Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

0

DE JAARWISSELING ’78 – ’79

Herinnering

De voordeur staat een stukje open. Ik loop een goed verlichte gang in die naar een trap leidt. Boven is het duister. Mensenmassa’s bewegen zich traag van de ene naar de andere ruimte. Onder een overvolle kapstok liggen stapels jassen, her en der staan glazen en bierflesjes . Overal klinkt harde muziek. Ik zie een paar bekenden met elkaar in gesprek. Zij kijken niet naar mij.
In een bedompte danskamer bewegen warme lijven ritmisch en ongelijk. Een jonge vrouw danst met haar ogen dicht, een halve literfles bier in de hand. Een stel kronkelt als slangen om elkaar heen, de ogen continu op elkaar gericht, mysterieus. Mensen doen moeite elkaar iets in het oor te schreeuwen.
Ik heb het warm en doe mijn trui uit, niet wetend waar hem te laten. Op zoek naar drank beland ik in een keuken waar men een lamp heeft aangelaten. De kratjes bier staan hoog opgestapeld. Ik zoek vergeefs een opener.
‘Geef maar hier’, zegt een andere gast en hij opent twee flesjes tegelijk door de doppen uit elkaar te trekken. Op een oude tafel staat een nog volle schaal salade van grof gesneden rode biet en aardappel. Wat nu, vraag ik mezelf af. Ik voel me nog niet op mijn gemak op dit feest.

In de smalle gang sta ik opeens tegenover een onbekende jongeman van mijn leeftijd. Het lange, sluike haar valt over zijn oren en over de pootjes van zijn ronde bril. Wat het meest opvalt, is dat hij zijn jas aan heeft, een rood-zwart geblokte houthakkersjas.
Ik moet denken aan de winterjas die ik tot voor kort droeg, een zwarte houtje-touwtje jas. Die had ik weggegeven aan Edje. Hij liep in de winterse kou zonder jas over straat. Hij had er geen, zei hij. Ik moest aan mijn moeder denken, die zou zo’n jongen ook geholpen hebben. Een week later had ik Edje een café binnen zien komen. Het was nog steeds winter en opnieuw droeg hij geen jas. Op dat moment drong tot me door, dat hij verslaafd was. Uiterlijk viel dat niet op. Hij zag er uit als een normale gozer, hij had al zijn tanden nog. Mijn winterjas moest hij verpatst hebben.

De jongen in de zwart-rood geblokte jas lijkt me niet het type verslaafde. Misschien is ie wel wat zonderling of in de war. Die mensen lopen vaker rond op feesten waar de buitendeur openstaat.
‘Heb je het koud’, vraag ik. Bij mij staan de zweetdruppels op mijn voorhoofd.
Hij wacht even met zijn antwoord.
‘Ik ben viator’, zegt hij op een toon alsof hij een geheim prijsgeeft.
Viator, ik graaf in mijn gymnasiumverleden, dat moet ‘reiziger’ zijn.
‘Aha’.
‘Ik ben altijd onderweg.’
‘Je kunt zo weer vertrekken.’
‘Precies.’ Hij schuifelt door, een nadere kennismaking past niet in zijn reisschema.
Altijd onderweg, een ongebonden bestaan, het raakt bij mij een snaar. Ik ben net begonnen aan mijn eerste baan, maar ik vraag me af of ik mijn bestemming gevonden heb. En voor hoelang? Opeens dringt de vraag naar de zin van het leven in alle hevigheid binnen. Met een onbehaaglijk gevoel zoek ik in het duister mijn jas. Via de hel verlichte trap loop ik het nieuwe jaar in.

