Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Reizen

0

FAMILIEHOTEL

Reizen

Uitzicht vanuit mijn hotelkamer

Wie vanuit Crodo, een plaats in de Italiaanse Alpen, de smalle weg met de vele haarspeldbochten omhoogrijdt, ziet na zo’n tien minuten boven zich de imposante gevel van Albergo Belvedere, aan de rand van het bergdorp Mozzio. Het terras voor het hotel en de vele kamers aan de voorzijde geven, zoals de naam al zegt, een prachtig uitzicht over het Valle Antigorio.
Eind augustus logeerde ik hier voor het vierde jaar, als deelnemer aan de zangweek van zangstudio Hester Noyon.

Zicht op Mozzio

In 1925 begon de familie Violetti het hotel. Inmiddels staat de vijfde generatie aan het roer, in de persoon van Marinella, een vrouw van rond de zestig. Zij heeft er tien jaar geleden voor gezorgd, dat het hotel niet samen met de toenmalige clièntele aan een einde is gekomen. Jarenlang kwamen er iedere zomer dezelfde oude gasten. Leunend op een wandelstok of aan de arm van een meegereisde dochter kwamen zij elke avond stipt om half acht naar de eetzaal, waar zij zich aan hun vaste tafeltje, met hun vaste servet en de fles wijn van de vorige dag, lieten verwennen. Elk jaar overleden enkele gasten, plaatsen die niet door andere werden opgevuld, zodat het hotel steeds leger werd.
Marinella heeft toen een andere koers ingezet. Zij bouwde een ruimte voor Spa & Welness. Het hotel werd Resort en sindsdien mag het zich in de grote belangstellling verheugen van vele Milanezen en andere Italianen die enkele dagen komen ontspannen in de zuivere berglucht. Op onze groep Nederlanders na is het een compleet Italiaanse ambiance. Het personeel spreekt alleen Italiaans en de kaart van het dagelijkse viergangenmenu geeft voor mij pas zijn geheimen prijs als ik mijn tanden erinzet. Zo kon het ook gebeuren dat ik eens op de rekening, die aan de hand van mijn paspoort was opgesteld, de aanhef las: Arnold van Dijk, burgemeester van Utrecht.

’s Morgens vroeg schept Marinella gerechten op van het ontbijtbuffet, ’s avonds schenkt zij borrels in aan de bar. Tussendoor loopt zij sloffend en met vermoeide ogen door de zaak, alsof zij de last van de wereld draagt. ‘Slapen doen we in de winter’, zo zegt zij. Haar beide zonen werken mee in de bediening. Een tante van zesenzeventig werkt als ‘kamermeisje’. Tot voor enkele jaren zagen wij een oude oma met stapels handdoeken door de gangen struinen, een oude opa knipte de rozen op het terras. Hij reed ons, zangers, regelmatig met een busje naar de zangstudio aan de andere kant van het dal. Dat deed hij ook toen de familie een nieuwe bus had gekocht, hoewel hij, in de haarspeldbochten omlaag suizend, de bediening niet meer geheel begreep. Toen hebben we om een andere chauffeur gevraagd.
Claudio, de man van Marinella, is dierenarts. Nadat hij overdag zijn arm in de kont van een koe gestoken heeft, helpt ook hij ‘s avonds nog een handje mee. Ze zijn allemaal even aardig.

Dit jaar werden wij, onverantwoordelijke en risicovolle Hollanders, in quarantaine gehouden. Men had de complete ontbijtzaal voor ons leeggeruimd, zodat wij in volstrekte isolatie van de Italiaanse keuken konden genieten. Zelfs dat was prachtig.

1

LANGS HET WATER

Reizen

Durgerdam

‘Volgende week ben ik er niet’, zei ik tegen de verkoopster in de bakkerswinkel, waar ik elke maandagmorgen mijn bestelling haal.
‘Gaat u een weekje met vakantie?’
‘We gaan een rondje rond het IJsselmeer fietsen.’
‘Zo! Op de racefiets of met de e-bike?’
Ik moest lachen. ‘We gaan op onze stadsfiets.’
‘Echt? Nou, knap hoor.’
Ik vond het geen reden om me op de borst te slaan.
Aanvankelijk wilde ik met een weekendtas onder de snelbinder op pad en zien hoever we zouden komen. ‘En wat gebeurt er met die weekendtas van jou als er een lekkere zomerse bui valt?’, vroeg G. Ik moest het toegeven: we zouden eigenlijk andere fietsen moeten hebben en goeie spullen. Maar we wilden aan het einde van de week weg.
Dus werd het een luxe arrangement, waarbij we zonder zorgen en zonder bagage konden fietsen en er aan het einde van de dag een heerlijk maal klaarstond en een goed bed. Eigenlijk bestaat er niets mooiers. Elke dag weer naar een nieuwe onbekende plek, met de zekerheid van een luxe dak boven je hoofd.

