Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Reizen

3

EEN DAG IN DE TREIN

Reizen

In zestien uur lieten we ons in een geleidelijke overgang meevoeren van de alpiene sneeuw naar de Hollandse winter van regen en wind, van de grillige bergen naar de geordende vlakten, van de barokke kerken naar de kantoortorens, van het bijzondere naar het alledaagse.
Onze plaatsen waren gereserveerd, dus wachtten we op ons gemak tot we in de verte de twee gele lichten in een donker silhouet naderbij zagen komen. Terwijl de trein schokkend weer in beweging kwam, installeerden we ons in een aangename warmte op de toegewezen plekken.
We lazen een boek en maakten een puzzeltje en een praatje. We keken mijmerend uit het raam naar kleine dorpen onderaan een helling met de kerktoren en het kasteel als eeuwenoude bakens. Waar mensen hun leven met elkaar doorbrengen, in het jaarlijkse ritme van kerkelijke vieringen, optochten en zomerfeesten. We zagen op de Autobahn de voortracende Volkswagens, die door de hogesnelheidstrein tot pruttelende Piaggio-wagentjes gedegradeerd werden.
We keken naar de huizen langs het spoor, waar zich achter de ramen een onbekend leven afspeelde. Waar misschien gekookt werd, gestudeerd, geruzied of gevreeën. En waar men op zijn beurt niet geïnteresseerd was in het onbekende leven achter de ramen van de zoveelste passerende trein.
En op de momenten dat de trein tot stilstand gekomen was, keken we naar de reizigers die in optocht met hun rolkoffers op weg waren naar de uitgang, naar de rokers die samengepakt in een geel afgebakende rechthoek snel aan hun peuken trokken, naar de blije omhelzing van de reiziger die opgewacht werd en het melancholieke wuiven van de achterblijvers die een vriend of geliefde uitzwaaiden. Er was genoeg te bekijken.
De uren verstreken geruisloos. Het anonieme landschap werd grijs en we zagen we onszelf steeds beter weerspiegeld in de ruit. We aten een broodje en strekten de benen onder de ritmische cadans van de wagon en het moderne jargon van de servicegerichtheid: goedemiddag dames en heren (in Nederland: reizigers), wij heten u hartelijk welkom aan boord van onze trein, heeft u een vraag of een wens, dan sta ik met mijn team voor u klaar. Vervoerder Abellio, die de Rhein-IJssel-Express tussen Düsseldorf en Arnhem exploiteert bedankte ons voor de keuze voor Abellio (waarvan wij nog nooit gehoord hadden) en eindigde met: ‘Abellio sagt tschüss’, wat in het Nederlands vertaald werd in: ‘Abellio neemt hier afscheid van u’, alsof wij niet meer mochten meedoen.

Zoals wij kozen voor sneeuwwandelen in plaats van skiën, zo kozen we voor de trein in plaats van het vliegtuig. Heerlijk ontspannen met veel ruimte en heel milieuvriendelijk. Maar twee tot drie keer zo duur als het vliegtuig. Met dank aan de marktwerking en de onbelaste kerosine. En hoe goedkoper het vliegen wordt en hoe meer mensen het luchtverkeer verkiezen, hoe meer treinen geschrapt worden en hoe beperkter de mogelijkheden op het spoor. Voor onze heenreis wilden we aanvankelijk een nachttrein. Dan hadden we om 03.00 uur een overstap met wachttijd in Keulen gehad en om 6.30 uur een overstap met wachttijd in München.
Nu stapten we op de terugweg om 6:56 in de trein in Mezzana, Noord-Italië, en kwamen om 23:07 in Utrecht aan. De vijf verschillende treinen reden alle nagenoeg op tijd. Maar zou er ’s morgens een trein een vertraging van een half uurtje opgelopen hebben, dan hadden we Utrecht die avond niet meer kunnen bereiken.
De trein is heerlijk, de trein is schoon. Maar om dat zo te houden moet het spoor in Europees verband beter gefaciliteerd worden en zal het vliegverkeer meer belast moeten worden.

