Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

NO FUTURE

Herinnering
Vorige week was het tv-programma  Andere Tijden gewijd aan de tachtiger jaren.
De tachtiger jaren, dacht ik, wat was dat ook al weer voor tijdperk?
Op een snikhete middag in juni 1984 zit ik met een groot aantal mensen en een vracht aan rugzakken en tenten opgepropt  in een busje. Een warme wind waait door de openstaande raampjes, zweetdruppels staan op de gezichten. We zijn van het station Bergen op Zoom op weg naar de vliegbasis Woensdrecht. Gedurende twee dagen en nachten zal de basis door actievoerders worden omsingeld als uiting van protest tegen de plaatsing van kruisraketten. Na aankomst wordt iedere demonstrant ingedeeld in een van de ploegen, die in wisseldiensten een quasi-belegering zullen uitvoeren.
Mijn ploeg heeft een plek ergens onder de naaldbomen, niet ver van het actiekamp. Er zitten onder meer twee opgewekte meisjes uit Utrecht bij, een geheel in het zwart gekleed duo krakers uit Nijmegen en een stille jongen, die als vrijwilliger in een werklozencentrum in Wageningen werkt.
Daar zitten we dan aan het einde van de middag, op het bosgras en de boomstronken, als vreemden tot elkaar veroordeeld. We zitten naast het metershoge hek van de vliegbasis. Aan de bovenzijde is het hek afgewerkt met prikkeldraad. Aan de andere zijde, op de grond, liggen rollen prikkeldraad.
Het eerste uur verloopt uiterst traag. De stemming lijkt bedrukt. Er komt langzaam een gesprek op gang over het nut van de actie.  Verschillende groepsleden vinden zo’n zit-actie onvoldoende. ‘Zoals meestal met dit soort acties’. Er moet veel meer gebeuren, vinden zij. De meisjes uit Utrecht halen na een tijdje een bundel met actieliederen uit hun rugzak. Aan de andere kant van het hek loopt een marechaussee met een grommende hond langs.
Tussen de diensten door eten we in het basiskamp. Er is ook een muziekpodium. Actievoeren zonder muziek is ondenkbaar. Terwijl een keukenvrijwilliger mijn bord vol schept met een linzengerecht, zie ik een groep actievoerders met ontbloot bovenlijf heen en weer springen op een beukend lied van een punkband. No future zijn de woorden die ik opvang. Elders is een vergadering van vertegenwoordigers van autonome groepen. Er wordt bekend gemaakt dat er inlichtingen verzameld moeten worden over de bewegingen van de mobiele eenheid. Het verbaast mij dat vredesactivisten in militaire termen gaan denken.
Als het donker is geworden, heeft onze ploeg zijn plaats aan het hek weer ingenomen. Een campinglichtje verspreidt koud licht. Geregeld vliegen helicopters laag over. Ze maken een oorverdovend lawaai en beschijnen de omgeving met een felle lichtbundel. Het doet angstaanjagend aan. Het is nog niet het begin van een oorlog, maar ik zie hier bevestigd dat ik mij ooit op S5 heb laten afkeuren.
Als er hier iets gedood moet worden dan is het de tijd.
Er ontstaat in de groep een gesprek over werken. Ik vertel dat ik in de GGZ werk. Ik voel in de schemer de kritische blikken. Iemand zegt, dat actievoeren zijn werk is. Een ander zegt dat ie never nooit voor een baas zal werken. Dat het sowieso een kutmaatschappij is. Het autonome meisje uit Nijmegen voegt er aan toe, dat ze nooit kinderen op deze klotewereld zal zetten. Ze kijkt even om naar haar vriendje. Ik durf niet meer te zeggen, dat mijn vriendin en ik juist besloten hebben dat we kinderen willen.
De meisjes uit Utrecht laten een zak chips rondgaan. De stille werkloze uit Wageningen heeft al aardig wat sterke drank naar binnen gewerkt. Hij deelt de drank niet. Hij kijkt nu minder vaak weg. Er lijkt iets in hem te borrelen, zijn ogen staan wijd open. Ik ben bang dat hij in een doldrieste eenmansactie over het hek zal klimmen of dat hij zich, bij gebrek aan toekomst, voor het front van de groep in de rollen prikkeldraad zal werpen.
Na twee dagen eindigt de actie. De woordvoerders van de autonome groepen laten weten, dat met deze omsingeling een krachtig signaal is afgegeven. Er was uitgebreid gediscussieerd over plannen om de basis op te gaan, maar daarover was geen overeenstemming bereikt. Hier en daar klinkt boegeroep. Als alternatief is besloten om met een ludieke actie te eindigen. Iedere actievoerder wordt opgeroepen om als daad van afkeuring tegen het hek te pissen. Even later zie ik vooral vrouwen naast het hek hurken. Hier en daar watert een  man tegen het prikkeldraad. Dat staat tot hun geluk niet onder stroom.

 