Volendam

De tocht voert vanuit Huizen door het centrum van Amsterdam en over de dijk langs het IJsselmeer naar Enkhuizen. Daar wacht het bootje naar Stavoren (‘waar wij ons diner verloren’, zong Louis Davids). Met een extra bochtje over Hindelopen naar Lemmer, door de Weerribben en langs Giethoorn, Kampen en Nunspeet terug naar het uitgangspunt. In zes dagen zo’n 375 kilometer.
We trekken door een weidse wereld, van wolken, water en weiden. Verre horizonten en hoge luchten. Smalle paden door frisgroene weilanden, langs met riet bezoomde vaarten waar het water wordt opgestuwd door de wind. We passeren de ene na de andere jachthaven, een woud van masten en touwen boven witte kunststof.
In Friesland en in de kop van Overijssel is het een parade van motorjachten. De gepensioneerde man, schipperspet op het hoofd, zit soeverein achter het hardhouten stuurwiel in zijn skaileren stoel met armleuningen. Zijn bruinverbrande vrouw leest een tijdschrift op het achterdek en wacht op een glimpje van de zon.

Giethoorn

Langs de vaarten trekt een lang lint van fietsers, van velerlei pluimage. Vier dames van in de zeventig op de racefiets, je hoeft er niet van op te kijken. Van bovenaf moet het eruit zien als een optocht van nijvere mieren. Opeenhopingen ontstaan bij bruggen die open staan om de plezierjachten door te laten. Of bij de ruimschoots voorhanden horeca met zijn innovatieve ondernemers. Aanbieding in Elburg: ‘To go – concept: puntzak friet’.
Recreatieparken zijn er ook voldoende. Er worden nog steeds nieuwe bijgebouwd (de oude zijn voor de Polen). Alle parken hebben -staete, -resort of -beach in hun naam. En ondertussen werkt de boer van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor ons dagelijks glaasje melk. Hij maait het land en spuit de gier eronder. Zoek maar een toevlucht in de berm, als hij in zijn reusachtige New Holland komt aangeraasd.
Wij gaan nog eens verzitten op ons zadel en wapperen onze tintelende handen. Het volgende warme winterdekbed en het slechte leeslampje kunnen de pret niet drukken.

0

ZEELAND RECREATIELAND

Reizen

Foto’s gemaakt door G.

‘Zeeland is een land waarvan je met heel je hart gaat houden. De wereld is hier zo wonderlijk en mooi en de menschen hebben hier zo fel geleefd. In taaien strijd met de zee hebben zij op haar de wadden veroverd en zij hebben de grond, die nog was als woeste bajerd, tot vruchtbaarheid gedwongen.’
Zo begint het artikel dat de journalist Johan van Dijk, mijn oom, in 1926 schreef voor het dagblad De Maasbode. Hij was er op uitnodiging van de VVV Noord- en Zuid-Beveland. ‘Zo’n trip is aanbevelenswaard.’
Bijna honderd jaar later fietsen en wandelen wij door dat vruchtbare land van Walcheren. Langs omgewoelde akkers waar aan de randen nog genoeg aardappels liggen om Henk en Ingrid de winter door te helpen. Langs velden waar de suikerbieten geoogst worden en de weeïge lucht je tegemoet komt. De wegen zijn hier veranderd in modderbanen. Waarschuwingsbordjes met Slik! moeten je voor een glijpartij behoeden. Op andere plaatsen trekken felrode of felblauwe tractoren, teruggekeerd van het Malieveld, diepe voren in de vette klei. De ronde bovenkant van de glimmende kluiten weerspiegelt het lichte blauw van de hemel.
‘Overal liggen de dorpjes verspreid: vriendelijke huisjes met roode daken rond een oude kerk met een sterken toren; een toren zooals alleen een krachtig volk, met gemeenschapszin, met dezelfde idealen dien kan bouwen.’

