Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Muziek

0

DIRIGEREN

Muziek

Het projectkoor bezig met de warming-up. Foto: Wil Schraven

De afgelopen twee maanden zong ik mee in een projectkoor onder leiding van een jonge dirigente. We oefenden een afwisselend programma met muziek uit de 19e , 20e en 21e eeuw. Er waren stukken bij, onder andere van Ravel en Hendrik Andriessen, waar we hard aan moesten werken. De groep bestaat echter uit ervaren koorzangers en de dirigente is een groot talent. Ze werkte in Nederland al met professionele koren. Juist in onze oefenperiode won zij in Zweden de prestigieuze Eric Ericson Award voor jonge koordirigenten. Daarom mag zij de komende drie jaren met elf prominente Europese radiokoren werken. Succes verzekerd voor ons project, zou je zeggen. Afgelopen zondag voerden we ons concert uit. Ik was teleurgesteld. Er zaten veel slordigheden in de uitvoering. Wat ging er mis?

Een groep zangers dirigeren is geen kleinigheid. Als je afgeslagen hebt beginnen ze meteen te kletsen. Er zijn tal van details die uitnodigen tot discussie. Je moet een goede balans vinden tussen de ambitieuze zangers en de gezelligheidszangers. Er zijn altijd eigenwijze lieden die het beter menen te weten dan de dirigent. Al is het over de juiste uitspraak van de -r- in het Engeland van de zeventiende eeuw.
Ik ben wel eens inval-dirigent geweest, hoewel ik de ervaring noch de scholing hiervoor heb. Samen beginnen en samen afsluiten, dat was het doel dat ik me gesteld had en dat was soms al lastig genoeg.

Een dirigent moet op de eerste plaats de nodige muzikale kwaliteiten hebben. Een partituur goed kunnen lezen. Duidelijk zijn in de maat en de inzetten. Goed kunnen horen waar iets fout loopt en dat op een prettige manier kunnen uitleggen. Communiceren is bovendien niet alleen een boodschap zenden maar ook boodschappen ontvangen: inschatten wat een koor wil en wat haalbaar is.
Een wisseling van dirigent houdt een risico in. Nieuwe dirigenten zijn ambitieus en willen dingen veranderen. Zo hoorde ik van een dirigent die bereid was een koor te leiden, onder de voorwaarde dat hij een paar mindere broeders eraf mocht sturen. De zondebokken bleken, zonder dat de kandidaat-dirigent dit wist, allen in het bestuur te zitten. Die zaten daar natuurlijk niet voor niets.

Onze dirigente beschikt over uitzonderlijke muzikale kwaliteiten. Intonatie, frasering, dictie, van alles viel haar op. Met fraaie beeldspraak legde zij uit hoe het beter kon. Wij bassen zongen teveel als een stampend paard dat de trap oploopt. Zij deed het even voor. Op één punt ging het volgens mij fout, een belangrijk punt. Het repertoire was te moeilijk, in ieder geval voor de korte repetitietijd die ervoor stond. Hoewel de dirigente ons voor de tweede maal in een project begeleidde had zij ons te hoog ingeschat. Of beter gezegd: zij was uitgegaan van haar eigen normen, haar eigen boodschap. Ze had te weinig opengestaan voor de boodschap van het koor. Natuurlijk, wij waren geen professionals, was haar reactie toen ik haar hierover sprak. Maar het Nederlands Kamerkoor was voor haar wel het richtsnoer. Zo keerde haar ervaring in de professionele wereld zich om tot een nadeel.
Maar het publiek heeft zondag genoten.

2

NURIA

Muziek

Als sopraan Nuria Rial en het ensemble Accademia del Piacere zijn opgekomen zetten de muzikanten een instrumentaal stuk in. Nuria zit aan de zijkant, in afwachting van haar beurt. Ze schuift op haar stoel, beweegt het bovenlichaam en draait met haar hoofd. Is dit een teken van zenuwen? Je verwacht het niet maar waarschijnlijk zijn ook professionele zangers die al jarenlang op het podium staan voor elk optreden weer gespannen.
Als haar moment gekomen is, stapt zij naar voren. In haar zingen, toch een graadmeter van de emotie, is dan niets van spanning te merken. De stem beweegt soepel van hoog naar laag, van zacht naar krachtig. Snelle loopjes, barokke versieringen: ze komen er alle even gemakkelijk en soepel uit, alsof het geen moeite kost. Dat is nog zo’n misvatting: dat zingen als je eenmaal geoefend bent vanzelf gaat. Maar iedere professionele zanger moet elke dag uren oefenen. De zangers blijven regelmatig op les om hun verworvenheden bij te houden. Een beeldhouwer of een schilder beheerst zijn techniek. Een zanger moet ‘em dagelijks onderhouden.