0

IN DE SNEEUW

Reizen

We worden weggebracht in een oude Fiat Panda, een Four Wheel Drive. Dat laatste zie ik pas, als we zijn uitgestapt. Had ik dat eerder geweten, dan had ik niet zo met samengeknepen billen op de achterbank gezeten, toen het Fiatje zich ronkend omhoog werkte over de smalle bosweg. Door sneeuwval was de weg spekglad en we reden langs diepe ravijnen. De auto slipte echter nergens. De bestuurder had een turquoise rozenkrans over zijn binnenspiegel hangen. Dat is onze redding geweest.
We zijn in de Dolomieten voor wandeltochten met sneeuwschoenen. Voor al diegenen die nog altijd denken, dat sneeuwschoenen een soort tennisrackets zijn waarop je als een Donald Duck door de sneeuw waggelt, hiernaast een foto van het looptuig, dat je onder je wandelschoenen bindt. Met sneeuwschoenen loop je door de maagdelijke sneeuw, hoeveel er ook gevallen is. De sneeuwschoen zorgt ervoor, dat je niet diep wegzakt in de sneeuw.
Nog wat onwennig ploeteren we de eerste dag achter de gids door het bos. Het is er doodstil. We horen alleen het geluid van onze afdrukken in de sneeuw. Ook in dit winterlandschap ruik je de naaldbomen. Soms valt er een hoopje sneeuw van een dennentak omlaag. Op het besneeuwde pad zien we de sporen van een dier. Even later wijst de gids ons op een gems. Verderop struint een hert, zo’n 100 meter boven ons. Daarna zien we er nog een paar herten. De beesten lopen moeizaam wankelend met hun lange poten door de Tiefschnee. Ze zakken er verder in dan wij.
Traag trekken we over de hellingen. Sneeuwwandelen past niet bij deze tijd. Het past niet bij het jachtig heen en weer vliegen, niet bij het hogere tempo waarin alles moet worden afgewerkt, niet bij het meerdere dingen tegelijkertijd doen. Sneeuwwandelen is slow walking. De meditatieve tak van het winterse voortbewegen. Het is lopen zoals men eeuwen geleden deed (toen er overigens nog geen sneeuwschoenen waren).
Und auf den weissen Matten
Such Ich des Wildes Tritt
(uit: die Winterreise, Wilhelm Müller, op muziek gezet door Franz Schubert).

Terug naar het oorspronkelijke wandelen, het lijkt ideaal.
Er is echter één maar, een maar die meer gaat tellen naarmate de jaren stijgen.
Wandelen met sneeuwschoenen is een inspannende bezigheid, om niet te zeggen dat het ongelooflijk zwaar is. Alsof je door mul zand een berg beklimt. Door de sneeuw ga je ongeveer de helft langzamer naar boven dan in de zomer. En heb je een beetje kleffe sneeuw dan blijven er klonten aan je schoenen hangen. Die til je mee omhoog.
Hijgend en zwetend loop ik achter de gids aan, in een verre van meditatieve toestand. Vind ik dat nog wel leuk? We zien nog wat jongelieden in snelle pakken tegen de berg oplopen. Maar ik ben 65. Is het dan niet eens tijd om sommige bezigheden te laten? Of onderschat ik waartoe zestigjarigen in staat zijn?

Op de derde dag gaan we voor de afwisseling een dagje skiën. De zon schijnt overvloedig, de pisten liggen er geweldig bij en het is relatief rustig. Hoewel we de laatste tien jaar nauwelijks geskied hebben, gaat het ons goed af. Bochtje naar links, bochtje naar rechts, op ons gemak dalen we de hellingen af. Kopje koffie, volgend liftje. Wat een heerlijke bezigheid. De vreugde van het skiën is de vreugde van het kind, dat op een sleetje van een hellinkje glijdt. Ik denk even niet aan mijn knieproblemen of spierblessures. Of aan de gebroken heup waarmee ik negen jaar geleden op de skipiste lag. Het voelt alsof ik nog jaren door kan skiën. Of overschat ik nu wat ouderen aankunnen?

Op de vierde en de vijfde dag maken we schitterende wandelingen, op sneeuwschoenen.

0

MÜNSTER

Reizen

Prinzipalmarkt Münster

De jaarwisseling vieren wij in Münster, een Duitse stad ter grootte van Utrecht, een uurtje rijden achter Enschede.
Ik ken de stad van de Vrede van Münster, maar had iemand mij tevoren gevraagd aan welke oorlog dit verdrag een einde maakte en in welk jaar, dan had ik het antwoord schuldig moeten blijven. Zo krijgt onze viering nog een educatief karakter.
De vrede, gesloten in 1648, maakte niet alleen een einde aan de dertigjarige oorlog, waarin – om het kort samen te vatten – de Europese katholieke machten terrein verloren aan een aantal protestante mogendheden. Het verdrag was tevens het einde van de tachtigjarige oorlog tussen Spanje en de Nederlanden.
Tig jaren oorlog. Zoals het leven toen een stuk trager verliep, zo werden ook de oorlogen in een langzaam tempo gevoerd. Het woord Blitzkrieg moest nog worden uitgevonden. In de Nederlanden hebben destijds vele mensen geleefd, die geboren en gestorven zijn tijdens dezelfde oorlog. Het leven was oorlog, ze wisten niet beter.
Het gevolg van de Vrede van Münster voor de Nederlanden was, dat de Republiek als onafhankelijke staat werd erkend en dat het protestante geloof overheersend werd. Alle katholieke kerken en kloosters vervielen aan de overheid. De katholieken moesten zich terugtrekken in schuilkerken. Het zou twee eeuwen duren voordat zij weer tevoorschijn kwamen.
Het verdrag van Münster wordt wel gezien als de eerste overeenkomst die voortkomt uit moderne diplomatieke onderhandelingen tussen een groot aantal Europese partijen.
Niet dat de vrede lang heeft standgehouden trouwens. Spoedig braken er weer nieuwe twisten uit. Het zou nog tijden duren voor de ratio de oorlogsimpulsen onder de duim kreeg.

