Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Reizen

0

LA VIA FRANCIGENA

Reizen

Assisi

In de dertiende eeuw stond in Midden-Italië een man op om zich in te zetten voor de armen en melaatsen. Zelf koos hij ook voor een leven in armoede. Hij bedelde om eten en trok zich terug in rotsholten om in eenzaamheid te bidden. Al snel had hij een aantal aanhangers. Zo ontstond de kloosterorde der franciscanen.
Direct na zijn dood bouwde men in Assisi een kerk voor Franciscus en omdat dat niet genoeg was om zijn weldaden te gedenken, bouwde men er nog een kerk bovenop.
Vorige week liepen wij in de voetsporen van de Franciscus de Via Francigena, een langeafstandswandelpad langs plaatsen waar Franciscus vaak was. Op zondagmorgen openden wij voorzichtig de deur van de onderkerk. Er was een mis met drie heren aan de gang. De banken zaten vol met gelovigen. Daarachter drentelden de toeristen heen en weer. We bezochten ook de Eremo delle Carceri, een van de adresjes tussen de rotsen waar Franciscus graag de nacht doorbracht. We zagen veel jonge franciscanen uit Afrika en Azië. Die hadden blijkbaar van Salvini wel een toegangskaartje voor Italië gekregen.

Franciscus

Een aantal jaar geleden klommen we in Toscane naar het franciscaanse klooster La Verna. We werden ingehaald door drie jonge fraters. Achter hen lopend zagen wij dat zij blauwe spijkerbroeken onder hun bruine pij droegen. Een van hen had een boek in zijn hand waaruit hij gebeden zong. Ik vond dat nogal knap op zo’n steile klim. Zijn vrije hand bewoog mee met de melodie. Bij een nadrukkelijke passage boog hij zich naar de andere twee.
Ook toen vielen wij met onze neus in de kloosterboter. In de kerk was een gebedsdienst aan de gang die gevolgd werd door een groep zo te zien eenvoudige Italianen. Om verder niet te storen trokken we ons terug in de kloostergang en haalden een boterhammetje voor de dag. De beklimming had ons hongerig gemaakt. We hadden echter niet kunnen vermoeden dat even later de deuren van de kerk open zouden zwaaien en de broeders gevolgd door het gemankeerde volk in processie naar buiten zouden komen. Voorop liep een zanger achter een kruis. Hij zong een litanie van mogelijke narigheden, waarop de volgers telkens Ora pro nobis antwoordden. Het leek ons op dat moment niet zo passend om de lunch daar voort te zetten. Wij pakten onze spullen en zochten naar de uitgang. In de haast om de optocht voor te blijven konden we de deur niet vinden (ora pro nobis). Zo heen en weer lopend werden wij, ongelovigen met wandelstokken en rugzakken (ora pro nobis), verschillende malen opgeslokt door de stoet van zingende mensen.

Dit jaar waren we geen onderdeel van een processie. Hoog boven Pissignano passeerden we nog wel een volgend klooster van franciscanen. Hier hadden de fraters zich als kluizenaars achter meters hoge muren teruggetrokken. Meer sporen van Franciscus waren er niet. We zagen vooral olijfbomen en ladders met daarop de onderste helft van een plukker. Onzichtbaar boven tussen de takken bevond zich de andere helft. Daar riste men met een harkje de olijven van de takken, zoals ik vroeger als kind met een vork de rode bessen van de trosjes haalde. De olijfolie is in Umbrië de basis voor de heerlijkste gerechten. De vraag is wat Franciscus daarvan zou vinden.

1

KERKBEZOEK

Reizen

Wat ga je onthouden van deze kerk, vraagt G. mij. We staan in Bath Abbey, een gotische kathedraal in het Engelse Bath. De vraag is bedoeld om ons slechter wordend geheugen een handje te helpen. Het plafond vind ik wel apart, antwoord ik, of die zesenvijftig glas-in-loodramen die het leven van Jezus weergeven. Terwijl ik dit zeg, weet ik dat deze oefening vergeefs is. Over een jaar zal ik me uit het blote hoofd niets meer van Bath Abbey herinneren.
Voor het verrijken van onze kennis of voor het oefenen van het geheugen hoeven we het niet te doen. De vraag is dan: waarom bezoeken we in elke plaats de kerk?
De meest simpele verklaring is: zo ben ik groot geworden. Niet dat we vaak op stap gingen in mijn jeugd. Maar als we ergens waren, in Oldenzaal, Middelburg of Köln, dan bezochten we onder aanvoering van mijn vader de plaatselijke kerk. Overal liepen we zachtjes en vol eerbied door het middenpad, maakten een korte kniebuiging voor het hoofdaltaar en bekeken de schilderijen in de zijaltaren. Als kind zag ik weinig verschil tussen de ene of de andere kerk. Het kerkbezoek hoorde erbij, het maakte onderdeel uit van het complex van plichten dat je als katholiek nu eenmaal had.
Het geloof is nu allang verdwenen, maar de impuls om een kerkgebouw binnen te lopen is gebleven.
Een argument is, dat een kerk vaak een museum van architectuur en religieuze kunst is. Je kunt er gratis en vrijblijvend naar binnen lopen. Dat danken we toch maar aan alle gelovigen die door de eeuwen heen hun geld aan de kerk geschonken hebben. Om zich van een plekje in de hemel te verzekeren.