Nuria Rial is een van mijn favoriete zangers van barokmuziek. De biografische gegevens vermelden dat zij uit Catalonië komt. Zoals zovele andere vertolkers van oude muziek kreeg zij haar vervolgopleiding aan de Musikhochschule in Basel. Ze trad op met dirigenten als René Jacobs en Trevor Pinock en met oudemuziekensembles als Collegium 1704 en L’Arpeggiata. Ze heeft er geen bezwaar tegen om oude muziek in een modern jasje te steken, zoals op de CD Händel goes wild. De oude instrumenten worden op deze opname aangevuld met een drumstel, een basgitaar en een jazzklarinet. Peter van de Lint, de muziekjournalist van Trouw, zag er een afschuwelijke godslastering in.
Nuria is misschien wel de barokzangeres met het meest warme en natuurlijke stemgeluid. Ze is het tegendeel van het aardappel-in-de-keel-gegil van Verdi-sopranen. Daarom hou ik zo van haar muziek. Haar zingen is even gewoon als van een buurmeisje, maar dan technisch volmaakt. Twee jaar geleden zagen wij haar in TivoliVredenburg met een Cavalli-programma. Daarna kwam ik heel wat optredens van haar op YouTube tegen. Het voelt een beetje alsof ik haar persoonlijk ken.

Ditmaal zingt ze liederen uit de Spaanse barok van voor mij onbekende componisten als Sebastián Duron en José de Nebra, muziek geïnspireerd op Spaanse dansen en ritmes met een belangrijke rol voor de gitaar. Het heet klassieke muziek, omdat het in de achttiende eeuw is geschreven. Je kunt het net zo goed volksmuziek of populaire muziek noemen. De ambiance van de uitvoering blijft echter klassiek. Het publiek luistert in stilte. De mystiek-religieuse teksten gaan grotendeels aan mij voorbij. Alleen in het laatste lied zijn de teksten recht voor zijn raap. Het gaat over schoonmoeders die noodweer veroorzaken en over boerenpummels die dat geen bal kan schelen.
Als het slotapplaus klinkt haast Nuria zich van haar plek voorop het podium naar achteren om tussen de instrumentalisten de toejuichingen in ontvangst te nemen, bescheiden knikkend met haar hoofd.

Een promofilmpje van CD en concert. Van een aantal van de liederen is een klein stukje te zien.

1

ALS EEN FONTEIN

Muziek

Ooit ben ik met tranen in mijn ogen van zangles naar huis gefietst. Ik was erg gemotiveerd om beter te leren zingen. Ik werkte er hard aan. Maar in de les kreeg ik voortdurend het gevoel, dat ik er nog weinig van bakte.
De vigerende zangtechniek in de klassieke muziek is ontstaan in de negentiende eeuw, toen door de steeds grotere orkesten zangers gedwongen waren om met meer volume te zingen. Een open keel en een goede ademsteun zijn hierbij cruciaal. Ik moest tijdens mijn eerste zanglessen mij voorstellen dat ik moest braken. En ik diende mijn buikspieren aan te trekken om te zorgen dat de klank niet wegzakte. De oefeningen hielpen wel. Ik bereikte een groter volume. Maar er was nog zoveel dat beter kon.

Stel je eens voor, dat de ene autorijschool je leert om soepel te schakelen, de andere vooral aandacht geeft aan je houding in de stoel en de derde je ogen en je blik het belangrijkste vindt. Dat is de situatie in de zangwereld. Voor een belangrijk deel heeft dit te maken met de stem. Een pianoleraar kan voordoen hoe je je vingers op de toetsen houdt, een zangpedagoog kan alleen met woorden aangeven wat je in je keel en je hoofd moet doen. Zo heb ik heel wat beelden langs horen komen. Van fonteinen die er aan de achterzijde van mijn hoofd uit moeten spuiten en klanken die ik via een plasgootje omhoog moet sturen tot concentratie op de trillingen tussen mijn oren. De ene dirigent vraagt om meer breedte in de klank, de ander om meer lengte.
Gewoon in- en uitademen is er niet bij. Een goede ademstroom begint bij het spannen van de bekkenbodem, een licht aantrekken van de buikspieren, het breed houden van de borstkas, een open keel, enz. En hoeveel aanwijzingen ik wel niet heb gehad om hoge noten te halen… Ik ben vooruitgegaan, maar de hoge G die voor mij geen probleem zou moeten zijn is meestal niet meer dan een hees gepiep.