Münster zelf is ook niet gevrijwaard gebleven van oorlogsgeweld. In de 16e eeuw speelden de wederdopers daarin een belangrijke rol. Dit was een protestante afsplitsing, die – om het in huidige termen te omschrijven – als unique selling point had, dat gelovigen pas als volwassene gedoopt mochten worden. Om dit soort religieuze haarkloverijen werden toen bittere oorlogen uitgevochten. Ik moet denken aan de soennieten en sjiieten. Zouden er parallellen zijn?
In 1534 hadden de wederdopers de bisschop uit de stad verdreven. Tijdens de daaropvolgende belegering van de stad door de troepen van de bisschop radicaliseerden de wederdopers. Als een soort communisten-avant-la-lettre schaften zij het geld af en voerden zij het gemeenschappelijk bezit van goederen in. Ook de vrouwen werden gemeenschappelijk bezit, dat wil zeggen van de mannen. Onder aanvoering van Jan van Leiden ontstond een waar terreurbewind. Na twee jaar moesten de wederdopers zich gewonnen geven. De lijken van Jan en twee van zijn metgezellen werden als aanstootgevend voorbeeld in kooien aan de toren van de Lambertuskerk gehangen. Daar hangen ze nu nog, de 16e eeuwse kooien wel te verstaan. We staan er met ons hoofd in de nek naar te staren.

Er komen in Münster heel wat oorlogen voorbij. De meest ingrijpende oorlog voor de stad was de laatste: de Tweede Wereldoorlog. De complete binnenstad werd tot puin gebombardeerd. Na 1945 werden alle gebouwen in de oude stijl opnieuw opgetrokken. Eigenlijk staan we hier naar namaakgebouwen en nepwandjes te kijken. Maar het is wel heel nauwkeurig gedaan en de combinatie van oude en nieuwe architectuur ziet er indrukwekkend uit.
Münster is gekoppeld aan het woord Vrede en dwalend langs de historische plaatsen komt de gedachte aan de Europese Unie naar boven. Nooit meer oorlog is een van de belangrijkste argumenten voor het Europese project. Behoudt de ratio ook in 2018 de overhand?

2

BERICHT UIT BRAZILIË (slot)

Reizen

In Rio de Janeiro loopt een brede ringweg van tweemaal drie banen langs de kust. Onophoudelijk razen hier de auto’s voorbij. Als ik over wil steken moet ik ergerlijk lang wachten op groen licht.
Behalve op zondag. Dan is het verkeer in één richting afgesloten en zijn er drie banen vrij. Van alle kanten komen dan de cariocas, de inwoners van Rio, naar de kustweg om te wandelen, te joggen, te fietsen, te skateboarden, te rolschaatsen. De zondagmiddag is er voor ontspanning en vertier, voor buitenlucht en gezonde beweging. Het is het enige ogenblik waarop de auto plaats moet maken voor fietser en hardloper.

Op zondagmiddag 12 november, 15.30 uur, zit ik in de schaduw van palmbomen aan de ringweg in Copacabana. De weg loopt hier direct langs het strand. De zon schijnt, het is 30 graden, de wind maakt de temperatuur draaglijk. Het is mijn laatste dag in Brazilië, mijn koffer staat al gepakt.
Ik heb net nog een uurtje aan het strand doorgebracht. Braziliaanse families en vriendengroepjes zaten bij elkaar, onder de gehuurde parasol, met de benen op de koelbox, de zonnebril op het hoofd. Wie een baan heeft komt hier op zondagmiddag om uit te puffen en te kletsen. Wie arm is loopt te leuren met zonnebrillen, ijsjes of drankjes. Er werd gevolleybald en gevoetbald. Kleurige vlaggen stonden strak in de wind, fregatvogels draaiden hun rondjes boven het groengrijze water, mensen paradeerden langs de vloedlijn. De firma van siliconen implantaten heeft hier veel afzet gehad, net als de verkopers van fitnessapparatuur.
Ik zat met mijn rugzak vlakbij het water. Da’s wel ongewoon daar, zo’n rugzak. Ik was na drie dagen Rio nog altijd in de oplettende modus, ik ging bijna achteruitlopend het water in om zicht te kunnen houden op dat toonbeeld van bezittingen van een toerist.