Je kunt een kerk ook bezoeken voor de rust en ontspanning, voor de koelte, voor een moment van bezinning. Nog nooit bezochten we zoveel kerken als in Rome. Ik herinner me (zonder dat G. er een vraag over had gesteld) dat we in een hete straat vol verkeerslawaai de hoge trappen van een kerk opliepen. We openden de deuren en stonden direct in een oase van rust en koelte. De naam van de kerk herinner ik me niet meer. Ik weet wel, dat er schilderingen waren van een armada uit het christelijke Venetië die op volle zee de moslims uit de Midden-Oosten versloeg. Dat waren nog eens tijden. We waren op dat moment de enigen in die kerk. Tenminste zo leek het. Maar opeens hoorden we dat voorin de kerk iemand een paar noten aangaf. Daarna klonk er een schitterend meerstemmig religieus lied, zo indringend, zo zuiver en zo prachtig, dat ik mijn tranen niet kon bedwingen.
Hoe is dit mogelijk, vraag ik mij nu af. Roept het gezang iets op uit een ver verleden, iets wat verloren is gegaan, iets wat ik misschien wel weer terug zou willen? Zoals klokgelui op zondagmorgen ook iets nostalgisch heeft?
In Bath Abbey geeft men niet alleen informatie over de historie van de kerk. Men probeert de bezoeker ook te interesseren voor wat de kerk nú te bieden heeft. Dat gaat me toch een stap te ver. Daarvoor kom ik niet binnen.

1

RULE BRITANNIA

Reizen

In de opera King Arthur van Henry Purcell brengt Aeolus de winden tot bedaren, zodat Britannia fier en in triomf uit de zee kan oprijzen. Daarna volgen de welbekende aria Fairest isle, all isles excelling en een trio waarin de Engelse handelswaar als superieur wordt bezongen: the British wool is growing gold. Uit dezelfde zeventiende eeuw stamt het patriottische Rule Britannia, Britannia rules the waves. De mentaliteit van ‘wij zijn de besten en wij bepalen het zelf’ is al meer dan driehonderd jaar oud.
Twee eeuwen later wordt de eigenwaan van Groot-Brittannië werkelijkheid. Met kolonies op elk continent is het een wereldmacht. De militaire kracht wordt verheerlijkt in Elgars Pomp and Circumstance Marches. Ieder jaar nog gaan de beheerste Engelsen op deze muziek uit hun dak.
Maar elke macht heeft zijn houdbaarheidsdatum. Die van het Verenigd Koninkrijk begon halverwege de vorige eeuw te tanen. De Britten lijken er nog steeds niet aan gewend.

De afgelopen tijd liepen G. en ik de Cotswold Way. Dat is negen dagen wandelen vanuit Midden-Engeland naar Bath in het Zuidwesten. Het is een Area of Outstanding Natural Beauty, een lieflijke, idyllische omgeving waar de tijden niet zijn veranderd; een parkachtig landschap waar ik als koe graag zou willen liggen. Grazige heuvels met grote oude eiken, intieme dalen met kleine beekjes, schattige dorpjes opgetrokken uit de lokale, honingkleurige steen. Je vindt hier de plaatsen die in de tijd van Henry Purcell rijk geworden zijn door de wolhandel. Het is een conservatieve regio waar alles typical English is: de grote landgoederen met statige manors, de paarden en de jachthonden, de golf courses, de Country Fair, de pubs. De Britten koesteren hun verleden. Ze blazen hier een stoomtreintje nieuw leven in. Hoor de fluit klinken over heuvels en dalen! Net als weleer.