Ik heb een paar veeleisende zangleraren gehad. Het leek alsof zij mij zagen als een conservatoriumleerling op weg naar de grote operarollen. ‘Heel goed’, was steevast het begin van het commentaar als ik wat gezongen had en daarna volgde een exposé over wat beter moest. Concentreerde ik met op de zojuist gegeven aanwijzingen voor de hoge noten, dan was vervolgens de frasering of de dictie niet goed. Na alle oekazes was de opdracht ‘ontspan!’ dan ook een treffend voorbeeld van een paradox. In plaats van een fontein uit het achterhoofd vloeide het vocht uit de ogen.
Het grote dilemma is dat alle instructies om iets anders te doen leiden tot meer inspanning. En meer fysieke spierspanning leidt veelal tot een slechter resultaat, zeker bij iemand als ik die het altijd beter wil doen. Misschien zitten die hoge eisen ook wel in mijn eigen hoofd.
Dit jaar ben ik begonnen met lessen volgens de Lichtenberg Methode. Daarin ligt de nadruk op ontspanning en bewustwording. Op het nalaten van allerlei inspanningen.

0

THE BAND

Muziek

The Band

Om de zoveel tijd komt er op tv een documentaire over een legendarische zanger of popgroep. Ik mag daar graag naar kijken. Zo zag ik gefilmde portretten van onder andere Bob Dylan, Simon and Garfunkel en The Beatles. De documentaires kennen alle dezelfde opzet. Een mix van opnamen van de grootste hits, in hoog tempo afgewisseld met korte quotes van zo ongeveer iedereen die een rol heeft gespeeld: bandleden, managers, opnameleiders, platenbazen, leden van de crew, vriendinnetjes. Er hing altijd een groot gezelschap om zo’n groep heen. Steevast kijken de betrokkenen met superlatieven terug. Nooit eerder had een zanger of een groep zoiets bijzonders gedaan, het betekende een revolutie in de popmuziek, het was ongekend wat er gebeurde. Kortom, de bescheidenheid is ver te zoeken.
Ook de verhalen van de artiesten lijken op elkaar. Het begint met een jongeman die – vaak tegen de zin van zijn ouders – zijn ziel en zaligheid in de muziek legt. Hij richt een bandje op, bandleden gaan en komen. Totdat er opeens een manager of een platenproducent brood in die jongens ziet en de televisie het succes ruikt. Dan begint het te lopen en zien we beelden van uitzinnige fans, gepiel op gitaren in hotelkamers, bandleden die omringd door agenten naar een wachtende auto hollen. Ik word altijd een beetje week van zulke jongensdromen. Dat duurt gelukkig maar even, want na het grote succes van de groep komt veelal de omslag: onenigheid tussen de bandleden, drugsgebruik, dalende verkoopcijfers.

Onlangs was The Band aan de beurt, een Amerikaanse popgroep die eind jaren zestig furore maakte en in de korte tijd van zijn bestaan een heldenstatus wist te bereiken. The Band was in de jaren zeventig een van mijn grootste favorieten. De groep, begonnen als begeleidingsband van Bob Dylan, maakte een mix van blues, countrymuziek en folk. Later werd deze stijl Americana genoemd. De vijf leden waren stuk voor stuk zeer muzikaal, ieder van hen bespeelde meerdere instrumenten. Het waren gewone jongens die niet naast hun schoenen liepen. In plaats van de psychedelische muziek die destijds in zwang was, grepen zij terug op de bronnen van de Amerikaanse muziek: de blues en de folkmusic en in plaats van naar de stad en de vernieuwing hunkerden zij naar de traditie van het platteland. De jongens hadden met elkaar letterlijk een hechte band. Tot het moment dat ook bij hen de drank en de drugs de splijtzwam vormden.
In de documentaire kwam er op dat ogenblik een omslag. De superlatieven maakten plaats voor ontboezemingen. Doodzonde dat de groep uit elkaar viel, dacht ik, terwijl ik naar het plezier keek dat zij uitstraalden tijdens hun laatste concert, The Last Waltz.

Destijds luisterde ik nauwelijks naar de teksten. Ik werd vooral gegrepen door de landelijke en nostalgische sfeer. Kampvuurliederen met een stevige beat. Ik heb de elpees opnieuw beluisterd. De muziek roept melancholie op, maar tegelijkertijd verbaas ik me over het eenvoudige drumgeluid, het voor de hand liggende orgelloopje, de stemmen die in de hoogte verkrampen. Vond ik dit nu het einde? Heb ik deze platen grijs gedraaid?
De ontnuchtering duurde maar even. Ik kijk alweer uit naar een volgende documentaire, het volgende verhaal van roem en mislukking, het verlangen naar wat ooit mooi was.