Op de boulevard trekt een optocht van bewegende Brazilianen voorbij. Ik heb een boek meegenomen, maar laat dat voorlopig in mijn rugzak. Vanuit een bar aan de rand van het strand klinkt melancholische gitaarmuziek.
Rechts van mij krijgt een tienjarig meisje een paar splinternieuwe rolschaatsen ondergebonden, lichtgroen van kleur met roze randjes. Haar corpulente moeder zit geknield op het asfalt om te helpen. Het kost moeite om de mollige voetjes in de schoenen te persen. Het meisje ondergaat lijdzaam de inspanningen van haar moeder. Ze wil al weg schaatsen als de moeder nog bezig is de hagelwitte veters te strikken. Als het eindelijk zover is, doet zij haar eerste wankele slagen. Daarna schaatst ze zonder omkijken de boulevard af, haar toekomst tegemoet.
Links van mij zit een jonge vrouw op de stoeprand met naast haar een oude vrouw in een rolstoel. Het gerimpelde oude hoofd ligt continu achterover in haar nek, de mond staat een beetje open. Eén oog is dicht, het andere toegeknepen. De wind speelt door haar grijze haren. Haar stramme, gekromde vingers liggen stil op haar bovenbenen. De rolstoel is van het merk Prolife. Ik kan uit haar starre houding niet afleiden of zij geniet. Of dat zij lijdt aan pijn of deprimerende gedachten. De jonge vrouw staat op, ze gaat een stukje lopen.
Donkergekleurde handelaren voeren met bakfietsen en steekkarren nieuwe ladingen drinken en ijs aan. Baders die van het strand komen vegen het zand van hun voeten. De stem van Barry Manilow klinkt in mijn hoofd. Music and passsion are always the fashion at the Copa. Het meisje op de rolschaatsen zie ik nergens meer. De vrouw in de rolstoel komt nog eens langs, nog steeds het hoofd in de nek, de mond open en de ogen bijna gesloten. Ik voel de melancholie. Maar ik weet niet of het om haar is of om mijzelf.
Zondagmiddag Copacabana.

1

BERICHT UIT BRAZILIË (3)

Reizen

Het korenfestival is afgelopen. Voor tweederde van de zangers van kamerkoor D’Allure begint nu een reis langs een aantal highlights van Zuid-Oost Brazilië.

Een deel van de watervallen van Foz d’Iguazu

We gaan eerst naar de watervallen van Foz d’Iguazu op de grens met Argentinië. Voor deze attractie zijn twee dagen uitgetrokken. Dat leek mij op voorhand wat ruim bedeeld. Bovendien was ik deze zomer in IJsland wat betreft neerstortend water al ruim aan mijn trekken gekomen.
Al dat IJslandse water valt echter in het niet bij Foz d’Iguazu. Bij de eerste aanblik moet ik denken aan de Grand Canyon. Die is ook zo onmetelijk groot en onpeilbaar diep, dat het je voorstellingsvermogen te buiten gaat. We staan hier na een paar dagen van flinke tropische regens. Het waterpeil is hoog, het water is roodgekleurd door het zand dat van de landbouwgronden is meegevoerd, een gevolg van de ontbossing. Zelfs op de middag van ons tweede bezoek kijk ik nog steeds mijn ogen uit. Bij een platform onderaan een waterval loop ik in mijn poncho zo dicht mogelijk naar het vallende water. De verplaatsing van lucht en water op enkele meters van de stortvloed is hier zo krachtig, dat ik het niet langer dan 10 seconden uithoud.
Naast mij staat een groep Zuid-Amerikanen van Indiaanse afkomst. Ze dragen geen regenkleding en worden door en door nat. Bij ieder hangt een beschermend popje om de hals. Minutenlang staan zij met opgeheven armen te zingen, te bidden, te lachen, een monument van drijfnatte gelukzaligheid. Wat een verschil in beleving tussen de Noord-Europeaan, die nadenkt over de gevolgen van de douche en de Zuid-Amerikaan die leeft in het moment.

De volgende halte is Rio de Janeiro, een ville d’allure: bruisend, druk, muzikaal; het New York van het zuidelijk halfrond, afgaand op alle hoogbouw, de rechte stratenplannen en de niet aflatende stroom van gele taxi’s, die zich daardoorheen wurmt.
Bij Rio denk je ook al snel aan de favela’s, hèt beeld van armoede en criminaliteit in de ongelijke en van corruptie doortrokken Braziliaanse samenleving. Het zijn geen krottenwijken die uit plastic en golfplaten zijn opgetrokken, zo zien wij. Het zijn achterstandswijken met oude huizen voor gewone Brazilianen die een baantje hebben in de horeca of als straatveger. De jeugdwerkloosheid is enorm, de drugsproblematiek gigantisch. Rivaliserende drugsbendes hebben het voor het zeggen.
Groot is het contrast met de gouverneur van de staat, die in een van zijn huizen als een Dagobert Duck zoveel bankbiljetten verzameld had, dat men dagen nodig had om de stapels te kunnen tellen. Is de kiem gelegd toen eeuwen geleden de Portugezen hun kerken en paleizen royaal met bladgoud versierden en de Afrikanen als slaven op de kade van Rio werden aangevoerd? Diezelfde kade kan niet als monument hersteld kan worden, omdat de overheid daar geen geld voor schijnt te hebben. De verschillen tussen arm en rijk, het laat mij hier niet los.

De belangrijkste toeristische attracties zijn het bekende Christusbeeld en de Pao de Açucar, een puistige berg aan de kust. Vanaf beide hoogtes heeft men een schitterend uitzicht over de metropool. Wat maakt toch, dat toeristen graag een stad aan hun voeten zien liggen? Alsof de duivel van de commercie zegt: ‘dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt’.
De taxichauffeur die ons erheen brengt, laat bij voortduring een onbegrijpelijke mantra horen: ‘Rio de Janeiro, California, Madrid, Alemana’, gevolgd door een hoge, kirrende lach. Ik voel dat de tijd rijp is om Luna, luna in te zetten, een van de Braziliaanse liederen die wij geleerd hebben. Daarop laat de chauffeur ons meegenieten van foto’s waarop hij met mooie vrouwen de samba danst. Amanha, morgen, zeg ik , dan gaan wij ook de dansvloer op. Met die vrouwen. Waarop de chauffeur weer zijn mantra laat horen.