Het is een leeg land. Tussen de velden is de einder ver weg, waar je ook kijkt. ‘De Zeeuwen kunnen altijd tot den horizont….. en naar boven kijken.’ Fietsen door zo’n landschap geeft een gevoel van vrijheid. We komen in de polders niemand tegen, zoals in de ster-reclames voor auto’s de wegen altijd verlaten zijn.
‘We zijn gezegend’, zegt G., en dat wil wat zeggen voor iemand, voor wie de religie in de opvoeding beperkt bleef tot een haastig voor de maaltijd uitgesproken ‘Heerzeegdeespijsaam’.
Ondertussen jaagt de wind ongenadig over het vlakke land. Dat wil zeggen, ongenadig voor wie er tegenin gaat. De enkele boerderijen en de weinige boompjes bieden geen verweer tegen het geloei. Gelukkig hebben wij beiden in onze schoolgaande jaren door de dagelijkse fietstochten stevige beenspieren ontwikkeld. Optornend tegen de wind moet ik denken aan de wapenspreuk van deze provincie. Wie kent hem niet? Zwermen spreeuwen laten zich meevoeren op de wind, omhoog en omlaag, draaiend naar links en rechts, nog even opwippend voor zij landen in het gras.
‘Het weer heeft aan de koppen van de menschen gevreten; omdat ze zoo dicht op de aarde zitten moeten, ze met al hun zinnen een echt-menselijke strijd vechten.’

En waar je hier ook fietst of loopt, uiteindelijk kom je altijd bij het water uit.
‘De dijken zijn sterk en de mensen blijven vechten. Maar het is gebeurd, dat er groote stukken land door het water verzwolgen werden; dorpen met alles wat er leefde, werden een prooi van de losgebroken elementen’, schreef mijn oom in 1926.
Nu het water getemd is, dobberen de plezierjachten in de havens. Kitesurfers schieten over de golven onder langs de dijk bij Westkapelle. Zeeland recreatieland zong Jaap Fischer al bijna zestig jaar geleden.

1

VAKANTIE VOOR DE GEWONE MAN

Reizen

Sassnitz

Eind 19e eeuw kwam het vakantievieren aan zee in zwang. Zonnebaden uit medische noodzaak maakte plaats voor ontspanning en vertier. Aan de Duitse Ostsee lieten rijke burgers en adellijke lieden grote villa’s bouwen. Eenvoudige vissersdorpjes veranderden radicaal door de bouw van pompeuze hotels met fraai gedecoreerde houten balkons en overkappingen. Op het eiland Rügen heeft men een speciale term voor deze bouwstijl: Bäderarchitektur. Fraaie voorbeelden zijn onder andere te vinden in Sassnitz, waar wij de afgelopen week tijdens onze Ostsee Radtour een nachtje logeerden. Maar in een geheel ander soort hotel.

Prora

Het nazibewind vond dat het pootje baden aan de kust ook voor de kleine man beschikbaar moest komen. In 1935 begon men met de bouw van Prora, een megalomaan project van 10.000 appartementen op Rügen. Het zou het grootste hotel ter wereld zijn geworden, ware het niet dat in 1939 de manschappen en het materieel elders nodig waren, zodat het complex onafgemaakt bleef. De Russen hebben in 1945 nog geprobeerd om de boel op te blazen maar zagen er vanwege de grundliche Duitse makelij maar snel vanaf. Zo fietsten wij vierenhalve kilometer langs een aaneenschakeling van kolossale flatgebouwen zonder ramen. Hier en daar zijn delen afgebouwd ten behoeve van bijvoorbeeld een jeugdherberg. Projectontwikkelaars hebben likkebaardend plannen gemaakt voor het pimpen van andere delen. Niet zonder discussie natuurlijk. In Duitsland is het verleden nooit ver weg.

Hotel Rügen, Sassnitz

Ook de DDR wilde in de jaren zestig zijn bijdrage leveren aan de ontspanning van de gewone man. Als statement tegenover de luxe villa’s uit de Bäderarchitektur bouwde men in Sassnitz  Hotel Rügen, een grijze kolos van negen verdiepingen. Dit was het hotel waar wij de nacht doorbrachten. De kamers zijn aan de binnenzijde volledig nieuw ingericht. Alleen de deuren en de tegeltjes in de douche zijn nog origineel, zodat ik mij zittend op de wc-pot nog even een Partei-Genosse kon wanen na een copieus maal van kool en bieten.
Ook in het openbare leven is er weinig meer van de Oost-Duitse Staat te merken. Alleen de onafzienbare graanvelden roepen herinneringen op aan de collectieve landbouw en hier en daar passeren we een Karl Marx- of Friedrich Engelsstrasse. Alweer een derde deel van de bewoners in het oosten heeft de DDR nooit gekend. De populistische AfD heeft in deze streek een grote aanhang bij de (klein-)kinderen van de kameraden; een wrang gegeven voor de voormalige staat die een dam tegen het fascisme wilde opwerpen.