1

VOORUITGANG IN VLEUTEN

Herinnering
In mijn kinderjaren woonde ik aan de Hamweg in Vleuten. Tot begin zestiger jaren was dat een onverhard weggetje dat vanuit de kern van het dorp tussen weilanden en boomgaarden naar het westen liep. Ons huis was het laatste huis. Het weggetje werd daar aan één zijde begrensd door scheefstaande knotwilgen en een ondiep slootje. Enkele honderden meters na ons huis liep de weg dood op het houten hek van een weiland.
Elke werkdag kwam de melkboer langs, Dirk Fokker. Zijn wagentje werd getrokken door een wit-bruine pony. Voor de melkboer was ons huis een keerpunt op de route. Zijn pony greep het moment van rust regelmatig aan om zijn darmen te legen. Zodat wij wegfietsend van ons erf altijd bedacht moesten zijn op het vermijden van een grote hoop. Dat was voor ons de normaalste zaak van de wereld. Paardendrollen hoorden bij het leven, zoals de brandnetels onder de knotwilgen en de kwakende kikkers in het slootje.
In het begin van de zestiger jaren bereikte de vooruitgang onze woonomgeving. Lawaaierige werktuigen haalden de hagen en fruitbomen omver en draglines verplaatsten grote hoeveelheden grond als voorbereiding op de bouw van een nieuwe wijk. De Hamweg werd bestraat en omgedoopt in den Hamstraat. Ook Dirk Fokker ging met zijn tijd mee. Hij verruilde zijn ponywagen voor een electrisch gedreven Spijkstaal wagentje. Het voertuig kon voor ons huis gemakkelijk draaien. Het liet zelfs geen remsporen na.
Het was rond die tijd, dat mijn moeder aan Dirk vroeg of hij in de zomertijd misschien een goede hulp kon gebruiken. Ik ging naar de eerste klas van de middelbare school en had minstens anderhalve maand vakantie. Na drie dagen ga je dan eens om je heen kijken of er nog wat te doen is.
Zo gebeurde het dat ik mij op een maandagmorgen om 7.00 uur meldde bij de melkzaak van Fokker in de Schoolstraat. Enkele minuten later zoefden we zachtjes, de deur van de Spijkstaal open, door de Stationsstraat op weg naar de eerste klanten. Dirk zat breeduit achter het stuur op het met skai beklede bankje. Ik leunde met één bil op de kleine plek die nog over was. Ik durfde niet te vragen of hij wat kon opschuiven.
Bij de eerste klant gekomen, aan de Julianastraat, stapte ik direct de wagen uit en holde het tegelpad op. ‘Doe maar rustig aan’, riep Dirk. Een hulp kon hij wel gebruiken, maar alles op zijn tijd.
Nadat we de wijk Achter het Spoor bediend hadden, stak Dirk om half tien in de ochtend een sigaar op. Ook dat behoorde bij de vooruitgang.
Ik kreeg het zuivelvak snel onder de knie. Ik leerde bij welke klant je aan de voordeur moest zijn en bij wie je achterom liep. Voor wie ik losse melk in een melkkoker moest tappen, waar ik flessenmelk diende te bezorgen en waar taptemelk. Bij welke huisvrouw contant werd afgerekend en bij wie er op rekening werd geleverd.
De vooruitgang in het melkwezen bestond uit de introductie van een plastic zak melk. Die moest het sjouwen met statiegeldflessen overbodig maken. Bij de zak werd een blauwe, hard plastic schenkkan geleverd. Je plaatste de zak in de schenkkan, knipte een hoekje uit de melkzak… en schenken maar!
 
 
Oneindig vaak heb ik Dirk het verhaal horen vertellen over zijn collega in Maarssen die – om de kracht van de plastic zak te bewijzen – een zak naar een klant had geworpen. Met fatale afloop. De vooruitgang verloopt niet altijd gladjes.
Toen ik een paar weken tot tevredenheid van mijn baas had meegewerkt werd ik bevorderd. Ik kreeg  een zwarte leren geldtas, zodat ik zelf kon afrekenen. Daar kwam geen bon of papiertje aan te pas. Teruglopend van de wagen telden we de bedragen in ons hoofd op. De klant, met de portemonnee al geopend in de hand, accepteerde zonder vragen de optelling.
De volgende fase was, dat Dirk het afrekenen veelal aan mij overliet. Hij had in de gaten gekregen dat ik heel snel kon hoofdrekenen. Dirk hield daardoor meer tijd over om te kletsen met zijn klanten. Dat vond ik wel een nadeel, want ik wilde altijd snel verder. Na de middagpauze volgde nog de Schoolstraat. Daar leek nooit een einde aan te komen. 
Mijn loon werd in de loop der tijd verhoogd van 10 gulden naar 12,50 contant op een dag. De vooruitgang was niet te stoppen. 
0

SNELLE PIETJE

Herinnering

Voordat ik ga slapen, pak ik mijn kleren voor de volgende dag. Ik leg een schone onderbroek, een paar sokken, een overhemd in de kamer naast onze slaapkamer. Maar niet mijn broek. Die leg ik op de stoel naast mijn bed. In mijn kontzak zit namelijk mijn portemonnee en ik ken het verhaal van mijn buurman. Die had ooit een inbreker in zijn huis. Terwijl hij op één oor lag te ronken, pikte de dief beneden het geld uit buurman’s broek. Daarom hou ik mijn broek altijd bij mij. Dat deed ik ook die ene keer, dat wìj bezoek kregen van een inbreker.

Op een middag in september was ik alleen thuis. Ik lag met 39 graden koorts in bed en voelde me zo ellendig dat ik alleen maar in staat was om te liggen. Een radiootje naast mij bracht het nieuws van de ramp met de veerboot Estonia.
Er werd aangebeld. Dat kan op dit uur alleen maar iemand zijn die mijn schoorsteen wil vegen, dacht ik. Of die mijn meubels opnieuw wil bekleden. Ik bleef liggen. Tien minuten later ging de bel opnieuw. Zou dat dezelfde verkoper zijn? Daarna hoorde ik het krakende geluid van scheurend hout.

Zo slap als ik was, zat ik toch direct overeind in bed. Ik luisterde gespannen en hoorde nogmaals het gekraak van het hout.
Dat lijkt onze voordeur, dacht ik en als dat klopt, dan is er iemand bezig om in te breken! Het zal toch niet! Laat het een geluid bij de buren zijn, ik ben ziek.
Toen hoorde ik onze voordeur opengaan. Een golf van angst en paniek spoelde over mij heen. Ik moet iets doen, ik moet er naar toe, maar ik lig hier in niets dan een onderbroekje, dat helpt niet mee als je fors wil optreden, en ik heb vandaag geen honkbalknuppel bij de hand, alleen maar een klerenhangertje, dus die indringer ziet me komen in mijn onderbroekje met mijn klerenhangertje  en wie weet heeft hij wel een of ander wapen, maar ik moet nu wel iets doen.
Ik trok mijn kamerjas aan, opende met bonzend hart en slappe knieën de deur en liep, het koord van de jas nog vastmakend, naar beneden. Halverwege de trap zag ik in de hal een blonde man staan. Hij was een jaar of veertig en hij had een schroevendraaier in zijn hand.  Op dat moment was het geen anonieme indringer meer, geen gevaarlijk sujet, geen engerd uit een film.
‘Godverdomme, klootzak, idioot..’ begon ik te schreeuwen. Woede helpt je over je angst heen.
De man keek geschrokken op. Terwijl hij zich snel omdraaide en naar buiten schoot, nam hij mijn gevloek over: ‘godverdomme, teringlijer!’. Het werd op deze manier een stuk voor twee vloekende heren.