0

W. & D. MOED

Herinnering

De eerste folder

Het was, zoals wel vaker, begonnen met een aardigheidje. Op een feestavond van aktiekoor Linksom had ik, begeleid door T. op zijn accordeon, oude liedjes gezongen over gebroken harten, versleten broekjes en werkloze handen. We wilden wel eens wat anders dan politiek correcte liederen. De nostalgische volksliedjes waren zo overdreven sentimenteel dat wij ze juist weer mooi vonden. Dus kwam er een vervolg.
Ik zie nog een oude vrouw voor me tijdens ons eerste optreden in een bejaardenhuis halverwege de jaren tachtig. Het gerimpelde gezicht bleef tijdens ons optreden in mineurstemming staan. Alsof haar lippen voor eeuwig omlaag stonden en haar ogen niet anders meer dan streng konden kijken. Zij belichaamde als het ware de ellende waarover wij zongen. Ik probeerde zo min mogelijk naar haar te kijken om niet te worden meegenomen in de gedachte dat zij onze uitvoering waardeloos vond. Na afloop gebeurde het. Onder het krachteloze applaus van de bewoners pakte ze haar stok, tikte er driftig mee op de grond en riep: ‘Toegift, toegift!’
‘Iedereen is tot het einde blijven zitten’, zei een verzorgster, ‘en dat is nog nooit gebeurd.’
Zo kregen wij de smaak te pakken. We noemden onszelf W. & D. Moed, stuurden een folder de wereld in en daarna begon het te lopen.
Het ene na het andere verzorgingshuis in Utrecht en verre ommelanden contracteerde ons voor een avondje ouderwets amusement. Wij hadden de wind mee, want er waren toen nog veel van die huizen. Als we een uur voor aanvang binnen kwamen was de zaal al goed gevuld. Soms werd nog wat gekibbeld over wie naast wie mocht zitten. Na afloop kwam er altijd ergens een directeur tevoorschijn om de heren te bedanken en een bloemetje ‘voor de vrouw’ te overhandigen. Een enkele bewoonster stopte ons een gulden toe. Daarna liep de zaal direct leeg en vormde zich een lange rij rollators voor de lift.

Fragment uit de Backroom Tapes, een niet eerder uitgebrachte opname van een repetitie (in de stijl van Lou Bandy):

Tussendoor traden wij ook nog wel eens op in buurthuizen, wat ons een vreemd gevoel bezorgde omdat men Johnny Jordaan en Tante Leen echt mooi vond. Het gebeurde dat daar zoveel gekletst werd dat we moeite moesten doen om de aandacht vast te houden.

De folder van ons laatste programma

Na een paar jaar volgde een professionaliseringsslag. Ik dook bibliotheken in om het vooroorlogse leven te bestuderen en legde een grote verzameling oude, populaire muziek aan. We maakten thematische programma’s over amusement in de dertiger jaren en over gezinnen met zeventien kinderen. Daarbij vertelden we anekdotes, ondersteund door dia’s met ‘beelden uit mijn kinderjaren’. De prijs ging navenant omhoog: van 100 naar 295 gulden exclusief reiskosten en met een beleefd verzoek de belastinginspecteur niet in te lichten.
Ons publiek werd met de jaren ouder en hulpbehoevender. Naast de rollators werden er bedden de zaal ingereden met bewoners die hun ogen continu gesloten hielden. Eén vrouw lispelde voortdurend: ‘Oh moedertje, oh moedertje’, waardoor een vrijwilligster haar kwam knuffelen om verdere verstoring te voorkomen. Een bewoonster op de eerste rij die almaar riep ‘en waar moet ik nu naar toe?’ werd met zachte drang weggebracht.
Toen wijzelf na bijna tien jaar in de auto op weg naar huis ‘o moedertje’ begonnen te zuchten werd het tijd om de apparatuur te verkopen en onze carrière af te sluiten.