Niet gewend om de macht te delen was Groot-Brittannië aanvankelijk niet in Europese samenwerking en in de EEG geïnteresseerd. Later slot men zich toch aan, maar het land bewaarde altijd een zekere afstand. Het ging de Britten om de vrijhandel en voor de rest wilden zij geen bemoeienis. Nu hebben enkele populisten een kleine meerderheid onder valse voorwendselen weten te overtuigen dat een terugkeer naar de glorieuze dagen van weleer mogelijk is. De globalisering voltrekt zich in een hoog tempo, maar in Britannia zingt men het lied van Wij op Ons Eiland. Lopend tussen het vee op de hellingen komt mij het beeld naar boven van Engeland als een koe, die tevreden met de ogen dicht ligt te herkauwen, terwijl achter haar de weiden in hoog tempo worden omgebouwd.
Hier in de Cotswolds gelooft men in de Brexit. ‘We kunnen toch ook handel drijven met Poetin?’, zegt onze eerste host. ‘Voordat we tot de EU toetraden ging het toch ook goed?’, zegt een ander. Een derde vreest nog wel de gevolgen voor de inkomsten. Het merendeel van de wandelaars komt uit het buitenland.
Eerlijk gezegd voel ik wel een klein beetje met de Britten mee. Wat zou het toch mooi zijn als het onbezorgde, overzichtelijke leven weer terug zou kunnen komen. Zonder milieuvervuiling, terrorisme en vluchtelingenstromen, zodat we weer het leven hebben zoals nu in de Cotswolds. Het is toch ook niet voor niets dat wij in onze vakantie dit leven opzoeken?
Als…

0

PANNE

Reizen

Op de dag dat overal hitterecords gebroken worden zitten wij in de Eurostar, de trein die ons vanuit Brussel naar London gaat brengen. Een kwartier na vertrek mindert de trein vaart en komt tot stilstand.
‘Ladies and gentlemen, we have a serious problem’, meldt de steward via de intercom. Dan valt eerst de airco uit, vervolgens het licht en tenslotte houdt ook het communicatiesysteem ermee op.
Daar zitten we dan midden op de dag in een open veld onder de hete zon in een volle trein. Hoe lang gaat dit duren, hoe houden we dit uit? Vooralsnog wacht iedereen gelaten de ontwikkelingen af. Barmedewerkers delen flesjes water en reepjes Twix uit. Een uur lang weet ik mezelf bezig te houden met de puzzels uit Trouw. Daarna lukt het me niet meer om me te concentreren. Het zweet loopt in straaltjes van mijn hoofd, mijn rug zit vastgeplakt aan de zitting. We zitten gevangen in een bakoven. Alles in mij schreeuwt om lucht, een zuchtje wind, een streepje schaduw. Ik moet me op iets anders concentreren, spreek ik mezelf toe. Anders houd ik het niet meer uit. Dan breekt de paniek door.
Rond de trein is er geen enkele beweging en geen enkel geluid. Gebeurt er eigenlijk wel iets om het probleem op te lossen? Waarom komt er geen andere voertuig om ons op te halen?
Niet alleen de trein staat stil, ook de tijd lijkt tot stilstand gekomen. Sinds de laatste keer dat ik op mijn horloge keek is er slechts vijf minuten verstreken. Na anderhalf uur meldt een rood aangelopen spoorwegmedewerker dat er een rescue train onderweg is uit Lille en dat we geëvacueerd zullen worden. Ik ben nog nooit geëvacueerd. We moeten onze koffers in de noodlotstrein achterlaten. Wanneer en waar we die zullen terugzien is een grote vraag.
In afwachting van de rescue train mogen we onze sauna verlaten. De buitenlucht van 35 graden voelt als een verademing. Het blijkt dat de achterste helft van de trein in een tweehonderd meter lange tunnel staat. In een lange rij lopen we over de brokkelige spoorkeien naar de schaduw. Er hangt een gebroken bovenleiding omlaag. Het wemelt hier van de gele hesjes: reparateurs, treinpersoneel, spoorwegbeambten, politie en brandweermannen. De agenten proberen als schaapshonden de kudde aan de kant te houden. Iemand spant over tien meter een nutteloos roodwit lint. Er worden weer flesjes water aangevoerd. Voor het overige gebeurt er niets. De gele hesjes roken en kijken op hun smartphone. Niemand heeft informatie, niemand lijkt de leiding te hebben.
Na een uur komt er over het andere spoor vanuit Brussel stapvoets een trein de tunnel binnen. Er volgt druk overleg tussen de verschillende hesjes. Water is er genoeg, maar elke informatie ontbreekt. Om onbegrijpelijke redenen duurt het nog weer een uur voordat de evacuatie kan beginnen. Een agent deelt mee, dat we eerst nog onze koffers uit de sauna moeten halen. Vervolgens trekt elk hesje zijn eigen plan en worden er tegengestelde aanwijzingen gegeven. Zo ontstaan er grote files in de noodlotstrein van groepen zwetende reizigers die met hun bagage in de smalle gangpaden op elkaar botsen.
Zes uur na vertrek zijn we terug in Brussel waar cameraploegen van lokale zenders ons opwachten en het inchecken opnieuw moet beginnen.
Overigens ben ik nog steeds van mening dat de trein te verkiezen is boven het vliegtuig.