Zijn vlucht maakte mij sterk. Ik was in twee sprongen beneden. Daar zag ik dat de man buiten zijn fiets pakte. In alle haast om weg te komen, struikelde hij nog en viel half over de fiets heen, zijn schroevendraaier in zijn hand. ‘Godverdomme’, hoorde ik opnieuw. Misschien had ik hem op dat moment kunnen pakken. Ik had echter zonder nadenken de achtervolging ingezet, niet wetend of ik hem wilde verjagen of oppakken. Hij maakte van mijn kleine aarzeling gebruik en schoot er alsnog met zijn fiets vandoor. Godverdomme, dacht ik.
Niet veel later arriveerde de door mij gealarmeerde politie. Hoewel de deur al uitnodigend open was gezet, werd er beleefd aangebeld. De twee agenten hadden nauwelijks aandacht voor de kapotte deur en al helemaal niet voor mij in mijn kamerjas. Zij inspecteerden direct ramen en deuren op inbraakrisico’s en adviseerden een pakket preventieve maatregelen. Mijn koortsige hoofd begon weer op te spelen.
Enkele dagen daarna, toen de koorts gezakt was, heb ik op het politiebureau een dikke ordner met honderden foto’s van inbrekers doorgeploegd. Ik concentreerde me op de blonde types. Op elke pagina zag ik wel een man die leek op mijn tegenstrever en bij elke volgende pagina dacht ik: ‘dit is ‘em’.  Aan deze database waren helaas geen geluiden verbonden, bijvoorbeeld van vloeken en schelden. Onverrichter zake keerde ik naar huis terug.
Jaren later las ik in het Stadsblad, dat Snelle Pietje, een drugsverslaafde inbraakrecidivist, weer eens was opgepakt. Er stond zowaar een foto bij het artikel.
Dat was ‘em dus. De man die zo razendsnel over zijn fiets kon struikelen.

0

IN JE BLOOTJE

Herinnering
 In de zeventiger jaren was het vak filosofie een verplicht onderdeel voor psychologiestudenten. Het werd mij al snel duidelijk dat de toenmalige filosofen tot een apart slag wetenschappers behoorden. Ze droegen lange baarden of grote hoeden. De lector inleiding tot de wijsbegeerte ontving regelmatig naakt zijn bezoek.

Ik keek daar niet van op. De opdracht van de filosofie is om het denken over het leven te stimuleren en achter iedere vraag weer een nieuwe waarom-vraag op te werpen. Wat zou het dus voor de menselijke communicatie betekenen als je alle uiterlijke verschijnselen en opsmuk zou afleggen? Zonder kleren is er geen verschil tussen een professor en een vuilnisman.
Daartoe uitgedaagd liet ik mijn gedachten gaan over de kwestie van het naakte gastheerschap. Ik vroeg me af, hoe ik mijn bezoek het beste zou kunnen ontvangen. Gewoon direct in mijn nakie en met een pokerface de voordeur van mijn studentenhuis openzwaaien of het bezoek eerst meenemen naar mijn kamer en daar luchtigjes en quasi-onopgemerkt een striptease uitvoeren?

Ik concludeerde al snel, dat het niets voor mij was. Ik was groot geworden in het bedekken of verzwijgen van alles wat maar tot enige opwinding zou kunnen leiden. De verschoning van het ondergoed eenmaal per week deden we in de beslotenheid van de badkamer met de deur op slot. Voor het aantrekken van de zwembroek gebruikten we alleen een eenpersoons kleedhokje of we zaten schichtig kijkend met één hand te sjorren onder een grote badhanddoek, die we met de andere hand krampachtig vasthielden. Het appèl van de lector was aan mij niet besteed.
Nog geen jaar later beleefde ik mijn coming-out.
Een vriend nodigde mij uit voor de sauna. M. woonde op kamers bij een mentor, een leraar van onze middelbare school. Gedrieën liepen we naar de zolder van het huis, waar in een hoekje een houten hokje stond. Enigszins gespannen trok ik mijn kleren uit. In mij streed de neiging tot wegkijken om voorrang met de nieuwsgierigheid naar het lijf van de anderen. Nadat ik geconstateerd had, dat we gelijkwaardig waren geschapen, viel het schaamtegevoel weg en richtte de aandacht zich op het weerstaan van de hitte in het hokje.
Na tien minuten liepen we een etage omlaag. Daar dompelden we ons onder in een badkuip met koud water. Vervolgens ging het verder naar beneden, via de achterdeur de langwerpige tuin in. In het duister paradeerden we in ons blootje het tuinpad op en neer.
Alle spanning was van mij afgevallen. Ik voelde geen enkel schaamtegevoel meer. Integendeel, ik wilde daar nog uren lopen. Het voelde als een bevrijding. Weg met die oude bekrompenheid! Voorbij het stiekeme gedoe! We zouden weer teruggaan naar een natuurlijk leven, zonder opsmuk, zonder poses, zonder maskers.