Live opname van onze grootste hit ‘Ik voel me slap’

4

LINKSOM

Herinnering

aktiekoor Linksom

Het is een winderige zaterdagmiddag, begin jaren tachtig. In een witte evenemententent in Gorinchem staan zo’n tweehonderd stoelen opgesteld. Op het met vlaggen van politieke organisaties versierde podium houdt een spreker een gloedvol betoog over de gevaren van kernwapens. Een plukje van zo’n 30 mensen luistert. De wind en de vele lege stoelen geven de manifestatie ‘Gorinchem tegen de kernwapens’ een koud en onmachtig karakter. De spreker slingert aan het einde van zijn betoog een aantal leuzen de tent in: de kernwapens de wereld uit! Om te beginnen uit Nederland! Gorinchem kernwapenvrije gemeente!
Dan komen twintig mensen uit de zaal naar voren. Aktiekoor Linksom uit Utrecht betreedt het podium. Het zingt zijn strijdliederen voor een handvol organisatoren en sympathisanten in de zaal.

Linksom werd eind jaren zeventig opgericht voor een verstrooiende noot tijdens demonstraties en manifestaties. Op tal van plaatsen in het land verschenen in die jaren muziekgroepjes met namen als Soliedair, Ontstemd, Averechts, Vrolijk Verzetskoor en Onaangepast.
Nadat ik een aantal jaren met toenemende frustratie aan linkse acties had deelgenomen zag ik Linksom op een 1-mei-manifestatie. Ik wist het direct: dít wil ik ook. Niet argumenteren, theoretiseren of propageren, maar zíngen. Dat leek mij bevrijdend. Maar dan wel zingen voor het goede doel.
Linksom begon met traditionele socialistische strijdliederen. Van de Belgische Internationale Nieuwe Scène leerden we liederen over de uitbuiting van de Arbeider door het Kapitaal, begeleid door gezellige accordeonakkoorden.
De ontwikkelingen binnen het koor volgden elkaar snel op. Van podiumkoor wilden we straatkoor worden. We gingen zelf teksten schrijven. De bezongen problemen moesten ons persoonlijk raken. Er werd aandacht besteed aan de presentatie. Zo ontstonden thematische programma’s over ontwapening, kernenergie, fascisme en internationale solidariteit. Overal waar de roep om verandering klonk stond aktiekoor Linksom paraat met een bijpassend programma.
De tekst was altijd belangrijker dan de muzikaliteit. Het heilige moeten prevaleerde boven het plezier. Verstaanbaarheid was belangrijker dan intonatie. Zou de aandacht teveel naar zuiver zingen uitgaan, dan “zijn er liederen die te mooi worden”, zo staat ergens in de notulen.

In bijgaand fragment: Over de gastarbeiders en Fascisme is moord.

We repeteerden elke week en we vergaderden elke week. Over de aanschaf van een afwasborstel en de lengte van de rookpauze, maar vooral natuurlijk over de vraag “wat voor koor we nu eigenlijk willen zijn”. Gaan we alleen voor het zingen naar Dodewaard of doen we het hele weekend mee met de acties tegen de kerncentrale? Alles werd ter discussie gesteld.
Uit een stencil met stellingen: “Zolang we ons nog ophangen aan een bepaalde hiërarchie binnen het koor, worden we nooit een goed aktiekoor”. Regelmatig spreken we over aanwezig zijn en op tijd komen. Er werd doorlopend kritiek geuit, maar aan het einde van de donderdagavond fietste eenieder naar het Pandje, destijds Utrechts enige nachtkroeg. Hier werd nog lang nagepraat. Hier keken sommigen elkaar peilloos diep in de ogen.
Al snel stond het voor mij vast: zingen vind ik fijn, dat wil ik blijven doen. Zeven jaren zong ik bij Linksom. Toen doemde een volgende uitdaging op.

0

OME ARIE

Herinnering

de familie Vonk eind jaren twintig

Begin jaren zestig kwamen ome Arie Vonk en tante Anna nog wel eens op bezoek bij ons. Deze oom en tante van mijn moeder woonden op een bovenverdieping aan de Wittevrouwenstraat in Utrecht. Het was een monumentaal pand, maar binnen kreeg ik sterk de indruk dat ome Arie en tante Anna het niet breed hadden. Het verhaal ging dat tante Anna gerust een omweg liep als zij elders een doosje lucifers één cent goedkoper kon krijgen.
In ons familiearchief vind ik een fotoalbum van de familie Vonk. De foto’s uit de jaren twintig geven een heel ander beeld. Arie en Anna bezitten een motor met zijspan en gaan goed gekleed dagjes uit naar het strand. Ik zie Arie in de huiskamer achter een piano met kandelaren en bustes van componisten. Klassieke muziekbeoefening in mijn moeders familie, dat ben ik nog niet eerder tegengekomen. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Wie was Arie Vonk en wat deed hij? Ik ga op zoek in archieven.

