor over het pad.
‘Als torren op hun rug liggen, komen ze ook niet meer overeind’, zei ik. Het was niet duidelijk of hij deze vergelijking kon waarderen.
Af en toe kwamen er nog wandelaars langs. Men bekeek het tafereel van het dwars over het pad gestrekte lichaam en de gehurkte grijsaard daarnaast als was het een doodnormaal tableau wat je meermalen per dag tegenkomt. Ze stapten over het bezwete lijf, zoals ze eerder over de rotsblokken en boomstronken op de oevers van Loch Lomond waren gestapt.
Na enige tijd kwam er van de andere zijde een jongeman naar boven gehold. Hij droeg een zwarte trainingsbroek en fel oranje joggingschoenen. Zijn ontblote, bruinverbrande bovenlijf, een gespierde torso als van een jonge god, glom van het zweet. Hij droeg twee waterflessen van anderhalve liter en een klein blikje energy-drank. Hijgend en zonder veel woorden vuil te maken aan de toestand probeerde hij de Belg wat te laten drinken. Tevergeefs, want deze lag met zijn hoofd naar achteren en alleen al het opheffen van zijn hoofd veroorzaakte nieuwe krampaanvallen. Mijn blijdschap over het arriveren van de schotse hulp veranderde in teleurstelling.  ‘It don’t work that way’,  zei ik. Meteen bedacht ik dat ik had moeten zeggen: ‘it doesn’t work’. 
De Schot zag de ernst van de situatie in, stak een sigaret op en pakte zijn mobiel. Toen hij enkele tellen later uitgebeld was, sprak hij de verlossende woorden: ‘the Canadians are coming’.

Wordt vervolgd.