Het eerste wat ik deed toen ik die avond laat weer terug kwam op mijn studentenkamer, was mezelf  uitkleden. Ik zette Cat Stevens op en liep nog een tijdlang in mijn blootje door de kamer te niksen. Ik wilde het gevoel van bevrijding vasthouden.
Ik was blijkbaar niet de enige die er aan toe was. Bij de Maarsseveense plassen werd een van de ligweides tot naaktstrand bestempeld. Het was een kleine strook gras, door dichte struiken omzoomd en het was er altijd rete-druk. Hoewel er genoeg ligweides waren met een zee van ruimte, wilde ik perse naar het nudistengedeelte om me daar heerlijk bevrijd te voelen tussen al die andere bevrijde mensen.
Vriend T zei me, dat hij er niet over dacht om er heen te gaan. Hij was ervan overtuigd, dat hij daar een eeuwigdurende erectie zou krijgen vanwege alle borsten en billen. Met zo’n vlaggenstok loop je natuurlijk niet op je gemak naar de waterkant.
‘Maar als iedereen bloot is, wordt het juist heel gewoon, dan voel je geen opwinding’, wist ik. ‘Juist als je sommige delen gaat bedekken en andere niet, stimuleer je de spanning’.
‘Ach, klojo, ‘antwoordde hij, ‘ik ben zelf een keer in Zandvoort op het naaktstrand geweest, dus ik weet heus wel hoe dat gaat’.
Ik probeerde hem tevergeefs te overtuigen.
We waren het er wel over eens, dat je in buikligging beter een zwelling kunt krijgen op het plooibare zandstrand aan zee dan op de harde klei rond de Maarsseveense plassen. Ik weet niet of we daarmee tot een filosofisch inzicht waren gekomen.

 
0

OP ZOEK

Herinnering
Vorige week kwam ik J. tegen. Dat was in jaren niet gebeurd. Wij kennen elkaar uit de eerste helft van de jaren zeventig. Tezamen met nog acht andere studenten woonden we in een studentenflat aan de van Lieflandlaan in Utrecht.

Als eerste bewoners van de groepswoning hadden we elkaar niet uitgekozen. De Stichting Studentenhuisvesting had een mix gemaakt van leeftijden en studierichtingen, maar wel alleen mannen bij elkaar geplaatst. Naast ons was een woning voor vrouwelijke studenten. Dat gaf voldoende bekijks over en weer.
In onze groepswoning deelden we het sanitair en de keuken cq huiskamer. Ieder zette zijn eigen pot pindakaas in zijn eigen keukenkastje. Alleen de drank werd uit kostenoverwegingen gezamenlijk bij Groothandel Nectar ingekocht. Het verbruik werd bijgehouden op een turflijst.  Op huisvergaderingen was een terugkerend onderwerp van gesprek hoe de niet geturfde flesjes verrekend moesten worden: elke bewoner een gelijke bijdrage of naar gelang de omvang van het verbruik.
In de keuken stonden twee elektrische fornuizen. Van menig fluitketel is onbedoeld getest hoe lang deze kon droogkoken zonder krom te trekken. Van de twee Israëlische studenten in huis leerden we dat ha majm rotchien betekent dat het water kookt.
Na enige tijd kwamen de gezamenlijke maaltijden in zwang. Tenminste als er iemand op de kooklijst een K van Koken had ingevuld. Soms stonden er dagenlang alleen de X-jes van de mee-eters op de lijst. Na afloop van het eten werd er direct en contant afgerekend. ‘Mag ik van jullie 2,95 pp vangen?’
Natuurlijk was er een jaarlijks huisfeest. Dat was voor veel bewoners een goede aanleiding om de kamer eens flink op te ruimen. Dan konden alle gasten op de grond zitten. Het allereerste huisfeest heb ik niet tot het einde meegemaakt. Iemand had mij geadviseerd om eens sherry te proberen. Huisgenoot F had, met de kennelijke bedoeling om de buurvrouwen te behagen, een aantal grote mandflessen voor een spotprijsje in huis gehaald.  Met mijn moeder’s gezegde Onderzoekt alles en behoudt het goede in mijn achterhoofd was ik niets vermoedend aan de sherry begonnen. Halverwege het feest stond ik op mijn kamer met mijn hoofd boven de wastafel, die achter de klerenkast was verstopt. Ik zag alle zorgvuldig gemaakte hapjes weer naar buiten komen. Dit leek mij niet het goede wat behouden diende te worden.

We discussieerden veel. Over het autoritaire onderwijs, over de zin van het meedoen aan demonstraties,  over het koningshuis, over Barend Biesheuvel (Ba-rund, -rund –rund, -rund, -rund), over van alles. We waren eensgezind als het ging om de afkeer van tradities en autoriteiten. We waren het er impliciet ook over eens, dat wij het anders konden doen en dat we het zelf in handen hadden. Maar we konden flink van mening verschillen over welke kant het uit moest. Het waren oefeningen in debatteren en overtuigen. De discussie eindigde pas als iemand de zwart-wit TV aanzette. Dan keken we in gezamenlijkheid naar Avro’s Toppop (‘tip drie-drieeh-drieeehh’). Of ieder trok zich terug op zijn eigen kamer van 3 bij 4, met biezen tegels, grote bandrecorder, sierasperge en citroengeranium.
We waren allen bezig om op eigen benen te gaan staan en de wereld te verkennen. We waren op zoek naar wat we belangrijk vonden in het leven, naar houvast voor de toekomst en zeker ook naar de ware liefde, die we nog geen van allen gevonden hadden.
We waren tegen strikte normen en geboden, maar we hingen overal briefjes op.
Naast de telefoon hing de waarschuwing: ‘vergeet niet de tikken te noteren!!!’. Op de deur van de douche hing, op instigatie van een Brabantse zoon met aanleg voor smetvrees de regel: ‘douche altijd met lysol reinigen’. Ik had op de wc de volgende boodschap achtergelaten: ‘als je carrière wil maken, begin dan hier met het ophangen van een nieuwe wc-rol als de oude op is’.
Of we carrière gemaakt hadden, was een vraag die tijdens het gesprek met J. vorige week niet ter sprake kwam. Wel deelden we met elkaar de ervaring,  dat de tijd hard is gegaan. Dat er, anders dan we destijds dachten, dingen gebeuren in je leven, die je niet in de hand hebt. Dat het omkijken is begonnen.  