1

DIGITALE SAMENZANG

Muziek

Zoom sessie Vocal Group Timelez

Het is nog niet zo heel lang geleden dat er alom geklaagd werd over jongeren die de hele dag achter een scherm doorbrengen. Nu zit een groot deel van Nederland dagelijks uren naar een laptop of tablet te staren. Werken, lessen volgen, overleggen, de schouwburg bezoeken, sporten, winkelen, samen eten, familiebezoek, voor bijna alles is er een digitale vorm. Het is eigenlijk een wonder hoe al die bytes bijna ongestoord door Nederland schieten.
Het was dan ook begrijpelijk dat de meer dan één miljoen koorzangers in Nederland zochten naar digitale alternatieven voor hun koorrepetities. Zoom blijkt niet erg geschikt. De vertraging op de lijn zorgt voor verwarring. Veel koren laten zich echter niet tegenhouden en houden repetities per stemgroep waarbij de zangers kunnen meezingen met een begeleidende dirigent. Zij horen dan alleen hun eigen stem. Andere zijn zo inventief om individueel ingezongen opnamen tot één samenzingend koor te combineren, wat niet alleen een goed maatgevoel van de zangers vraagt, maar vooral veel technisch vernuft.

Jamulus dashboard

Het wachten was op een programma dat digitaal samenzingen zonder vertraging mogelijk zou maken. Dat is het programma Jamulus. Dit stelt wat hogere eisen dan Zoom. Zo moet je een kabelverbinding hebben met Internet, geen wifi. Daarnaast kan je het beste gebruik maken van een koptelefoon inclusief microfoon die je direct met de computer verbindt.
Mij stond het eigen maken van zo’n programma geweldig tegen, maar ik ben in de gelukkige omstandigheid, dat G. zich voor haar koor in Jamulus heeft verdiept en zo voor mij het bedje heeft gespreid. Op die manier kon ik mij zonder watervrees aanmelden voor een digitale koorworkshop van de Stichting Huismuziek en zat ik op zaterdagmiddag om drie uur klaar met Jamulus op de desktop en daarnaast Zoom op de laptop. Voor wie niet gezegend is met twee apparaten: je kunt de programma’s ook combineren op één scherm. Ik zat daar weliswaar trots en quasi-professioneel achter twee schermen te schakelen, maar had tegelijkertijd het idee dat mijn grens qua digitale vernieuwing zo ongeveer bereikt is.

Deze zangeres komt niet in dit verhaal voor

Het eerste half uur was nodig voor een goede soundcheck. Dat loste enkele nare bromgeluiden op, maar verhinderde niet dat ik van sommige zangers het idee had dat zij ergens buiten voor de voordeur stonden te prevelen. Desondanks voelde het geweldig en wonderlijk om zo samen te zingen.Wat ik niet verwacht had: ook hier overheersten de grijze koppen.
Bijzonder is dat je via Zoom jezelf ziet zingen. Dat kan heel educatief zijn (hoofd in rust, mond ontspannen houden). Je kunt overigens gerust in je blote kont de repetitie bijwonen, voor wie dit altijd al gewild heeft. Dan moet je wel de camera goed instellen. Bij sommigen zag ik vooral het prachtige plafond, bij anderen kon ik via het raam naar de buren gluren.
Het Jamulus-scherm bestaat uit een mengpaneel met schuifknoppen, waardoor het geluid van iedere zanger harder of zachter gemaakt kan worden. Zo heb je bij een digitaal koor het grote voordeel dat je die brommende bas of die schelle sopraan buiten de deur kan zetten. In deze workshop solliciteerden enkele alten daarnaar. Hoe goed de techniek ook werkt, het gezamenlijke resultaat blijft afhankelijk van de individuele kwaliteiten.

Kijk op www.huismuziek.nl voor het Jamulus-aanbod voor zangers.

0

TINTINNABULI

Muziek

In 2015 zong ik voor de eerste maal koormuziek van de Estse componist Arvo Pärt (geboren 1935). Met projectkoor D’Allure besloten we een optreden met Da Pacem. Dirigent Fokko Oldenhuis had de zangers van de vier stemgroepen door elkaar opgesteld en verspreid over het hele podium, als in een coronaproof-opstelling avant la lettre. Zijn bedoeling was dat iedere zanger zich onderdeel van het geheel zou voelen. Zodat de individuele stemmen ondergeschikt werden aan de samenklank. Het was een uitdaging, die niet bij iedere zanger goed uitviel. Degenen die de steun van hun eigen partij misten vielen door de mand en mochten bij het volgende project niet meer meedoen. Ook in de amateurkoormuziek is men soms bikkelhard.