0

BERICHT UIT BRAZILIË (2)

Reizen

Kamerkoor D’Allure is een projectkoor voor oudere koorzangers met ervaring en ambitie. Het koor staat onder leiding van dirigent Fokko Oldenhuis. Omdat deze in zijn jeugd in Brazilië heeft gewoond en daar nog contacten heeft, ontstond de mogelijkheid om deel te nemen aan het korenfestival in Londrina, in het zuiden van Brazilië. Daar hadden we wel oren naar. En we kunnen onze eigen tijd indelen. Zodoende checken we, ingeënt en met een goed gevulde reisapotheek, op 28 oktober in voor een vlucht naar Sao Paolo.

We worden ontvangen als sterren. De kosten van het verblijf worden voor ons betaald. Dagelijks staat een bus met chauffeur en gidsen ter beschikking voor fraaie excursies. Halverwege de week worden we in de watten gelegd als het zwembad van de Banco do Brasil exclusief voor ons ter beschikking staat.
Aan ons is bovendien de eer om het festival op dinsdagavond te openen. Ons optreden is niet perfect, maar er wordt luid gejuicht. Wat van ver komt moet goed zijn. Het kan ook zijn, dat het publiek weet, dat wij niet meer zo goed kunnen horen. Als wij het optreden eindigen met een liefdeslied in verstaanbaar Portugees, ontstaan er stadiontaferelen. In een gangpad juicht een aantal toehoorders met de Nederlandse vlag.

Tijdens de week treden wij diverse keren op voor sponsoren van het festival. Waar wij optreden zijn er camera’s van televisiestations aanwezig om die zangers uit dat verre Nederland in beeld te brengen. Dat ik dit mag meemaken, gaat er voortdurend door mij heen. Zo zingen we volksliedjes van de Zweedse componist Petterson-Berger in een bankgebouw, nadat we eerst door gewapende bewakers via een veiligheidspoort zijn gescand. Onderwijl wacht de cliëntèle voor de loketten lijdzaam de beurt af.

Bij Scania Vabis mogen we zonder inzingen en op onze nuchtere maag het ontbijt van de medewerkers opvrolijken. De monteurs die dagelijks onder de motoren van de vrachtwagens liggen blijken het Gloria van Nystedt te waarderen. Elke dag zit weer vol verrassingen, genoeg om evenzovele blogs mee te vullen.
Vijf avonden lang zien we in het stadstheater een bonte rij van Braziliaanse koren langskomen: kinderen uit een tehuis, zacht zingende dames van Japanse origine, kerkkoren toegejuicht door nonnen in de zaal, leraren uit het particulier onderwijs, personeel van de sportclub van de Banco do Brasil, presbyterianen die met een keiharde beat hun gospels uitventen. Een gebrek aan kwaliteit wordt gecompenseerd door een grote inzet, swingende pasjes of een kleurige uitmonstering, zoals de vogels in het regenwoud. En alles uit het hoofd gezongen. De optredens worden becommentarieerd door een aan zijn stoel gekluisterde oudere man, een stijve imitatie van de presentator van darts-wedstrijden (‘one-hundred-and-eighty!’). In de pauze is er een loterij. Zo wint een van ons een pakket met schuurlapjes, knijpers en iets wat op bronwater lijkt, maar bij de eerste slok een schoonmaakmiddel blijkt te zijn.

Tijdens een invalbeurt op vrijdagavond valt alles voor ons op zijn plek. We krijgen de zaal muisstil, wat hier een grote uitzondering is. Na afloop rijdt onze bus naar een bar voor een caipirinha, de nationale cocktail die zo heerlijk wegdrinkt maar lekker aankomt. Men wil ons een Braziliaans maal voorschotelen, maar als niemand zo laat op de avond zin heeft in rijst en bonen, stuurt de kok als alternatief de ene na de andere schaal met hapjes langs.
Het blijkt een opmaat voor het slotfeest van het festival, dat aan het einde van de zaterdagavond losbarst. Er is weer veel te eten en juist als ik heerlijk dansend aan mijn tweede jeugd begonnen ben, zie ik tot mijn ontzetting dat onze bus om 1 uur gaat vertrekken.
Tja, dat is waar ook, we zijn een koor van ouderen.