In kustplaatsen als Zinnowitz en Heringsdorf, staatlich anerkannte Erholungsorte, heerst het massatoerisme. Hier fietsten we voor de verandering meer dan vierenhalve kilometer langs de ene na de andere camping. Dichte drommen mensen liepen op de promenades langs aanbiedingen van Schweinebraten mit Pommes. Veel te dikke mannen en vrouwen, krijsende kinderen en het gestamp van techno-beats (‘Halt die Hände ho-oh’). Vakantie voor de gewone man. Op dit punt zijn de dromen van zowel Hitler als Honecker uitgekomen. Zo ongeveer dan.

1

GROETEN UIT AMELAND

Reizen

bron: eetcafé de Boerderij

Als wij het terras in Ballum oplopen vertrekt er net een gezin. Vader, moeder en drie jonge kinderen lopen naar hun fietsen toe. Terwijl wij een ogenblik stilstaan, rondkijkend welk tafeltje we zullen uitkiezen – er is genoeg plek – wenkt de ober ons. Het is een breed gebouwde man met een kaal hoofd. Hij draagt een zwart voorschoot dat tot op zijn enkels reikt.
‘Zou u dit voor mij willen invullen?’
Het is de tweede dag dat de terrassen in Nederland geopend zijn. Dus voordat wij een consumptie kunnen bestellen dienen we eerst een schriftelijke verklaring over onze medische toestand af te leggen. En in te vullen of we niet in aanraking zijn geweest met een discutabel geval. Plus onze namen en telefoonnummers. Na de ondertekening leg ik de pen terug in het bakje met pennen. De kale ober corrigeert mij. De gebruikte pen dient in een tweede bakje te worden gelegd, voor de te reinigen pennen.

We kiezen een tafeltje onder een van de hoge bomen die de beklinkerde hoofdstraat van het dorp markeren. Links en rechts zien we kleine gele huisjes uit de achttiende en negentiende eeuw.
Het gezin met de drie kinderen staat klaar om te vertrekken. De kleinste zit bij moeder voorop. Achterop vaders huurfiets zit het middelste kind en het oudste zoontje, ik schat hem een jaar of vijf, heeft zijn eigen fietsje. De ouders zien er wat gelaten uit. Alsof het uitje met de drie kinderen niet echt als vakantie voelt. Toen onze kinderen zo klein waren keek ik uit naar hun middagslaapje. Dan kon ik een boek pakken. ‘Eerst goed uitkijken’, zegt de moeder tegen de oudste zoon. Het klinkt niet alsof zij er veel vertrouwen in heeft.

We hadden gelezen, dat veel Nederlanders van plan zijn om vakantie in eigen land te vieren. Dan kunnen wij beter nu gaan, zeiden G en ik een weekje geleden tegen elkaar. We boekten een tweepersoons appartement op Ameland. Een paar dagen later zaten we met een mondkapje voor op de veerboot vanuit Holwerd. En zo fietsten we deze morgen duin op, duin af, over schelpenpaden en langs struiken die onder het wittige stof zaten. We constateerden dat we tot de kleine minderheid behoren die op eigen kracht fietsen.

De moeder van het gezin kijkt nog een keer naar links en rechts. In haar ene hand houdt zij haar fiets bij het stuur vast, haar andere hand rust op de schouder van de oudste zoon. ‘Oké, daar gaan we’, zegt ze, haar zoon een duwtje gevend. Het jongetje zet zijn voeten op de pedalen, houdt ze stil en valt om, op straat. In een vergeefse poging om de val te voorkomen raakt moeder uit balans zodat haar eigen fiets valt en het tweede kind tegen de grond smakt.
‘Zie je wel, dat gaat helemaal niet zo’, gilt ze naar de vader. Er klinkt een diep verwijt in door. Alsof hij gezegd heeft dat die knul makkelijk zelf kan fietsen en hij hem daarna aan zijn lot heeft overgelaten. Vader zegt niets. Hij zet zijn fiets neer en helpt de gevallenen weer overeind. Onderwijl buigt de kale ober voorover om onze koffie op tafel te zetten.