Arvo Pärt begon zijn compositie-carrière met experimentele muziek. Een hoop kabaal, vrijgevochten 12-toons muziek, niet om aan te horen. Hij verdiende nog wat brood met het componeren van filmmuziek. In het begin van de jaren zeventig kwam hij in een spirituele en professionele crisis. Hij begon zich te verdiepen in gregoriaanse muziek en de muziek van de renaissance. Dat was de omslag. Daarna componeerde hij eenvoudige, verstilde muziek, met lange muzikale lijnen. Hij noemde dat zijn tintinnabuli stijl, naar het Latijnse woord voor klokjes of bellen. Sommigen noemen het minimal music. Pärt maakt gebruik van een beperkt aantal noten, die in steeds verschuivende harmonieën terugkeren. Liefhebbers horen hierin het geluid van de eeuwige Estse bossen, waarin Pärt zich heeft teruggetrokken. Anderen zijn diep onder de indruk van het spirituele gehalte van zijn muziek. De stiltes vindt Pärt net zo belangrijk als de noten. Er staan weinig aanwijzingen in zijn composities uitgezonderd de plekken waar hij een Grote Stilte wil. Zijn muziek is de laatste jaren heel populair geworden. In de klassieke top 400 van radio 4 staan tien composities van Pärt, tegen, bijvoorbeeld, vier van Vivaldi en vijf van Brahms. Spiegel im spiegel belandde na Bachs Matthaeus en Mozarts Requiem op de derde plaats. Ter gelegenheid van de vijfentachtigste verjaardag van de componist maakte Hans Smits onlangs de podcast Het pad van Pärt, te vinden op de site van radio 4.

Arvo Pärt is erg geliefd bij koordirigenten en koorzangers. De noten zijn gemakkelijk. Maar als het adagium, dat muziek méér is dan de goede noten zingen, ergens opgaat, dan wel voor deze muziek. Het lijkt gemakkelijk als je twaalf maten achter elkaar een g moet zingen, maar juist met alle verschuivende harmonieën om je heen, is het een hele kluif om vast te houden aan de zuivere g. Je moet in die lange lijnen je adem goed zien te verdelen en niet tegelijk met anderen ademhalen. Je moet veelal zacht, maar wel duidelijk inzetten.
Ik heb nog wel eens ambitieuze dirigenten, die niet goed inschatten wat het koor aan kan, de mist in zien gaan. Dan krijg je aarzelende, bibberende inzetten, het ontbreken van spanningsbogen en onzuivere intonatie. Zakkende sopranen en wegvallende bassen, wat doet meer pijn aan je oren?
Sinds 2015 heb ik een aantal stukken van Pärt gezongen bij verschillende koren. Het is mooie muziek, waar je stil van wordt. Waar je als luisteraar je ogen bij sluit. Muziek als tegenwicht tegen de jachtigheid van deze tijd. Prachtig. Als het met mate wordt opgediend.

5

PYNARELLO

Muziek

Vernieuwing van klassieke muziek, is dat mogelijk? Is niet juist het kenmerk van deze muziek dat het oud is? Alle noten liggen vast, veel componisten hebben ook nog eens gedetailleerde aanwijzingen meegegeven voor de uitvoering. Wie tien opnames van Mahlers vijfde symfonie beluistert hoort enig verschil in tempo of in helderheid van de opname. Maar zeker voor de niet-kenner zijn die verschillen verwaarloosbaar. Zijn de kansen op vernieuwing dan ook niet gering?
Of het haalbaar is of niet, een verandering is wel nodig. Want niet alleen de muziek is van vroeger tijden, ook het publiek is overwegend verstokt en grijs.
De Griekse dirigent Teodor Currentzis brengt met zijn bevlogenheid en perfectionisme nieuw elan. Ongewone versieringen, fluisterstille passages, instrumenten die eruit springen, wij vonden het een belevenis en kijken al uit naar de volgende keer dat hij in Utrecht komt (helaas niet in het komende seizoen). Holland Baroque werkt bij ieder programma weer samen met muziekmakers uit andere stromingen: jazz, wereldmuziek, cross-over. Podium Witteman haalt voortdurend vernieuwers in huis.