1

INSLAPEN

Reizen

Als we naar bed gaan, zet ik de deur naar het balkon wagenwijd open, voor even. Liggend in het donker voel ik de vrieslucht naar binnen trekken, een mengeling van geuren meevoerend: van houtvuur, koeienmest en vochtig gras. Flauw lantaarnlicht legt een streep op de muur van onze hotelkamer. De koude lucht brengt niets dan stilte mee. Er is weer een dag voorbij.
Deze middag wandelden we met zijn tweeën hoog in het Ellmautal in een wijds wit winterlandschap. Verspreid over de hellingen zagen we grote boerderijen, verbonden door diagonaal lopende wegen. Het land lag ingepakt onder een dikke laag sneeuw. Hoe winters ook, het voorjaar kondigde zich aan. De zon scheen overvloedig, de temperatuur reikte naar de 10 graden. Een klein stroompje gesmolten sneeuwwater zocht zijn weg langs ons pad omlaag, puttertjes vlogen kirrend achter elkaar aan, een hoop sneeuw was van de helling op de weg gegleden, een Madurodamse lawine. Het hoge geluid van een cirkelzaag verbrak de witte stilte. Bij een boerderij werd een koe schoongespoten door de boer.
Wegen Lawinengefahr gesperrt lazen we op een bord langs ons pad. Ik kon me in deze vredige ambiance geen levensbedreigend gevaar voorstellen. We weifelden. Toen zagen we een oud bankje, recht tegenover de zon, een mooie Einkehrmöglichkeit. We laafden ons aan de zon en de schittering van het landschap. Een geborgen wereld, traditioneel, conservatief.

Ik zak langzaam weg in een halfslaap. Tussen de beelden van het Ellmautal dringen zich skibewegingen. Draai naar links, draai naar rechts. De vreugde van een kind op een sleetje. De bewegingen in het onderbewuste gaan maar door, tegen mijn zin. Er zit een angst onder, dat ik de controle verlies. Links, rechts, links, rechts. Een besef, dat er nog iets moet gebeuren, maakt me weer wakker. De frisse lucht, de wijd openstaande deur. Ik wip uit bed om de deur vast te zetten op een kier.

Hotel Alte Post, Grossarl, Salzburgerland

‘Heeft u nog moeite om aan personeel te komen?’, vroeg iemand van onze groep aan Toni. We hadden drie uur lang achter de baas van ons hotel door de tiefschnee geploegd en zaten bij te komen in een veel te warme Bauernstüberl. Toni is een man van in de zeventig die het traditionele Gasthof Alte Post in Grossarl heeft uitgebouwd tot een warm familiehotel met Hallenbad en sauna. Het grote kruisbeeld in de hoek van de Speisesaal is gehandhaafd. Wir zeigen euch die Berge is de leus. Nu Toni zijn zaak heeft overgedaan aan zoon Toni jr. trekt hij 150 maal per jaar met een groep de bergen in.
‘Het wordt steeds lastiger om medewerkers te vinden’, zegt Toni, zijn rood aangelopen hoofd vlak boven zijn bord met Würstlsuppe. ‘Ze willen tegenwoordig allemaal studeren’, klinkt het wat misnoegd.
Als jullie in Oostenrijk de grenzen niet zo hermetisch zouden afsluiten, is het probleem opgelost, komt er bij mij op. Maar ik hou mijn mond.
Vroeg in de ochtend zal ik de balkondeur helemaal dichtdoen. Elke morgen om zes uur nodigt de klok van de kerk direct naast Alte Post het dorp uit om de vroegmis te bezoeken. Drie series van tien klokslagen. Alsof er naast je bed iemand met een schoolbel staat. Een geborgen wereld.

0

BIDDEN OP DE TOP

Reizen

Midden in een Noord-Griekse vlakte staan reusachtige, pilaarvormige rotsen. Holen in deze rotsen werden vroeg in de Middeleeuwen gebruikt door kluizenaars. Om zich te beschermen tegen rovers en krijgsheren, klom ene Anasthasiou in de veertiende eeuw met een aantal kornuiten omhoog langs de loodrechte rotswanden. Bovenop de rots bouwde hij een klooster. Het werd een doorslaand succes. Het voorbeeld kreeg grif navolging, zodat er in de 17e eeuw vlak bij elkaar 24 kloosters op de top van een rots gevestigd waren. Dichtbij de hemel en niet gestoord door Servische of Turkse heersers, konden de kloosterlingen hun leven in alle rust aan God wijden. Bijkomend voordeel was, dat ook de belastingambtenaar zich niet aan halsbrekende toeren waagde.
Tegenwoordig zijn er nog 6 kloosters over. Er zijn stenen trappen en loopbruggen aangelegd, zodat de paters niet meer met een net omhoog gehesen hoeven te worden, zoals tot in het begin van de twintigste eeuw gebeurde. De trappen worden vooral gebruikt door toeristen. Op onze rondreis door Noord-Griekenland wilden wij dit werelderfgoed, Meteora, niet missen.