0

LA VIA FRANCIGENA

Reizen

Assisi

In de dertiende eeuw stond in Midden-Italië een man op om zich in te zetten voor de armen en melaatsen. Zelf koos hij ook voor een leven in armoede. Hij bedelde om eten en trok zich terug in rotsholten om in eenzaamheid te bidden. Al snel had hij een aantal aanhangers. Zo ontstond de kloosterorde der franciscanen.
Direct na zijn dood bouwde men in Assisi een kerk voor Franciscus en omdat dat niet genoeg was om zijn weldaden te gedenken, bouwde men er nog een kerk bovenop.
Vorige week liepen wij in de voetsporen van de Franciscus de Via Francigena, een langeafstandswandelpad langs plaatsen waar Franciscus vaak was. Op zondagmorgen openden wij voorzichtig de deur van de onderkerk. Er was een mis met drie heren aan de gang. De banken zaten vol met gelovigen. Daarachter drentelden de toeristen heen en weer. We bezochten ook de Eremo delle Carceri, een van de adresjes tussen de rotsen waar Franciscus graag de nacht doorbracht. We zagen veel jonge franciscanen uit Afrika en Azië. Die hadden blijkbaar van Salvini wel een toegangskaartje voor Italië gekregen.

Franciscus

Een aantal jaar geleden klommen we in Toscane naar het franciscaanse klooster La Verna. We werden ingehaald door drie jonge fraters. Achter hen lopend zagen wij dat zij blauwe spijkerbroeken onder hun bruine pij droegen. Een van hen had een boek in zijn hand waaruit hij gebeden zong. Ik vond dat nogal knap op zo’n steile klim. Zijn vrije hand bewoog mee met de melodie. Bij een nadrukkelijke passage boog hij zich naar de andere twee.
Ook toen vielen wij met onze neus in de kloosterboter. In de kerk was een gebedsdienst aan de gang die gevolgd werd door een groep zo te zien eenvoudige Italianen. Om verder niet te storen trokken we ons terug in de kloostergang en haalden een boterhammetje voor de dag. De beklimming had ons hongerig gemaakt. We hadden echter niet kunnen vermoeden dat even later de deuren van de kerk open zouden zwaaien en de broeders gevolgd door het gemankeerde volk in processie naar buiten zouden komen. Voorop liep een zanger achter een kruis. Hij zong een litanie van mogelijke narigheden, waarop de volgers telkens Ora pro nobis antwoordden. Het leek ons op dat moment niet zo passend om de lunch daar voort te zetten. Wij pakten onze spullen en zochten naar de uitgang. In de haast om de optocht voor te blijven konden we de deur niet vinden (ora pro nobis). Zo heen en weer lopend werden wij, ongelovigen met wandelstokken en rugzakken (ora pro nobis), verschillende malen opgeslokt door de stoet van zingende mensen.

Dit jaar waren we geen onderdeel van een processie. Hoog boven Pissignano passeerden we nog wel een volgend klooster van franciscanen. Hier hadden de fraters zich als kluizenaars achter meters hoge muren teruggetrokken. Meer sporen van Franciscus waren er niet. We zagen vooral olijfbomen en ladders met daarop de onderste helft van een plukker. Onzichtbaar boven tussen de takken bevond zich de andere helft. Daar riste men met een harkje de olijven van de takken, zoals ik vroeger als kind met een vork de rode bessen van de trosjes haalde. De olijfolie is in Umbrië de basis voor de heerlijkste gerechten. De vraag is wat Franciscus daarvan zou vinden.

1

KERKBEZOEK

Reizen

Wat ga je onthouden van deze kerk, vraagt G. mij. We staan in Bath Abbey, een gotische kathedraal in het Engelse Bath. De vraag is bedoeld om ons slechter wordend geheugen een handje te helpen. Het plafond vind ik wel apart, antwoord ik, of die zesenvijftig glas-in-loodramen die het leven van Jezus weergeven. Terwijl ik dit zeg, weet ik dat deze oefening vergeefs is. Over een jaar zal ik me uit het blote hoofd niets meer van Bath Abbey herinneren.
Voor het verrijken van onze kennis of voor het oefenen van het geheugen hoeven we het niet te doen. De vraag is dan: waarom bezoeken we in elke plaats de kerk?
De meest simpele verklaring is: zo ben ik groot geworden. Niet dat we vaak op stap gingen in mijn jeugd. Maar als we ergens waren, in Oldenzaal, Middelburg of Köln, dan bezochten we onder aanvoering van mijn vader de plaatselijke kerk. Overal liepen we zachtjes en vol eerbied door het middenpad, maakten een korte kniebuiging voor het hoofdaltaar en bekeken de schilderijen in de zijaltaren. Als kind zag ik weinig verschil tussen de ene of de andere kerk. Het kerkbezoek hoorde erbij, het maakte onderdeel uit van het complex van plichten dat je als katholiek nu eenmaal had.
Het geloof is nu allang verdwenen, maar de impuls om een kerkgebouw binnen te lopen is gebleven.
Een argument is, dat een kerk vaak een museum van architectuur en religieuze kunst is. Je kunt er gratis en vrijblijvend naar binnen lopen. Dat danken we toch maar aan alle gelovigen die door de eeuwen heen hun geld aan de kerk geschonken hebben. Om zich van een plekje in de hemel te verzekeren.