Nu is er dan Pynarello, een ‘rebellencollectief’ dat in allerlei opzichten dwars tegen de aloude conventies ingaat. In plaats van zittend op een stoel musiceren alle orkestleden staand. Ze spelen zonder dirigent en alles uit het hoofd. Wij waren onlangs bij een uitvoering van Dvorak’s Negende symfonie, bijgenaamd ‘Uit de nieuwe wereld’.
Het eerste wat opvalt is de verscheidenheid in kleding. Niet het uniforme zwart, maar een veelheid aan kleuren en stijlen. Een violiste in een avondjurk en op sneakers, een ander casual gekleed. Er speelt een man in vrouwenkleren. De musici staan niet in de traditionele groepen opgesteld, maar door elkaar heen, om een kern van vijf cellisten heen die in het midden het tempo ondersteunen.
Voor de eerste inzet kijkt men naar elkaar, ademt tegelijk en zet dan spatgelijk in. Om maar even aan te tonen dat je ook met vijfenveertig musici geen dirigent nodig hebt. Mijn oog valt voortdurend op een van de bassisten die plezier en bevlogenheid uitstraalt. Zo is het met meer musici. Ze draaien zich om naar elkaar, ze draaien zich om naar het publiek, ze leggen – zoals dat heet – verbinding met iedereen.

Tijdens het toegift

De crux is: als je de noten en de afspraken in je hoofd hebt, dan ben je niet gericht op je partituur, niet gericht op de dirigent, maar op je medemusici. Dan maak je samen muziek. Je draait niet als eenling mee, maar bent verantwoordelijk voor het geheel. De andere energie die dat geeft is voelbaar in het publiek. Al na het eerste deel springen enkelen uit het publiek joelend op, zoals Italianen dat doen na een fraaie aria. Het ontbreekt er nog aan dat het publiek staand toekijkt en meebeweegt.
Frits van der Waa gaf Pynarello’s uitvoering van de Vijfde van Beethoven vijf sterren, het hoogste aantal. ‘Zo’n coherente Vijfde heb je nog nooit gehoord.’ Peter van de Lint in Trouw, normaal gesproken niet zo van het nieuwe, schreef over de uitvoering van Dvoraks symfonie: ‘De dynamiek was geweldig voel- en hoorbaar.’
Voor het toegift werd het publiek uitgenodigd om op het podium plaats te nemen, tussen alle orkestleden. Ook dat is weer een vorm van verbinding leggen. Ik wist een plekje te vinden tussen twee hoorns en een trombonist. Dat heb ik geweten.
Hierbij het derde deel uit Dvoraks Negende.

2

IN DE OPERA

Muziek

We have sacrificed uit King Arthur

Ik moet bekennen dat ik vrij laat was met mijn eerste keer. Ik was al vijftig toen ik voor het eerst naar de opera ging. We werden verleid tijdens een bezoek aan Verona. In het Romeinse amfitheater stond Aïda van Verdi op het programma. Weliswaar moesten we eerst drie uur wachten tot het gestopt was met regenen. Maar daarna ontrolde zich een schitterend spektakel van licht, enscenering en muziek.
Tien jaar later op bezoek in Weimar, op zoek naar sporen van Bach, konden we La Nozze di Figaro van Mozart niet voorbij laten gaan. Ook deze opera werd gezongen op een bijzondere locatie: het klassieke theater van Weimar. Ik had enkele aria’s niet lang daarvoor in mijn zangles gestudeerd. Dus het was genieten.
De afgelopen jaren heb ik enkele malen zelf meegezongen in opera’s, als koorlid en solist in King Arthur en Dido en Aeneas van Henry Purcell, muziek die ik nog graag beluister.

Toch houd ik niet van opera. En zeker niet van wat veelal als hoogtepunt in dit genre wordt beschouwd: de negentiende-eeuwse werken van componisten als Rossini, Puccini en Verdi. Ik heb thuis geprobeerd om ernaar te luisteren, maar er is geen vonk overgesprongen. Het zal wel met mijn jeugd te maken hebben. Te vroom katholiek.
Ik vind de verhaallijnen potsierlijk en overdreven: heimelijke verliefdheden, verbroken relaties, intriges en moordpartijen van het soort waar de huidige sensatiepers van smult. RTL Boulevard in klassieke vorm. Kostuumdrama’s met overspel, wroeging en een verlangen naar de dood als enige uitweg. Grootse woorden die bij mij weinig gevoel opwekken of het moet ongeloof of irritatie zijn. Sorry operaliefhebbers, maar sommige libretti doen me denken aan het Theater van de Lach met zijn verkleedpartijen, mannen in vrouwenrollen, vermommingen en verstoppertje in de bezemkast.
Muzikaal gezien valt er natuurlijk veel te genieten. De orkestpartijen in Don Giovanni van Mozart vind ik meesterlijk, maar ja, dan zijn er altijd weer de recitatieven, die saaie en muzikaal weinig interessante tussenstukken. Bovendien, de recitatieven klinken zo onnatuurlijk. Misschien is dat nog wel wat mij het meest in opera’s tegenstaat. Waarom zou je teksten als ‘de avond valt’ of ‘het eten wordt opgediend’ op muziek zetten? Waarschijnlijk bevalt Purcell me daarom zo goed: hij maakt geen gebruik van recitatieven.