In de 11e eeuw is de verwijdering tussen de westers katholieke kerk van Rome en de oosters katholieke kerk van Constantinopel uitgelopen op een schisma. Officieel had de ruzie iets te maken met de vraag of de Heilige Geest via Jezus spreekt of via God; een onbenullige zaak, waar ik me als niet-gelovige alleen maar over kan verbazen. Hoewel de overeenkomsten in het geloof groot zijn, zien de oosterse kerken er anders uit dan de westerse. Ze zijn veel kleiner en er staat een wand vol iconen voor het altaar.
Als wij hijgend en zwetend opgeklommen zijn naar het klooster van de heilige Nikolaos Anapafsas, komt de geur van wierook ons tegemoet. Uit luidsprekers klinkt eentonig en langdradig gezang van mannen, die nog wel een zanglesje kunnen gebruiken.
De wanden van de kleine kerk zijn beschilderd met bijbelse taferelen en afbeeldingen van heiligen; platte schilderingen met uitdrukkingsloze gezichten, de hersenen op het kale hoofd zijn soms geaccentueerd om de wijsheid te benadrukken. Het zijn veel mannen met baarden, maar hier en daar zijn er geslachtloze wezens die een volwassen uitziend kind op de arm dragen. Er is veel goud wat er blinkt.
Vanuit de koepelplafonds hangt van alles omlaag: koperen en zilveren kandelaars, wierookvaten, lampen, eivormige ballen met kwasten (zoals je die in sommige kermisattracties moet zien te grijpen).
Eén van de kloosters, Roussanou, wordt nu bewoond door nonnen.
‘Daar moeten we eigenlijk ook naar toe’, zegt G en ik vind dat ze gelijk heeft.
Bij de kaartjesverkoop zit een oude non met een streng gezicht. Waarschijnlijk kan ze niet meer anders kijken. Het winkeltje met parafernalia wordt beheerd door een jonge non, ook haar gezicht neigt naar strengheid. Zij zijn gekleed in een lang zwart gewaad. Hun hoofd is, op de mond, neus en ogen na, gewikkeld in een zwart doek. Eerder op straat had ik de nonnen voor moslima’s aangezien.
Er wonen weinig kloosterlingen meer in Meteora. Sommige paters zijn gevlucht naar kloosters op het schiereiland Athos. Niet voor de Turken, maar voor de toeristen.

1

AAN HET PRESPAMEER

Reizen

Op 17 juni ondertekenden de Griekse premier Tsipras en zijn Macedonische collega Zaev een akkoord over een nieuwe naam voor wat nu F.Y.R.O.M. heet: the Former Yugoslavian Republic Of Macedonia. Het land moet voortaan Noord-Macedonië gaan heten. De zon scheen uitbundig toen de handtekeningen werden gezet. Plaats van handeling was het Griekse vissersplaatsje Psarades, gelegen aan het Prespameer, het water dat het drielandenpunt vormt tussen Griekenland, Macedonië en Albanië.
Nog geen tien dagen later lopen G en ik door Psarades. Op wandelvakantie in Noord-Griekenland staat vandaag een tocht naar Kaap Roti aan het Prespameer op het menu. De bergachtige streek met zijn meren heeft alles in zich om toeristen te lokken. Psarades is het paradepaardje van de regio, een ‘authentiek vissersdorpje’ met tal van gezellige visrestaurantjes aan de boulevard.
We zien de reclameborden op de terrassen uitnodigend klaarstaan. Maar vandaag is het stil in Psarades, wat heet: wij zijn de enigen die over de boulevard lopen. De terrassen zijn compleet verlaten. De restauranthouders wachten lijdzaam in de deuropening de eerste klant af. Kinderen zitten met een smartphone verveeld onderuit, een vrouw schilt reuzeaardappelen voor de friet, een straathond loopt met gebogen kop langs de gevels.

Psarades 25 juni j.l.