0

VOL OP HET ORGEL

Herinnering, Muziek
Dit is uw orgel Heer, dit is uw kerk
‘k Loop zo maar binnen Heer, net van mijn werk

Zo begint het lied Mijn gebed over een liefhebber van orgelmuziek. Het werd gezongen door een Nederlandse zanger, die om onduidelijke redenen de artiestennaam D.C. Lewis had bedacht. In 1970 had hij een nummer-1-hit met dit lied. Daarna hebben we nooit meer iets van D.C. Lewis gehoord, maar elk jaar kom je Mijn gebed weer tegen in de top 2000.
In het 2e couplet komen een paar zinnen voor die al jaren ergens door mijn brein zweven en zo af en toe onaangekondigd naar boven komen:
Ik ben niet hervormd of zo, niet katholiek
Ik kom hier alleen maar Heer voor de muziek
Na deze strofe ging de organist van dienst, Feike Asma, vol op het orgel. Dat was het wijd en zijd bekende Garrelsorgel van de Groote Kerk in Maassluis.
Waarom ik deze regels onthouden heb is voor mij een raadsel. Ik hou van allerlei soorten muziek en veel instrumenten zijn mij lief. Maar als ik iemand op een orgel hoor soleren dan haak ik subiet af.
Ik heb een hekel aan al die in elkaar overvloeiende noten, die dreunende tonen en vooral die zware galm. Ik vind het gekunsteld klinken als er een nieuw register wordt opengetrokken, alsof je een mechanische truc op een speelgoedinstrument uithaalt.
Orgelliefhebbers argumenteren dat een orgel eigenlijk een groot orkest is. Groot is het zeker, daarover hoeven we geen discussie te voeren. Het orgel  is de olifant onder de muziekinstrumenten. Zo dendert de muziek regelmatig door de kerkelijke porceleinkast. Niettemin gaat mijn grote bewondering uit naar meneer Garrels en zijn voorgangers die het instrument hebben ontwikkeld. Minstens evenveel bewondering heb ik voor de mensen die zo’n instrument met twee handen en twee voeten weten te bespelen.
Zoals de klank van een piano of een cello niet in zichzelf een positieve of negatieve waarde heeft, zo zijn de tonen van het orgel ook niet lelijk van zichzelf. Mijn afkeer moet daarom terug te voeren zijn op de omstandigheden waarin ik het orgelspel leerde kennen: het langdurig knielen op houten kerkbanken, een schijnheilige preek en opgelegde dogma’s.

Eenmaal heb ik mijn tranen laten lopen bij het horen van orgelmuziek.
Het was in 1976, ik was 24 jaar en met een groep op bezoek in de Sovjet-Unie. De reis, georganiseerd door de Vereniging Nederland-USSR, ging naar Moskou, Leningrad en Riga. Op het programma stonden bezoeken aan onderwijsinstellingen, jeugdverenigingen en bedrijven. Daarnaast waren er in elke plaats culturele uitjes. In Riga bezochten we ’s avonds een orgelconcert in een protestante kerk. We zaten op harde, rieten stoelen met een ingezakte zitting. Het rook er naar boenwas. Voor mij zat een vrouw met een grote, grijze knot, die mij elk zicht ontnam. Dat was echter geen enkel bezwaar, want het orgel en de organist bevonden zich achter ons. Het voltallige publiek zat met zijn rug naar de musicus gekeerd. Naast de vrouw met de knot zat een magere man in een eenvoudige, grijze regenjas. Bij zijn bakkebaarden sprongen enkele grijze krulharen onder de rand van zijn pet uit.
In afwachting van het begin van het concert vroeg ik me af of met deze man nu de Nieuwe Mens werd bedoeld, waarover tijdens onze bezoeken veelvuldig was gesproken.
Toen het orgel onaangekondigd inzette, stopte het geroezemoes in de kerk terstond. Zachte, ijle mineurtonen vulden de ruimte. Het was alsof de smart van het leven de kerk binnenkwam, maar ook de troost van de muziek. Ik werd overvallen door mijn eigen tranen. De man met de pet voor me hield zijn ogen gesloten. Zou een Nieuwe Mens mogen huilen?
Toen het adagio overging in het allegro besefte ik dat mijn tranen niets te maken hadden met de kerk, met Händel of het orgel, maar alles met mijn eigen gemoedstoestand. Ik was in die dagen op zoek naar een nieuwe maatschappij en ik was me er in het Oostblok van bewust dat dat ideaal verder weg was dan ooit. Bovendien ik was verliefd op het verkeerde meisje in de groep. Dan weet je het wel. Dan zijn een paar mineurtonen voldoende, al is het van een orgel.

0

PATER VAN VREE

Herinnering
In het najaar van 1963, ik ben dan 11 jaar oud, stappen mijn vader en ik op een koude zondagmiddag uit de trein in Tilburg. We zijn op weg naar de paters Oblaten van de heilige Franciscus van Sales. In het missiehuis Ave Maria kunnen jongens een opleiding tot priester volgen.