Je kunt een kerk ook bezoeken voor de rust en ontspanning, voor de koelte, voor een moment van bezinning. Nog nooit bezochten we zoveel kerken als in Rome. Ik herinner me (zonder dat G. er een vraag over had gesteld) dat we in een hete straat vol verkeerslawaai de hoge trappen van een kerk opliepen. We openden de deuren en stonden direct in een oase van rust en koelte. De naam van de kerk herinner ik me niet meer. Ik weet wel, dat er schilderingen waren van een armada uit het christelijke Venetië die op volle zee de moslims uit de Midden-Oosten versloeg. Dat waren nog eens tijden. We waren op dat moment de enigen in die kerk. Tenminste zo leek het. Maar opeens hoorden we dat voorin de kerk iemand een paar noten aangaf. Daarna klonk er een schitterend meerstemmig religieus lied, zo indringend, zo zuiver en zo prachtig, dat ik mijn tranen niet kon bedwingen.
Hoe is dit mogelijk, vraag ik mij nu af. Roept het gezang iets op uit een ver verleden, iets wat verloren is gegaan, iets wat ik misschien wel weer terug zou willen? Zoals klokgelui op zondagmorgen ook iets nostalgisch heeft?
In Bath Abbey geeft men niet alleen informatie over de historie van de kerk. Men probeert de bezoeker ook te interesseren voor wat de kerk nú te bieden heeft. Dat gaat me toch een stap te ver. Daarvoor kom ik niet binnen.

1

RULE BRITANNIA

Reizen

In de opera King Arthur van Henry Purcell brengt Aeolus de winden tot bedaren, zodat Britannia fier en in triomf uit de zee kan oprijzen. Daarna volgen de welbekende aria Fairest isle, all isles excelling en een trio waarin de Engelse handelswaar als superieur wordt bezongen: the British wool is growing gold. Uit dezelfde zeventiende eeuw stamt het patriottische Rule Britannia, Britannia rules the waves. De mentaliteit van ‘wij zijn de besten en wij bepalen het zelf’ is al meer dan driehonderd jaar oud.
Twee eeuwen later wordt de eigenwaan van Groot-Brittannië werkelijkheid. Met kolonies op elk continent is het een wereldmacht. De militaire kracht wordt verheerlijkt in Elgars Pomp and Circumstance Marches. Ieder jaar nog gaan de beheerste Engelsen op deze muziek uit hun dak.
Maar elke macht heeft zijn houdbaarheidsdatum. Die van het Verenigd Koninkrijk begon halverwege de vorige eeuw te tanen. De Britten lijken er nog steeds niet aan gewend.

De afgelopen tijd liepen G. en ik de Cotswold Way. Dat is negen dagen wandelen vanuit Midden-Engeland naar Bath in het Zuidwesten. Het is een Area of Outstanding Natural Beauty, een lieflijke, idyllische omgeving waar de tijden niet zijn veranderd; een parkachtig landschap waar ik als koe graag zou willen liggen. Grazige heuvels met grote oude eiken, intieme dalen met kleine beekjes, schattige dorpjes opgetrokken uit de lokale, honingkleurige steen. Je vindt hier de plaatsen die in de tijd van Henry Purcell rijk geworden zijn door de wolhandel. Het is een conservatieve regio waar alles typical English is: de grote landgoederen met statige manors, de paarden en de jachthonden, de golf courses, de Country Fair, de pubs. De Britten koesteren hun verleden. Ze blazen hier een stoomtreintje nieuw leven in. Hoor de fluit klinken over heuvels en dalen! Net als weleer.