Deze week van de hitparade op radio 4 wil ik gebruiken om een recente ontdekking hier te delen. Geen opera, maar een nieuwe interpretatie van het welbekende Miserere van Allegri. Een compositie uit 1638 met een relatief simpele melodie en een eenvoudig ritme, een monument van religieuze verstilling. Er zijn mooie uitvoeringen door Engelse ensembles als the Tallis Scholars of The Sixteen waarin de hoge sopraan er loepzuiver uitspringt.
Het Franse ensemble Le Poème Harmonique doet het anders. Geleidelijk voegen de zangers allerlei versieringen toe, waardoor een complex geheel ontstaat met schrijnende dissonanten. Ik was er diep door geraakt, zoals dat heet. Het is bijna alsof je een nieuw stuk hoort. Hierbij een kwartier durende opname van een live uitvoering onlangs in de Jacobikerk in Utrecht.

1

BRAZILIAANSE RITMES

Muziek

D’Allure in 2017 in Brazilië

Al enige jaren ben ik lid van D’Allure, een kamerkoor voor geoefende zangers van 60 jaar en ouder. Het koor oefent overdag tijdens de daluren. Vandaar die naam.
Wie dit blog al een tijdje volgt zal zich wellicht herinneren dat ik twee jaar geleden met D’Allure op reis was in Brazilië. We waren daar te gast bij Unicanto, een katholiek kerkkoor, dat zich buiten de kerk toelegt op swingende Braziliaanse arrangementen.
De afgelopen weken maakte Unicanto een reis door Europa. Ze mochten zingen in de Sixtijnse kapel. Dan tel je wel mee.
Natuurlijk kwamen de zangers ook naar Nederland, zodat D’Allure iets terug kon doen voor de twee jaar geleden genoten Braziliaanse gastvrijheid.
Op donderdag was er een gezamenlijke dag in Utrecht. Gehuld in blauwe clubtenues kwamen de Brazilianen binnen. Donker getinte naast blonde mensen. Nakomelingen van Afrikanen, indianen, Aziaten en Europeanen. In doorsnee kleiner dan de Nederlandse zangers en zeker een stuk jonger.
Er volgden omarmingen, zoenen en veel vriendelijk lachen naar elkaar. De meeste zangers spreken alleen Portugees en de meesten van ons komen niet verder dan een Hollands uitgesproken Bom dia of Tudo bem? Daardoor bleven Bolsonaro, de branden in het Amazonewoud en het voetbal onbesproken.

Unicanto op 19 september j.l. in de Geertekerk in Utrecht

Samen zingen ging een stuk beter, al waren ook op dit punt de verschillen aanzienlijk. We hadden een dag tevoren de partituur van Berimbau toegestuurd gekregen. De percussionist van Unicanto legde uit dat dit een vechtlied was uit de Afrikaanse traditie. Het is een sterk ritmisch lied met veel tempowisselingen en overgebonden noten. Ik had thuis geprobeerd om de beat te leren uit de partituur, maar dat was me totaal niet gelukt. Ik ben niet geboren voor het ritme. Geholpen door de Brazilianen kwam ik donderdag een heel eind.
Onze dirigent had voor het samenzingen Cantate Domino van de Amerikaanse componist Mark Hayes uitgekozen, ook een ritmisch stuk. Wij Nederlanders passen ons aan. Wij zingen Portugees mee, maar we laten de Brazilianen geen Nederlands zingen.
Terwijl wij in de middag onze eigen stukken repeteerden, gebruikten de Brazilianen de tijd om nog eens lekker te shoppen. Met volle tassen kwamen zij ’s avonds de Geertekerk binnen voor het gezamenlijke concert.
Dat werd een aardige clash van culturen. Mendelssohn na de bossa nova en een samba gevolgd door Tsjaikovski. Zingen uit het hoofd tegenover zingen uit partituren. Gepolijste tegenover minder geoefende stemmen. Swing tegenover een plechtig Onze Vader. Beweging tegenover stilstaan.
In Brazilië werden wìj destijds toegejuicht alsof wij het winnende voetbalelftal waren. In de Geertekerk werd voor Unicanto het meest hartstochtelijk geapplaudisseerd. Wat van ver komt is aantrekkelijk (maar niet altijd).
Met de gezamenlijk gezongen stukken brak de grote verbroedering aan.
Berimbau, berimbau, berim – bau.
De Braziliaanse dirigent sprak nog een paar mooie woorden over verbinding en liefde. Hij was net op audiëntie bij de paus geweest. Thuisgekomen vond ik een goudkleurig zakje met Braziliaanse snoep in mijn tas. Bananen-, pinda- en cocossnoepjes. Een zoete herinnering.