Destijds was het ideaal, dat elk katholiek gezin een priester zou voortbrengen. Alle hoop was daarbij op mij gevestigd. Enkele jaren daarvoor was een neef tot priester gewijd. Hij was in een open rijtuig als een held in ons dorp binnengehaald. Dat leek me nog wel wat. Maar ik gruwde bij de gedachte aan een internaat.
We worden door een jonge pater binnengelaten in een hoge, betegelde hal waar elke voetstap de stilte verstoort. Spaarzaam licht valt binnen door twee smalle, gebrandschilderde ramen aan weerszijden van een donkere, glimmende trap tegenover de ingang. De stilte voelt beklemmend. Uit een lange, stenen gang klinkt ver weg het sluiten van een deur. Voetstappen naderen en even later zien we een pater van middelbare leeftijd met een grote glimlach op ons afkomen.
‘Pater van Vree’. Hij neemt mijn hand in zijn beide handen en schudt langdurig. Ik herken in hem de pater die enkele maanden daarvoor als uit het niets bij ons aan huis was geweest. Hij was ook toen  zo overdreven vriendelijk. Hij wist dat ik bij de verkenners was en dat ik goed kon leren. Hoe wist die man dat, vroeg ik mij af. Ik vertrouwde hem niet.
We krijgen een kopje thee geserveerd in een ontvangstkamer. ‘Neem gerust twee koekjes’, zegt pater van Vree breed lachend. ‘Dank u wel’, antwoordt mijn vader beleefd. Op een lage tafel staat een grote varen, rond de pot liggen missieblaadjes uitgespreid. Pater van Vree vertelt hoe alle jongens in dit huis hun best doen om het elkaar naar de zin te maken. Na een weekendje thuis komen ze  graag weer terug. Ik kijk uit het raam. Ik wil helemaal niet weg van huis.

Dan leidt de pater ons rond. We gaan eerst naar de recreatiezaal, die deze zondagmiddag vol is met jongens die spelletjes doen. We staan stil bij een tafeltennistafel, waar een jongen in een zondags pak het opneemt tegen een jonge priester in een zwart habijt. Dan maakt pater van Vree met een miniem gebaar van zijn ogen duidelijk dat de jongen plaats moet maken voor mij. Ondanks dat ik meeste ballen met het harde batje naast  de tafel sla, zegt de priester dat hij kan zien, dat ik aanleg heb. De jongen beijvert zich om alle ballen die ik missla weer razendsnel op te rapen. Dat zou ik nooit doen, als ik op bevel mijn beurt had moeten afstaan.

We lopen de trap op. ‘Hier is de kamer van de recreatiepater’, zegt pater van Vree. Hij klopt bescheiden op de deur. ‘Ik denk wel dat hij er is’, zegt hij met een vette knipoog naar mij.
In de kamer zit een jonge pater achter een bureau. ‘Goeiemiddag, zèèg’, klinkt het met een zachte g.
‘Hoe vind je het hier?’, vraagt hij mij vriendelijk.
‘W-wel mooi’, stotter ik.
‘Hou je ook van sporten?’
De recreatiepater vertelt uitgebreid over de sporten en buitenspelen op het internaat. ‘Wij doen hier van alles, eens even kijken’, hij opent een bureaula en zoekt tussen de paperassen. ‘Aha, hier’. Hij overhandigt mij een foto met handtekening van Reinier Paping. ‘Weet je wie dat is?’ Wat een domme vraag, denk ik.
‘Je mag die foto houden’, zegt pater van Vree.
‘Is dat even mooi’, antwoordt mijn vader, ‘dank u wel’.
Na de bezichtiging van de slaapzaal met chambrettes en de studiezaal eindigt de rondleiding in de kapel. Het is er donker en ijskoud. Op het altaar brandt een vlammetje in een rood glaasje. Mijn vader schuift de voorste bank in en knielt. Ik volg hem en knijp mijn ogen dicht. Ik wil hier weg, naar huis en naar mijn moeder. ‘Daar moet ik nu niet aan denken’, spreek ik mezelf toe, ‘ik moet nu bidden’. Ik bid voor de mensen die erg ziek zijn. En dat er vanavond geen auto-ongelukken zullen gebeuren. ‘Onze vader die in de hemel zijt… ’
Ik wacht tot mijn vader opstaat. Die komt overeind als pater van Vree weer terugloopt.
Bij het afscheid legt de pater een hand op mijn schouder. Hij buigt zich naar me toe. ‘Kom gerust nog eens een keertje kijken’. ‘Dank u wel’,  zeg ik beleefd. Ik neem mezelf voor om nooit meer terug te komen. Mijn vader bedankt de pater omstandig, diverse keren zijn hoofd buigend.  

Als ik thuis de achterdeur openzwaai en de keuken binnenstap, flikkert het kleine lichtje van het petroleumstelletje dat de koffie warm houdt. Mijn moeder komt ons met een blij gezicht tegemoet. Ik wil haar om de hals vliegen, maar hou me in.
Met de Kerst komt er een kaart van pater van Vree, daarna ook met mijn verjaardag.
Hij heeft dit vijf jaar volgehouden. Ondertussen hadden mijn ouders besloten, dat ik in Utrecht naar het gymnasium zou gaan. Dan kon ik daarna altijd nog de overstap naar het seminarie maken.
Nog voordat ik het gymnasium had afgemaakt, had ik afscheid genomen van de kerk.