Niet gewend om de macht te delen was Groot-Brittannië aanvankelijk niet in Europese samenwerking en in de EEG geïnteresseerd. Later slot men zich toch aan, maar het land bewaarde altijd een zekere afstand. Het ging de Britten om de vrijhandel en voor de rest wilden zij geen bemoeienis. Nu hebben enkele populisten een kleine meerderheid onder valse voorwendselen weten te overtuigen dat een terugkeer naar de glorieuze dagen van weleer mogelijk is. De globalisering voltrekt zich in een hoog tempo, maar in Britannia zingt men het lied van Wij op Ons Eiland. Lopend tussen het vee op de hellingen komt mij het beeld naar boven van Engeland als een koe, die tevreden met de ogen dicht ligt te herkauwen, terwijl achter haar de weiden in hoog tempo worden omgebouwd.
Hier in de Cotswolds gelooft men in de Brexit. ‘We kunnen toch ook handel drijven met Poetin?’, zegt onze eerste host. ‘Voordat we tot de EU toetraden ging het toch ook goed?’, zegt een ander. Een derde vreest nog wel de gevolgen voor de inkomsten. Het merendeel van de wandelaars komt uit het buitenland.
Eerlijk gezegd voel ik wel een klein beetje met de Britten mee. Wat zou het toch mooi zijn als het onbezorgde, overzichtelijke leven weer terug zou kunnen komen. Zonder milieuvervuiling, terrorisme en vluchtelingenstromen, zodat we weer het leven hebben zoals nu in de Cotswolds. Het is toch ook niet voor niets dat wij in onze vakantie dit leven opzoeken?
Als…

0

PANNE

Reizen

Op de dag dat overal hitterecords gebroken worden zitten wij in de Eurostar, de trein die ons vanuit Brussel naar London gaat brengen. Een kwartier na vertrek mindert de trein vaart en komt tot stilstand.
‘Ladies and gentlemen, we have a serious problem’, meldt de steward via de intercom. Dan valt eerst de airco uit, vervolgens het licht en tenslotte houdt ook het communicatiesysteem ermee op.
Daar zitten we dan midden op de dag in een open veld onder de hete zon in een volle trein. Hoe lang gaat dit duren, hoe houden we dit uit? Vooralsnog wacht iedereen gelaten de ontwikkelingen af. Barmedewerkers delen flesjes water en reepjes Twix uit. Een uur lang weet ik mezelf bezig te houden met de puzzels uit Trouw. Daarna lukt het me niet meer om me te concentreren. Het zweet loopt in straaltjes van mijn hoofd, mijn rug zit vastgeplakt aan de zitting. We zitten gevangen in een bakoven. Alles in mij schreeuwt om lucht, een zuchtje wind, een streepje schaduw. Ik moet me op iets anders concentreren, spreek ik mezelf toe. Anders houd ik het niet meer uit. Dan breekt de paniek door.
Rond de trein is er geen enkele beweging en geen enkel geluid. Gebeurt er eigenlijk wel iets om het probleem op te lossen? Waarom komt er geen andere voertuig om ons op te halen?
Niet alleen de trein staat stil, ook de tijd lijkt tot stilstand gekomen. Sinds de laatste keer dat ik op mijn horloge keek is er slechts vijf minuten verstreken. Na anderhalf uur meldt een rood aangelopen spoorwegmedewerker dat er een rescue train onderweg is uit Lille en dat we geëvacueerd zullen worden. Ik ben nog nooit geëvacueerd. We moeten onze koffers in de noodlotstrein achterlaten. Wanneer en waar we die zullen terugzien is een grote vraag.
In afwachting van de rescue train mogen we onze sauna verlaten. De buitenlucht van 35 graden voelt als een verademing. Het blijkt dat de achterste helft van de trein in een tweehonderd meter lange tunnel staat. In een lange rij lopen we over de brokkelige spoorkeien naar de schaduw. Er hangt een gebroken bovenleiding omlaag. Het wemelt hier van de gele hesjes: reparateurs, treinpersoneel, spoorwegbeambten, politie en brandweermannen. De agenten proberen als schaapshonden de kudde aan de kant te houden. Iemand spant over tien meter een nutteloos roodwit lint. Er worden weer flesjes water aangevoerd. Voor het overige gebeurt er niets. De gele hesjes roken en kijken op hun smartphone. Niemand heeft informatie, niemand lijkt de leiding te hebben.
Na een uur komt er over het andere spoor vanuit Brussel stapvoets een trein de tunnel binnen. Er volgt druk overleg tussen de verschillende hesjes. Water is er genoeg, maar elke informatie ontbreekt. Om onbegrijpelijke redenen duurt het nog weer een uur voordat de evacuatie kan beginnen. Een agent deelt mee, dat we eerst nog onze koffers uit de sauna moeten halen. Vervolgens trekt elk hesje zijn eigen plan en worden er tegengestelde aanwijzingen gegeven. Zo ontstaan er grote files in de noodlotstrein van groepen zwetende reizigers die met hun bagage in de smalle gangpaden op elkaar botsen.
Zes uur na vertrek zijn we terug in Brussel waar cameraploegen van lokale zenders ons opwachten en het inchecken opnieuw moet beginnen.
Overigens ben ik nog steeds van mening dat de trein te verkiezen is boven het vliegtuig.