Ik moet hier aan toevoegen, dat het weer niet meewerkt. Het is hier 14 graden, bijna de helft van wat de temperatuur in het Noordwesten van Europa is. Naast de economie lijkt ook het weer zich ten gunste van het welvarende deel van Europa te keren.
Een nog niet zo lang geleden gebouwd hotel, dat zich majestueus boven het Prespameer verheft, staat leeg. Op de stenen treden naar de ingang groeit onkruid. Bloemen hebben zich in de scheuren van het asfalt genesteld. Een lege koelvitrine staat werkloos op het terras. De schijnwerpers die het gebouw in zijn glorietijd hebben verlicht staan er nog, maar de lampen zijn eruit gesloopt. Blijkbaar konden de leningen niet meer worden afbetaald.
Griekenland was deze week nog een tweede maal in het nieuws. De laatste financiële steunoperatie loopt af, het land kan weer op eigen benen staan, zo wordt geschreven. De revalidatie is echter nog niet afgerond. Boeren rijden rond in vijftiger jaren tractoren, alsof ze nog van de Marshallhulp zijn. We zien opvallend veel brommertjes, terwijl de Griek als het maar even kan in een auto rijdt.

Leegstaand hotel Psarades

‘De Griekse middenklasse is weggevallen’, zegt een hoteleigenaar. Er komen wel weer wat meer buitenlandse toeristen, maar de Grieken zelf hebben te weinig geld om uit te geven. Een andere gesprekspartner zegt, dat de pensioenen en belastingen niet het probleem zijn, maar de werkeloosheid. Wie geen werk heeft, heeft geen geld.
We lopen een leeg restaurantje binnen voor de lunch. De eigenaar veert op en loopt naar de stapel menukaarten om er twee af te pakken. Zijn vrouw verdwijnt naar de keuken om de frituur aan te zetten. Willen we een verse vis uit het meer? En de befaamde reuzebonen, hier in de omgeving gekweekt?
Buiten trekt een windvlaag over het Prespameer. Aalscholvers en pelikanen zijn op zoek naar eten.
Griekenland wankelt moeizaam overeind voor de eerste zelfstandige stappen. Het zal nog jaren duren voor het weer normaal kan lopen. Aan de marathon hoeft het land nog niet te denken.

0

CULTUUR IN FRIESLAND

Reizen

De winter was vergangen, maar de lente nog niet begonnen. In dit onbestemde intermezzo bezochten wij tijdens de paasdagen Leeuwarden. Pardon? Ja, de hoofdstad van Friesland is in 2018 de Culturele Hoofdstad van Europa. Provincie en stad zijn vooral bekend vanwege sportieve activiteiten als varen, wandelen en schaatsen. Nu wil men aan de verwachte vier miljoen bezoekers laten zien, dat stad en provincie ook op het gebied van cultuur veel te bieden hebben: cultureel erfgoed èn moderne kunst.

Toren de Oldenhove, Leeuwarden. Foto: Tryater.

Een koude wind blaast ons over de grachten en door de straatjes, langs het stadhouderlijk paleis en eeuwenoude gestichten, langs talloze creatieve werkplaatsen, kleine musea en muren met graffiti. We komen uit bij het stoere Fries Museum, waarvan het dak op poten als zeilmasten staat. Hier leren we alles over terpen en dijken en over de wereldstad die Hindeloopen ooit is geweest en die leidde tot het fenomeen Hindelooper kamer, een attractie die eind negentiende eeuw op alle wereldtentoonstellingen stond.
De tijdelijke tentoonstelling Art beyond Escher toont een aantal reusachtige eigentijdse kunstwerken, waarin niets is wat het lijkt. Combinaties van grafische vormgeving, teksten en video’s gaan met onze hersens op de loop. Het zijn vreemde werken ontsproten uit een origineel idee. Vanaf eind april is er een tentoonstelling over Escher zelf.
De moderne kunst moet het in belangstelling verreweg afleggen tegen de expositie over die andere beroemde inwoner van Leeuwarden: mevrouw Margaretha Zelle, beter bekend als Mata Hari. Deze tentoonstelling over een ongelukkig leven beleefde op 2 april haar laatste dag.
We lopen buiten verder langs opgestapelde en samengebonden terrasstoelen. We zijn met velen. Op elke straathoek staat wel iemand gebogen over het kaartje met evenementen. Grijze haren verwaaien onder de grijze lucht, de blikken omhoog gericht naar de oude gevels.