1

BERICHT UIT BRAZILIË (1)

Reizen

We lopen over een smal pad door ondoordringbaar bos, een wirwar van dunne en dikke bomen, groene bladeren zo groot als dienbladen, luchtwortels, lianen. De zon bijna recht boven ons hoofd dringt hier nauwelijks door. Gezoem van insecten, waarschuwende kreten van vogels, die zich twintig meter hoog in het gebladerte aan mijn kijker onttrekken.
Dit is het natuurpark Mata dos Godoy in het zuiden van Brazilië. Het Atlantische regenwoud herbergt vele planten die alleen hìer voorkomen, een nog grotere rijkdom dan in het Amazonegebied. Van dit tropisch bos resteert nog zo’n 5%. In Brazilië kijkt men niet op een boompje meer of minder. In zijn strijd tegen een afzettingsprocedure was president Temer onlangs nog bereid om een beschermd deel van het Amazonewoud op te offeren.
Voetbal en corruptie, de Brazilianen raken er nooit over uitgepraat, zegt onze gids. De politiek wordt beheerst door een aantal families. De best betaalde banen zijn bij de bureaucratische overheid. Brazilië heeft vele natuurlijke rijkdommen, maar is in vergelijking met omliggende landen een duur land. De verschillende soorten btw liggen tussen de 25 en 60%.

Met mijn kamerkoor D’Allure ben ik te gast op een korenfestival in Londrina in het relatief welvarende Zuidoosten van Brazilië. In 1930 was de houtkap tot hier doorgedrongen en werden de eerste huizen gebouwd. Nu is Londrina een plaats met 558.000 inwoners. De rijkere mensen wonen in flats. Er staat een hek omheen en er zit een conciërge bij de deur. Of men woont gezellig in compounds, waar de prikkeldraadversperringen bovenop de muren liggen die de wijk beschermen. Veiligheid is hier een belangrijk issue. De kloof tussen arm en rijk is groot.
In het historisch museum van de stad hangen foto’s van de pioniers: Duitsers, Italianen, Polen, Japanners, het was een bonte verzameling immigranten die hier op zoek ging naar geluk. De Indianen en Afrikanen waren de helpers. Het kapitalisme, het katholicisme, de blanke overwon. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er nog Duitsers en Japanners bij. ‘We hebben toen niet het beste binnengehaald’, zegt een van onze gastheren. Een gedenksteen in het museum over de stichting van Londrina is afgedekt. Er is een tekst in Indiaanse tekens overheen geplakt. Men was even vergeten, dat er ook vóór 1930 mensen op deze plaats hebben gewoond.

Achter het raam van de bus, die ons elke dag weer door Londrina rijdt, kijk ik mijn ogen uit, geïnteresseerd, nieuwsgierig, ik wil alles weten. Londrina was halverwege de vorige eeuw hèt centrum van de koffieteelt, niet alleen nationaal, maar ook internationaal. Het theater waarin het korenfestival gehouden wordt heet niet voor niets Ouro Verde, het groene goud. Nadat in 1974 strenge nachtvorst de plantages voor jaren beschadigd had, is de koffieteelt naar het noorden verplaatst. Nu zien we in de omgeving eindeloze akkers met soja en suikerriet. De Brazilianen zijn niet alleen zoetekauwen, hun auto’s rijden in grote getale op ethanol, een brandstof die van suikerriet is gemaakt. Omdat de Brazilianen voor alles de auto pakken, is ook obesitas een issue in dit land.
Tussen de moderne flats, de bankgebouwen en de overheidsinstellingen is het niet moeilijk om de onderkant van de samenleving te ontdekken: oude huisjes, kleine garages, smerige werkplaatsen, vervallen plekken. Een jongleur voor het stoplicht, een oude knoflookverkoper, een vervuilde dakloze. In een parkje schrik ik me dood als twee agenten in no-time hun pistool trekken om een man te fouilleren. Vol ongeloof staar ik naar het getrokken wapen. Ik loop zo ongemerkt mogelijk weg, want ik wil wel alles weten, maar mijn interesse in vuurgevechten is beperkt.

Om overeind te blijven koesteren de Brazilianen hun geloof en bijgeloof, hun cachaça – de nationale brandewijn – en last but not least: de muziek. Die klinkt op straathoeken, vanuit cafés, en begin november iedere avond vanuit het Teatro Ouro Verde.

 

Met dank aan August Willemsen voor de inspiratie die hij mij bood met zijn boek Braziliaanse brieven. Een aanrader.

1

SAMEN GENIETEN

Reizen

Wij wandelen in een glooiend landschap, langs groene weiden waar de zwart-witte koeien tevreden liggen te herkauwen en over beboste hellingen waar de hoge eiken en beuken op het punt staan te verkleuren. Door kleine gehuchten waar de stilte verstoord wordt door een blaffende hond of door een reusachtige tractor met meer dan manshoge wielen die met zijn wagen vol gehakseld mais op je afdendert. Langs kleine begraafplaatsen, waar de zerken scheefgezakt in de grond staan, graslandjes met verweerde schuurtjes, waar eenden en geiten harmonieus samenleven, kapelletjes met plastic bloemen voor een vrome heilige, een gaard met hoge fruitbomen, waar rode appeltjes tussen breekbare oude takken glinsteren in het zonlicht. Entre les tours de St. Pieters-Voeren en Teuven.