0

GEVOELENS VOOR HET VADERLAND

Herinnering, In het nieuws
 In San Francisco waren wij ooit aanwezig bij een baseballwedstrijd tussen de San Francisco Giants en de Philadelphia Phillies. Voordat de strijd op het veld losbarstte zette een volumineuze sopraan op de werpheuvel het Amerikaanse volkslied in. Het werd op slag doodstil op de volle tribunes. Iedere toeschouwer ging staan. Mensen zetten hun baseballpet af en draaiden zich, de rechterhand op het hart, naar de Amerikaanse vlag. Slechts op het moment dat de zangeres aan het einde even flink uithaalde, werd de stilte onder het publiek onderbroken door een ondersteunend ‘yeah’. Amerikanen zijn trots op hun land en zij laten dat blijken ook.
Zoveel vaderlandsliefde is er nooit door mij gestroomd. We hebben niet eens een vlag die wij voor het vaderland kunnen uitsteken. Ik moet bekennen, dat ik de laatste jaren nog wel eens een brok in mijn keel voel als ik het Wilhelmus hoor. Maar waar zich dat voordoet, is dat denk ik een brok die er al langer zit en niet één die uit patriotisme voortkomt.
Voel ik me wel eens trots op Nederland? Is er iets waardoor ik in het buitenland met de borst vooruit ga lopen? Ik zou niet goed weten wat.
Ik vind het aardig om te horen als men in het buitenland ons koningshuis so cute vindt en de tulpen so lovely. Ik beaam het als men onze voorliefde voor baggeren en droogmalen roemt en ben het natuurlijk volkomen eens met degenen, die vinden dat dat kleine Nederland altijd zo mooi voetbal speelt. En toen ik deze week las dat de firma ten Cate uit Nijverdal, voormalig fabrikant van onderbroeken, nu de chassis voor de nieuwe Alfa Romeo gaat leveren, begon er wel degelijk iets te gloeien in me. Als ik Berlusconi weer eens tegenkom, dan zal ik zeggen: ‘Lekker puh! Dat kan Dolce & Gabbana niet. Voor je zelfbeheersing kan je je beter een stevig chassis van ten Cate laten aanmeten. Hollands fabrikaat!’
Omgekeerd komen er genoeg affaires in mij op, waarover ik in het buitenland liever geen vragen zou willen horen. Leidenaren die een pedofiel op het schavot terecht willen stellen. Geert Wilders en het  Polenmeldpunt. Srebrenica. Mocht ik daar ooit komen, dan zou ik niet weten wat te zeggen. Juist vanwege het besef, dat als ik daar zelf gediend had, ik net zo vrolijk na afloop met Karremans de polonaise had gelopen.
Het minst wil ik herinnerd worden aan ons koloniale verleden, hoe Holland rijk werd van de slavenhandel in West-Afrika en hoe kapitein Westerling zijn executies uitvoerde in de kampongs van Zuid-Celebes.
De afgelopen tijd las ik het boek Na de bevrijding van Ad van Liempt. Dat gaat onder meer over de wijze waarop de Nederlandse politiek in de jaren na de Tweede Wereldoorlog geprobeerd heeft om de  macht in Nederlands-Indië te herstellen. Een onthutsende geschiedenis.
Een belangrijke reden voor het herstellen van het gezag was dat de inkomsten uit de koloniën weer op gang moesten komen. Dat het leger van 135.000 soldaten een miljoen gulden per dag kostte, geld dat niet aan de wederopbouw besteed kon worden, is een van de ongerijmdheden in deze geschiedenis. Na de verkiezingen in 1948 trok de KVP alle posities in het Indië-beleid naar zich toe. Onder de verhullende noemer politionele actie werd er een oorlog gevoerd die op tal van momenten nog voorkomen had kunnen worden. Het voortdurend wankelende kabinet kreeg het voor elkaar dat de Veiligheidsraad van de VN eensgezind een resolutie tegen Nederland aannam. Nederland werd de risee van de internationale gemeenschap en moest zich met de staart tussen de benen uit de archipel terugtrekken.
Ik zal niet verder uitweiden. Lees het boek van van Liempt. Het leest als een spannend verhaal.
Waarschuwing: lezen vergroot het risico op het verlies van vertrouwen in de politiek en kan leiden tot schaamte voor het aanzien van Nederland in de wereld.
Overigens, waarom zouden Amerikanen geen last hebben van dit soort schaamtegevoelens?
0

WEEKBLAD PANORAMA, 39stejaargang, no 29

Herinnering

Vind ik een schroefje op straat, dan raap ik het op en gooi ik het thuis in de bak met losse schroeven. En als een boterkuipje nagenoeg leeg is, dan schraap ik heel grondig en nauwkeurig de laatste resten van de wanden en de bodem, totdat er niets meer in zit. Dat komt omdat mijn ouders de oorlog meegemaakt hebben.
De Ntr zendt op vrijdagavonden Na de bevrijding uit, een documentaireserie over Nederland in de jaren na de tweede wereldoorlog. Daarin komt naar voren, dat de euforie van de bevrijding weer snel verdwenen is. Delen van het land ligggen in puin, de infrastructuur vertoont grote gebreken. Er moet hard gewerkt worden aan de wederopbouw, terwijl veel bouwmaterialen nog ontbreken. Op de akkers moeten eerst de mijnen geruimd worden.  Leren leven met schaarste is voor de meeste gezinnen de belangrijkste opgave. Aan van alles is gebrek.  Brandstoffen, zeep, voedingsmiddelen zijn op de bon. Na het Zweedse wittebrood, dat smaakte als cake, komt het grijze regeringsbrood. Verschillende initiatieven om de samenleving opnieuw in te richten op basis van harmonie en samenwerking stranden. Na enkele jaren komen de oude verzuiling en de bekende politieke tegenstellingen weer terug. Wat was de vrede mooi toen het nog oorlog was  is de typerende titel van een boek over deze periode.

Door een toeval ben ik in bezit van een origineel exemplaar van de Panorama van 18 juli 1952. Dat is de dag  waarop ik geboren ben. Ik heb deze week het exemplaar uit mijn archief gehaald (ik bewaar niet alleen schroefjes) om eens te kijken of ik iets van de tijdgeest van de jaren na de oorlog kon vinden. Panorama, nu een mannenweekblad vol misdaad, motoren en memmen, was indertijd een keurig gezinsweekblad, dat net als de Avro niet gebonden was aan een religieuze zuil.
Op de voorkant van de uitgave van 18 juli 1952 staat een tekening van Pension Zomerlust, waar de gasten vanachter de ramen vertwijfeld en teleurgesteld naar de stortregen kijken. Blijkbaar was het een slechte zomer, in ieder geval tot aan die dag.
Wat staat er zoal in deze Panorama?
      Een artikel over Amerikaanse gevangenissen waar gevangen grof geld verdienen aan de handel in goederen
      Dit was Olympia, over de geschiedenis van de Olympische Spelen
      Sprinkhanen bedreigen het Midden-Oosten
      Het ontwerp van een nieuwe brandweerauto in de Verenigde Staten
      De bezeten athleet “thuis”, over de lenigheidsoefeningen die Emile Zatopek thuis in de vestibule doet
      De United States verovert de blauwe wimpel, over een wedstrijd tussen passagiersschepen.