De Blokhuispoort

De Blokhuispoort, een immens negentiende eeuws gevangeniscomplex, is sinds tien jaar omgevormd tot een verzamelgebouw voor, jawel, creatieve bedrijfjes, funshops en horecagelegenheden met namen als de Bak en het Proefverlof. Ook dit gewezen leed van de ander mag zich in een grote belangstelling verheugen.
Was de criminaliteit in deze streken even groot als dit cellencomplex? Ik lees wel eens over een vechtpartij in de straten van Leeuwarden en bij veel cafés zie ik buiten een bord met de waarschuwing: ‘Agressie is hier niet toegestaan’. Naast de stadse rauwdauwers zijn er de gelovige, vrome boeren die onverwachts uit hun slof kunnen schieten. En hoeveel gehuchten in deze noordelijke streken kennen niet die eerzame huisvader, die in een vlaag van opvliegendheid de vrouw de nek om draait en het lijk in stukken in de tuin begraaft?
Er heerste en er heerst nogal wat armoe in de culturele hoofdstad van Europa. Het is niet voor niets, dat we hier naast de stamboekkoe en het Friese paard Troelstra en Vondeling op een sokkel tegenkomen en dat de PvdA in de Leeuwardense gemeenteraad verreweg de grootste partij is. De PvdA heeft ervoor gezorgd dat er ook voor mensen die nooit naar een museum gaan iets te beleven valt.
In een park met kale bomen en sneeuwklokjes dagen roze objecten ons uit om interactief met taal bezig te zijn. Ik ben een liefhebber, maar deze vormen spreken me niet aan. Mijn aandacht wordt getrokken door het etablissement De koperen tuin, in de buurt waarvan zich het gelijknamige boek van Simon Vestdijk afspeelde. Wat heb ik als middelbare scholier niet meegetreurd met hoofdpersoon Nol en zijn onmogelijke liefde.
Leeuwarden stelt zich in veel gedaanten ten toon. Oanbefelle.

3

EEN DAG IN DE TREIN

Reizen

In zestien uur lieten we ons in een geleidelijke overgang meevoeren van de alpiene sneeuw naar de Hollandse winter van regen en wind, van de grillige bergen naar de geordende vlakten, van de barokke kerken naar de kantoortorens, van het bijzondere naar het alledaagse.
Onze plaatsen waren gereserveerd, dus wachtten we op ons gemak tot we in de verte de twee gele lichten in een donker silhouet naderbij zagen komen. Terwijl de trein schokkend weer in beweging kwam, installeerden we ons in een aangename warmte op de toegewezen plekken.
We lazen een boek en maakten een puzzeltje en een praatje. We keken mijmerend uit het raam naar kleine dorpen onderaan een helling met de kerktoren en het kasteel als eeuwenoude bakens. Waar mensen hun leven met elkaar doorbrengen, in het jaarlijkse ritme van kerkelijke vieringen, optochten en zomerfeesten. We zagen op de Autobahn de voortracende Volkswagens, die door de hogesnelheidstrein tot pruttelende Piaggio-wagentjes gedegradeerd werden.
We keken naar de huizen langs het spoor, waar zich achter de ramen een onbekend leven afspeelde. Waar misschien gekookt werd, gestudeerd, geruzied of gevreeën. En waar men op zijn beurt niet geïnteresseerd was in het onbekende leven achter de ramen van de zoveelste passerende trein.
En op de momenten dat de trein tot stilstand gekomen was, keken we naar de reizigers die in optocht met hun rolkoffers op weg waren naar de uitgang, naar de rokers die samengepakt in een geel afgebakende rechthoek snel aan hun peuken trokken, naar de blije omhelzing van de reiziger die opgewacht werd en het melancholieke wuiven van de achterblijvers die een vriend of geliefde uitzwaaiden. Er was genoeg te bekijken.
De uren verstreken geruisloos. Het anonieme landschap werd grijs en we zagen we onszelf steeds beter weerspiegeld in de ruit. We aten een broodje en strekten de benen onder de ritmische cadans van de wagon en het moderne jargon van de servicegerichtheid: goedemiddag dames en heren (in Nederland: reizigers), wij heten u hartelijk welkom aan boord van onze trein, heeft u een vraag of een wens, dan sta ik met mijn team voor u klaar. Vervoerder Abellio, die de Rhein-IJssel-Express tussen Düsseldorf en Arnhem exploiteert bedankte ons voor de keuze voor Abellio (waarvan wij nog nooit gehoord hadden) en eindigde met: ‘Abellio sagt tschüss’, wat in het Nederlands vertaald werd in: ‘Abellio neemt hier afscheid van u’, alsof wij niet meer mochten meedoen.

Zoals wij kozen voor sneeuwwandelen in plaats van skiën, zo kozen we voor de trein in plaats van het vliegtuig. Heerlijk ontspannen met veel ruimte en heel milieuvriendelijk. Maar twee tot drie keer zo duur als het vliegtuig. Met dank aan de marktwerking en de onbelaste kerosine. En hoe goedkoper het vliegen wordt en hoe meer mensen het luchtverkeer verkiezen, hoe meer treinen geschrapt worden en hoe beperkter de mogelijkheden op het spoor. Voor onze heenreis wilden we aanvankelijk een nachttrein. Dan hadden we om 03.00 uur een overstap met wachttijd in Keulen gehad en om 6.30 uur een overstap met wachttijd in München.
Nu stapten we op de terugweg om 6:56 in de trein in Mezzana, Noord-Italië, en kwamen om 23:07 in Utrecht aan. De vijf verschillende treinen reden alle nagenoeg op tijd. Maar zou er ’s morgens een trein een vertraging van een half uurtje opgelopen hebben, dan hadden we Utrecht die avond niet meer kunnen bereiken.
De trein is heerlijk, de trein is schoon. Maar om dat zo te houden moet het spoor in Europees verband beter gefaciliteerd worden en zal het vliegverkeer meer belast moeten worden.