Met mijn kamerkoor Decibelle ga ik eens per jaar, eind september, op wandelweekend, ergens aan de rand van Nederland, of liever nog, een stukje daaroverheen. In een lang lint trekken zo’n twintig mannen en vrouwen door de velden. Verbonden door de liefde voor de natuur en de zang, van elkaar onderscheiden door de eigen geschiedenis, de eigen voorkeuren, de eigenaardigheden. Wandelend worden discussies gevoerd en levensvragen gesteld. Het lief en leed wordt net zo makkelijk met elkaar gedeeld als de oordelen over de uiers van de koeien in de wei. Bij een kapel bezingen we de schoonheid van de dag (Sweet day, so cool, so calm, so bright) of het leed in de wereld (O vos omnes, qui transitis per viam). Op het terras gaan de wandelschoenen uit en genieten we van koffie met linzen-pruimenvlaai. We speuren onderweg naar bramen en testen gevallen appeltjes op rijpheid. Of we rusten uit in een zonovergoten wei, waar de geluiden van snuivende knoeien en gras dat afgesneden wordt steeds dichterbij komen, totdat je je ogen opent en een grote, nieuwsgierige koeienkop naast je ziet. Zouden we dit geluk kunnen noemen?
Op onverklaarbare wijze worden we elk jaar weer op een prachtige nazomer getrakteerd.
De trektochten door de heuvels maken de banden sterker. We geven elkaar een hand in de modderpoel en houden het prikkeldraad voor de ander omhoog. Het begrip wordt groter, de acceptatie van ongerief sterker. Wandelend door de natuur ga je steeds meer van elkaar houden.

Na een daglang wandelen zitten we dit jaar op de cour van ons groepsverblijf Domaine de Magis in het zuiden van de Voerstreek. We heffen met elkaar een koel glas. We laven ons aan het laatste zonlicht dat op de hobbelige kasseien van de binnenplaats valt en schuiven de stoelen naar waar het zonlicht zich verplaatst. Een nazomerse namiddag, waarop er niets meer te wensen valt. Te zeggen, dat het leven voltooid is zou sterk overdreven zijn, maar het komt een beetje in de buurt.

Op zondagavond, wanneer de meeste koorleden weer naar het Noorden vertrokken zijn, zijn we nog met z’n vieren over. Het Domaine heeft zes badkamers met vier ligbaden. In de luxe ontbreken alleen de Trumpiaanse gouden kranen. We kiezen elk een eigen bad om de vermoeide benen te ontspannen en de pijntjes niet te voelen.
Een koor is als een warm bad. Ook al vallen er soms een paar koude druppels uit de kraan.

0

EEN RUIG LAND (2)

Reizen

De breedgeschouderde nazaten van de Vikingen dragen nog altijd een baard. Zo ook Einar. Hij was boer in het zuiden van IJsland, maar daar viel geen droog brood meer mee te verdienen. Bovendien heeft de jökulhlaup van 1996 (zie de vorige aflevering van dit blog) de vruchtbare weiden in dit deel van het land in een kale steenwoestijn veranderd. Veel boeren zijn een guesthouse begonnen.
Einar vervoert met zijn tractor met platte wagen toeristen over een zwartgekleurd wad naar het eiland Ingolshöfdi, een kleine puist die zich vlak onder de kust uit zee verheft.  Voor IJslanders is dit een bijzondere plek, omdat volgens de overlevering de eerste Vikingen hier aan land zijn gekomen. Voor buitenlandse toeristen is dit eiland interessant vanwege de broedende zeevogels. We struinen het eilandje af, belaagd door grote jagers, zeemeeuwen, die agressief naar de hoofden van de indringers duiken om hun broedsel te beschermen. We liggen tijden in het gras, het fototoestel in de aanslag, om een plaatje te kunnen schieten van de mateloos populaire papegaaiduiker.
Leuker nog zijn de onverwachte ontmoetingen met zeldzame vogels. Zo blijkt de eend die ik zie dobberen in een meertje bij een guesthouse een roodkeelduiker te zijn. Elders begint mijn hart te bonzen als ik zomaar een paar ijsduikers met een jong op de rug zie.
Er volgt nog een onverwachte ontmoeting. Op de terugweg van Ingolshöfdi zie ik een doodgereden scholekster op de weg liggen. Het volgende wat ik zie is dat een andere scholekster, waarschijnlijk zijn maatje, neerstrijkt op de weg, waar ik met een vaart van 90 km per uur in aantocht ben. Meestal vliegt zo’n beest weer snel op. Dit keer niet. De doffe klap waarmee de vogel onder de auto verdwijnt – witte veren vliegen op – is niet eens zo hard. Het afgebroken leven van de vogel dreunt nog lang na in mijn hoofd.