1

INSLAPEN

Reizen

Als we naar bed gaan, zet ik de deur naar het balkon wagenwijd open, voor even. Liggend in het donker voel ik de vrieslucht naar binnen trekken, een mengeling van geuren meevoerend: van houtvuur, koeienmest en vochtig gras. Flauw lantaarnlicht legt een streep op de muur van onze hotelkamer. De koude lucht brengt niets dan stilte mee. Er is weer een dag voorbij.
Deze middag wandelden we met zijn tweeën hoog in het Ellmautal in een wijds wit winterlandschap. Verspreid over de hellingen zagen we grote boerderijen, verbonden door diagonaal lopende wegen. Het land lag ingepakt onder een dikke laag sneeuw. Hoe winters ook, het voorjaar kondigde zich aan. De zon scheen overvloedig, de temperatuur reikte naar de 10 graden. Een klein stroompje gesmolten sneeuwwater zocht zijn weg langs ons pad omlaag, puttertjes vlogen kirrend achter elkaar aan, een hoop sneeuw was van de helling op de weg gegleden, een Madurodamse lawine. Het hoge geluid van een cirkelzaag verbrak de witte stilte. Bij een boerderij werd een koe schoongespoten door de boer.
Wegen Lawinengefahr gesperrt lazen we op een bord langs ons pad. Ik kon me in deze vredige ambiance geen levensbedreigend gevaar voorstellen. We weifelden. Toen zagen we een oud bankje, recht tegenover de zon, een mooie Einkehrmöglichkeit. We laafden ons aan de zon en de schittering van het landschap. Een geborgen wereld, traditioneel, conservatief.

Ik zak langzaam weg in een halfslaap. Tussen de beelden van het Ellmautal dringen zich skibewegingen. Draai naar links, draai naar rechts. De vreugde van een kind op een sleetje. De bewegingen in het onderbewuste gaan maar door, tegen mijn zin. Er zit een angst onder, dat ik de controle verlies. Links, rechts, links, rechts. Een besef, dat er nog iets moet gebeuren, maakt me weer wakker. De frisse lucht, de wijd openstaande deur. Ik wip uit bed om de deur vast te zetten op een kier.

Hotel Alte Post, Grossarl, Salzburgerland

‘Heeft u nog moeite om aan personeel te komen?’, vroeg iemand van onze groep aan Toni. We hadden drie uur lang achter de baas van ons hotel door de tiefschnee geploegd en zaten bij te komen in een veel te warme Bauernstüberl. Toni is een man van in de zeventig die het traditionele Gasthof Alte Post in Grossarl heeft uitgebouwd tot een warm familiehotel met Hallenbad en sauna. Het grote kruisbeeld in de hoek van de Speisesaal is gehandhaafd. Wir zeigen euch die Berge is de leus. Nu Toni zijn zaak heeft overgedaan aan zoon Toni jr. trekt hij 150 maal per jaar met een groep de bergen in.
‘Het wordt steeds lastiger om medewerkers te vinden’, zegt Toni, zijn rood aangelopen hoofd vlak boven zijn bord met Würstlsuppe. ‘Ze willen tegenwoordig allemaal studeren’, klinkt het wat misnoegd.
Als jullie in Oostenrijk de grenzen niet zo hermetisch zouden afsluiten, is het probleem opgelost, komt er bij mij op. Maar ik hou mijn mond.
Vroeg in de ochtend zal ik de balkondeur helemaal dichtdoen. Elke morgen om zes uur nodigt de klok van de kerk direct naast Alte Post het dorp uit om de vroegmis te bezoeken. Drie series van tien klokslagen. Alsof er naast je bed iemand met een schoolbel staat. Een geborgen wereld.