0

IN DE SNEEUW

Reizen

We worden weggebracht in een oude Fiat Panda, een Four Wheel Drive. Dat laatste zie ik pas, als we zijn uitgestapt. Had ik dat eerder geweten, dan had ik niet zo met samengeknepen billen op de achterbank gezeten, toen het Fiatje zich ronkend omhoog werkte over de smalle bosweg. Door sneeuwval was de weg spekglad en we reden langs diepe ravijnen. De auto slipte echter nergens. De bestuurder had een turquoise rozenkrans over zijn binnenspiegel hangen. Dat is onze redding geweest.
We zijn in de Dolomieten voor wandeltochten met sneeuwschoenen. Voor al diegenen die nog altijd denken, dat sneeuwschoenen een soort tennisrackets zijn waarop je als een Donald Duck door de sneeuw waggelt, hiernaast een foto van het looptuig, dat je onder je wandelschoenen bindt. Met sneeuwschoenen loop je door de maagdelijke sneeuw, hoeveel er ook gevallen is. De sneeuwschoen zorgt ervoor, dat je niet diep wegzakt in de sneeuw.
Nog wat onwennig ploeteren we de eerste dag achter de gids door het bos. Het is er doodstil. We horen alleen het geluid van onze afdrukken in de sneeuw. Ook in dit winterlandschap ruik je de naaldbomen. Soms valt er een hoopje sneeuw van een dennentak omlaag. Op het besneeuwde pad zien we de sporen van een dier. Even later wijst de gids ons op een gems. Verderop struint een hert, zo’n 100 meter boven ons. Daarna zien we er nog een paar herten. De beesten lopen moeizaam wankelend met hun lange poten door de Tiefschnee. Ze zakken er verder in dan wij.
Traag trekken we over de hellingen. Sneeuwwandelen past niet bij deze tijd. Het past niet bij het jachtig heen en weer vliegen, niet bij het hogere tempo waarin alles moet worden afgewerkt, niet bij het meerdere dingen tegelijkertijd doen. Sneeuwwandelen is slow walking. De meditatieve tak van het winterse voortbewegen. Het is lopen zoals men eeuwen geleden deed (toen er overigens nog geen sneeuwschoenen waren).
Und auf den weissen Matten
Such Ich des Wildes Tritt
(uit: die Winterreise, Wilhelm Müller, op muziek gezet door Franz Schubert).

Terug naar het oorspronkelijke wandelen, het lijkt ideaal.
Er is echter één maar, een maar die meer gaat tellen naarmate de jaren stijgen.
Wandelen met sneeuwschoenen is een inspannende bezigheid, om niet te zeggen dat het ongelooflijk zwaar is. Alsof je door mul zand een berg beklimt. Door de sneeuw ga je ongeveer de helft langzamer naar boven dan in de zomer. En heb je een beetje kleffe sneeuw dan blijven er klonten aan je schoenen hangen. Die til je mee omhoog.
Hijgend en zwetend loop ik achter de gids aan, in een verre van meditatieve toestand. Vind ik dat nog wel leuk? We zien nog wat jongelieden in snelle pakken tegen de berg oplopen. Maar ik ben 65. Is het dan niet eens tijd om sommige bezigheden te laten? Of onderschat ik waartoe zestigjarigen in staat zijn?

Op de derde dag gaan we voor de afwisseling een dagje skiën. De zon schijnt overvloedig, de pisten liggen er geweldig bij en het is relatief rustig. Hoewel we de laatste tien jaar nauwelijks geskied hebben, gaat het ons goed af. Bochtje naar links, bochtje naar rechts, op ons gemak dalen we de hellingen af. Kopje koffie, volgend liftje. Wat een heerlijke bezigheid. De vreugde van het skiën is de vreugde van het kind, dat op een sleetje van een hellinkje glijdt. Ik denk even niet aan mijn knieproblemen of spierblessures. Of aan de gebroken heup waarmee ik negen jaar geleden op de skipiste lag. Het voelt alsof ik nog jaren door kan skiën. Of overschat ik nu wat ouderen aankunnen?

Op de vierde en de vijfde dag maken we schitterende wandelingen, op sneeuwschoenen.