We maken een wandeling in het Hengill-gebergte.  Overal om ons heen stijgen rookpluimen op, warm water pruttelt uit kleine en grote gaten omhoog. Er staan waarschuwende borden: Haetta! De aarde dampt de hitte uit, de lucht van rotte eieren is alom. Al het warme water in IJsland ruikt zo. Dat leidt tot merkwaardige combinaties van geuren onder de douche.
Het water is in deze tijd van het jaar overal. Het stroomt van de bergen, het valt van de rotsen en het komt uit de lucht omlaag.
Als we na drie kilometer bergopwaarts in een beekdal belanden zien we een apart tafereel. Het is 8 graden, het regent en in de dampende beek liggen mensen te genieten van het warme water.
Hoe hoger we komen hoe meer we in de wolken belanden. De mist geeft de wandeling iets mystieks. Een enkele keer vermindert de dichtheid en worden we beloond met een blik op een helling met een waterval.
Dan wordt de mist zo dicht dat we het pad niet meer kunnen vinden. In het zoeken raken we eerst elkaar bijna kwijt, daarna kost het ons moeite om uit te vinden waar we vandaan gekomen zijn. Op dat moment duikt er uit de witte massa opeens een groep IJslandse wandelaars op, onverschrokken doorzetters, die ons vriendelijk en zonder veel woorden in hun midden opnemen.
Het is het onverwachte wat een vakantie sjeu geeft.
Terug bij ons vakantiehuis laten we het warme water nog eens door de hot tub stromen. De wolken zijn opgetrokken, vanuit ons verkwikkend bad kijken we kilometers ver uit over dit ruige land. De stilte om ons heen wordt slechts verstoord door het trillende geluid van een watersnip in de lucht.

1

EEN RUIG LAND

Reizen

foto: Sarah Martinet

Wie met het vliegtuig bij het eiland aankomt ziet van boven een enorme witte ijskap. Daarna kale bruine bergen, donkerblauwe meren en waterstroompjes. In het binnenland zie je geen wegen, huizen of ander teken van leven.
Rij je daarna met de auto door het land, dan zie je onherbergzame natuur, waar weinig meer groeit dan de paarse lupine. Onafzienbare velden van lavahopen bedekt met grijze mossen wisselen af met kale bergen. Bomen staan er nauwelijks. Er zijn stenige woestijnen, geelgrijs tot zwartgrijs, waar geen grasspriet groeit en geen vogel vertoeft. Een desolaat maanlandschap. Of de aarde na de atoombom. Maar dan wel met veel water.

Het moeten doorzetters geweest zijn, die hier in de 9e eeuw aan land kwamen om een bestaan op te bouwen. Mannen met baarden, de Noorse uitvoering van Jan, Piet, Joris en Corneel.  Ze kwamen in zelfgebouwde zeilschepen. IJsland noemden ze het land, omdat er grote brokken ijs met de rivier de zee indrijven. Het is er meestal koud en de winters duren lang.
Natuurlijk, ze konden er genoeg vis vangen, ook walvissen en zeehonden. Er is ruimte en stilte in overvloed. En aan de kust zijn stukjes gras waar schapen kunnen grazen. Tenminste in de zomer, als het land niet onder de sneeuw ligt.
Waar de eerste bewoners geen weet van hadden, is dat het in IJsland voortdurend rommelt en beeft onder de aarde. Ter compensatie van de kou spuwen de vele vulkanen op gezette tijden het gloeiende binnenste van de aarde naar buiten. IJsland is een pubergezicht met puisten die op knappen staan. Op tal van plaatsen zijn er rookpluimen te zien van hete, naar zwavel ruikende gassen die aan de aarde ontsnappen. Aardwetenschappers lopen er likkebaardend rond. Op andere plaatsen spuit het hete water met tussenpozen uit de grond. Wij hebben er het woord geiser aan te danken.
Ook onder de gletsjers liggen vulkanen. Als die tot uitbarsting komen smelt een deel van de ijskap en ontstaat een verwoestende watervloed. Een jökulhlaup noemen ze dat daar, alleen al het woord dwingt ontzag af. In 1996 werd zo nog een deel van de ringweg, de enige belangrijke vervoersader, vernield, waardoor het verkeer totaal ontwricht werd.

Ondanks alles zijn er door de eeuwen heen mensen blijven wonen in deze uithoek. Al zijn het er niet veel: 300.000 op een land dat 2½ keer zo groot is als Nederland. Tweederde daarvan woont in de hoofdstad Reykjavik en zijn voorsteden. Lange tijd lag het land in een isolement en was het slechts een tussenstop voor vliegtuigen die vlogen tussen Amerika en Europa. Maar de ruigheid van het land, de gigantische gletsjers en de hete, pruttelende modderpotjes, kortom alles wat het leven zo moeilijk maakt voor de bewoners, is nu juist interessant voor toeristen. Die komen er dus in groeiende aantallen, al meer dan twee miljoen per jaar. Men hoeft er geen reclame voor te maken.
Behalve de natuur en het avontuur heeft IJsland nog een troef in handen: verkwikkend warm water. Er zijn bergbeken waar je zelfs in de winter een heerlijk warm bad kunt nemen. En elk guesthouse heeft een hot tub, een warm bad in de buitenlucht. Het warme water komt er voor niets uit de grond en haalt de kou uit de lucht. Ook liefhebbers van wolkenformaties en uiteenlopende vormen van neerslag kunnen in IJsland hun hart ophalen.
Wij behoren dit jaar tot de twee miljoen. Daarover volgende week meer.