De artikelen worden gelardeerd met feuilletons, een strip (Sjors en Sjimmie), een fotoquiz, een pagina humor en een pagina breipatronen. Daarnaast zijn er reclames van Maggi’s tomatensoep (‘Probeer ze eens’), een ontharingsapparaat voor vrouwen (‘Eis, indien U zich zonder moeite vlug en veilig wilt ontharen: “Tak”) en Wrigley’s P.K. Chewing Gum (‘Uw volgende sigaret smaakt beter na de gezonde en verfrissende Wrigley’).
Het blad is informatief en verstrooiend en bevat veel fotomateriaal en teksten uit Amerikaanse bronnen. Het lijkt alsof met de Marshall-hulp ook de informatie en het amusement uit Amerika is meegekomen. Geen woord over politiek, maatschappelijke thema’s, wederopbouw of armoede. Dat past bij de aard van het blad. Tegelijkertijd lijkt het mij ook typerend voor de wederopbouwjaren: niet zeuren, maar spaarzaam leven en jezelf nuttig maken. Dat was de sfeer waarin ik ter wereld kwam. Daarom liep ik met een poetsdoek achter mijn moeder aan, als zij de meubels in de boenwas zette. En hielp ik mee als er van verrotte valappels een voorraad appelmoes geweckt moest worden (‘niet schieten met die ringen!’). Daarom gooi ik  nu het boterbakje, als ik het terdege uitgeschraapt heb, niet weg, maar gebruik het om etensresten in de koelkast te bewaren.
Toen ik geboren werd was de oorlog al weer ver weg. Maar hoe langer de Tweede Wereldoorlog geleden is, hoe dichter 1952 bij 1945 komt te liggen.

 

 

 
0

JONGENS MET GROEISTUIPEN

Herinnering
Er is een tijd geweest, dat ik de eerste dag van het nieuwe jaar de vreselijkste dag van het jaar vond. ‘Dan heb je net een jaar gehad, moet je weer aan een nieuw beginnen’, ging er dan door mijn hoofd. Het was eind jaren zestig, ik was 16 / 17 jaar en  zat op het gymnasium. Ik kon daar behoorlijk meekomen, had genoeg contacten, was kerngezond en had in materieel opzicht niets te klagen. Toch was in die jaren het lijden nooit ver weg.

Ik deed altijd braaf mijn huiswerk en haalde dan zesjes. Mijn beste vriend Ton deed niet aan huiswerk. Vlak voor de les begon schreef hij zonodig de vertaling of de gemaakte sommen van mij over en met repetities haalde hij achten. Als ik de tien kilometer naar huis tegen de wind in fietste, dan waaide de wind altijd een stuk harder dan als ik ’s morgens de wind mee had. Mijn puistjes waren een stuk roder en opvallender dan die van anderen en al mijn leeftijdsgenoten hadden een flux de bouche, terwijl god mij met een spraakgebrek de wereld in gestuurd had.
Ik voerde tijdens de lessen een onderbankse correspondentie op minuscule briefjes met Trees en Hannie, maar was ik op een feestje, dan durfde ik niet op een meisje af te stappen en bleef ik de hele avond op dezelfde stoel zitten.  Na afloop bedankte ik dan met veel gestotter de moeder van het vriendje voor de ‘fijne avond’.
Kortom, ik had in die jaren het gevoel dat de hele wereld tegen mij was en dat anderen het altijd veel beter hadden dan ik.

We kregen aardrijkskundeles van een jonge leraar die moeilijk orde kon houden. Tijdens zo’n les, waarin de hele klas zat te keuvelen, het huiswerk voor de volgende les werd uitgewisseld en met de boterham in de hand spelletjes werden gedaan, viel de leraar tegen mij uit.
‘Nu is het genoeg met dat geklets, van Dijk, ga jij je maar bij de conrector melden’.
Blijkbaar was het zijn tactiek om de orde te herstellen door één leerling de les uit te sturen.
‘Hè, waarom ik?’, riep ik vanaf de achterste bank, ‘iedereen zit toch te kletsen!’.
Als ik boos werd, kon ik vaak opeens vloeiend spreken.
‘Van Dijk, pak je spullen en ga de klas uit’, sprak de jonge leraar elk woord beklemtonend.
Ik vond dit het toppunt van onrechtvaardigheid en een volgend bewijs dat de wereld tegen mij was.  Mijn boosheid groeide naar een hoogtepunt.
‘Ik ben toch niet de enige’, schreeuwde ik, ‘ouwe lul!’.
Na deze laatste woorden werd het doodstil in de klas. Iedereen voelde dat deze aanvaring buitengewoon uit de hand aan het lopen was. Het leek alsof mijn laatste woorden nog door de stille klas echoden. De leraar keek eerst verbouwereerd en siste toen met ingehouden woede dat ik mij direct uit de klas uit diende te verwijderen en dat hij mij voorlopig niet meer wilde zien.
Nog geheel vervuld van het onrecht dat mij was aangedaan klopte ik aan bij de conrector. Hij droeg mij op om in een leeg lokaal twee hoofdstukken aardrijkskunde in mijn kop te stampen. Toen later die middag de dialoog tussen de aardrijkskundeleraar en mij tot hem gekomen was, werd ik opnieuw bij hem geroepen. Ik verdedigde me door te zeggen, dat ik ‘flauwe kul’ geroepen had. Het mocht niet baten. Men nam de zaak zeer ernstig op. Ik werd voor drie dagen geschorst.

In dit nieuwe jaar staan de kranten bol van de artikelen over jongens die overlast bezorgen, auto’s in de fik steken en vuurwerk naar de politie gooien. In opiniërende artikelen vragen schrijvers zich af, wat er misgaat met de opvoeding van jongens.
Volwassen worden gaat niet vanzelf.
Overigens kan je ook op latere leeftijd last hebben van groeistuipen.