Bij gebrek aan een opname hierbij een een-stemmige versie van Berimbau.

 

0

DE TEKST BIJ DE MUZIEK

Muziek

In een lied van Acda en de Munnik is de hoofdpersoon niet alleen dolverliefd op een vrouw, maar ook doodsbang, dat zij hem weer zal verlaten. Om dit conflict op te lossen eindigt het lied met deze regels:
Als je bij mij weggaat
Mag ik dan met je mee.
Een schitterende vondst.
Maar is de gedachte wel zo nieuw, vroeg ik me deze week af toen wij ons weer eens onderdompelden in de Matthäus Passie van Bach. Zou de schrijver van Als je bij mij weggaat wellicht het koraal kennen dat direct na het sterven van Jezus wordt gezongen?
Wenn Ich einmal soll scheiden
So scheide nicht von mir.
We waren bij de uitvoering door Reinbert de Leeuw, Holland Baroque en het Nederlands Kamerkoor, een uitvoering waarvan de juichende kritieken al waren vooruitgesneld. Vooral de tenor Benedikt Kristjansson vonden we prachtig. De jonge IJslander ontdeed de rol van de evangelist van zijn saaie trekken en nam ons mee in een spannend verhaal. Op alle hoogten en in alle dynamieken klonk zijn stem heel natuurlijk en boeiend. Benedikt Kristjansson, onthou die naam.
Misschien kwam het wel door zijn innemende verteltrant, misschien ook door het expressieve zingen van solisten en koor – zij zongen alsof zij de zinnen voor het eerst van hun leven voordroegen. Maar misschien kwam het ook door wat ik het afgelopen jaar heb gelezen ten behoeve van het boek over mijn heeroom. Als jonge monnik werd mijn oom steeds maar weer getrokken naar het lijdensverhaal in het evangelie van Johannes. Als hij in een stil hoekje van de kerk de eerste zinnen gelezen had, hoefde hij niet verder te lezen. Hij ging in gedachten mee met Jezus en voelde diens angst en hij vroeg zich af, of hij in zo’n situatie de beker zou drinken, die de vader hem gegeven heeft.
Waar het ook door kwam, dit jaar drong de tekst van het passieverhaal veel meer dan anders tot mij door. Toen gebeurde er iets wonderlijks. Nadat Pilatus weer eens uit zijn Richthaus tevoorschijn was gekomen en verklaard had dat hij geen enkele schuld bij Jezus kon ontdekken, was ik plots weer het jonge kind, dat het ontzettend onrechtvaardig vond, dat Jezus terechtgesteld werd. Dat had helemaal niet hoeven te gebeuren! Jezus heeft alleen maar goede werken verricht en dan komt die slapjanus van een Pilatus die zijn handen in onschuld wast en zich overlevert aan de onderbuik van het volk, dat nog liever een moordenaar vrijlaat! Wie had dat in de week van het debat over Michael P. kunnen denken.
Mijn kinderlijke opwinding had natuurlijk geen enkel nut. Jezus antwoordde al lang niet meer. Hij gaf zich zonder verzet over omdat zijn vader dit zo gewild had en omdat daarmee de voorspelling van de profeet vervuld werd. De plot was allang beschreven.
Sein Blut komme über uns und uns’re Kinder zingen de joden en zo wortelt in dit verhaal ook nog eens het antisemitisme dat jarenlang binnen de katholieke kerk gewoon was. Het wachten is op de politiek correcte actiegroep die de Matthäus wil verbieden.
De kracht van de muziek overwint echter alles.
Hierbij nog een tip voor een schitterende Johannes onder leiding van Peter Dijkstra.