Bredaseweg Tilburg

Arie werd in 1880 geboren als halfbroer van mijn oma Ekelschot. Anders dan zijn voorouders werd hij geen boer, maar timmerman. Blijkbaar een intelligente en ondernemende timmerman, want hij is nog in de twintig als hij zijn eerste drie huizen bouwt aan de Schoolstraat in Vleuten. Hij trekt naar Amsterdam, daarna naar Tilburg. Daar bouwt hij rond 1913 samen met een compagnon tien herenhuizen aan de Bredaseweg. In Tilburg wordt ook hun enige kind geboren: Annie.
Het gezin verhuist naar Utrecht. Begin twintiger jaren begint Arie, naast zijn timmerbedrijf, een manufacturenzaak. Modemagazijn de Concurrent aan de Kanaalstraat in Utrecht staat er met grote letters op het raam. Op twee andere ruiten: Manufacturen, Garen, Band, Sajet. Van de Kamer van Koophandel mag hij de naam Concurrent niet meer gebruiken. Die was blijkbaar al in bezit van een mededinger. Op de winkelruit blijft de naam gehandhaafd en in 1924 staat in het Utrechts Nieuwsblad een advertentie in telegramstijl:

OPRUIMING – Manufacturen v.h. De Concurrent, Kanaalstraat 89, begint a.s. Maandag. Weer koopje halen.

de winkel aan de Amsterdamsestraatweg

De roaring twenties brachten welvaart in het gezin Vonk. Het leven lacht hen tegemoet. Men flaneert op zondag door Utrecht, gekleed volgens de laatste mode, de rok boven de knie. Samen met een zwager gaan Arie en Anna met de auto op vakantie in Zwitserland.
Misschien hadden zij een te grote broek aangetrokken. In de tweede helft van de jaren twintig verkast men naar een kleinere winkel aan de Amsterdamsestraatweg. De neergang lijkt ingezet. Op de golven van de economische recessie wordt de manufacturenzaak begin jaren dertig opgeheven. Wat overblijft is een naaiatelier, waar Tante Anna en haar dochter nog lang zullen doorgaan met het vervaardigen van gordijnen, mantels en japonnen. Ome Arie heeft nog altijd zijn timmerwerkplaats maar of hij nog zulke mooie huizen gebouwd heeft als in Tilburg, is in het Utrechts Archief niet te vinden.
Vanaf eind jaren dertig huurt het gezin de etage aan de Wittenvrouwenstraat. Enkele kamers worden onderverhuurd. Vlak na de oorlog staat Arie als ‘kamerverhuurder’ vermeld in een notarieel document. De gloriedagen lijken voorbij.

het pand aan de Wittevrouwenstraat

In 1963 overlijdt, als eerste, dochter Annie, een paar jaar daarna gevolgd door Anna. Arie slijt zijn laatste jaren in het Labrehuis, een katholiek opvanghuis voor alleenstaande ouderen en daklozen. Na zijn dood belanden de weinig overgebleven bezittingen, zoals zijn viool en zijn foto’s, bij zijn nicht, mijn moeder.

Het complete verhaal Op zoek naar ome Arie is voor familieleden te vinden in het familiearchief op deze website. Aan andere geïnteresseerden kan ik het toesturen.

0

CENTEN TELLEN

Herinnering

De Willibrordkerk in Vleuten

Mijn vader was in de jaren vijftig en zestig lid van het armbestuur van de katholieke kerk in Vleuten. Iedere zondag stak hij de lange stok met het zwartfluwelen zakje langs de kerkbanken om de gaven van de gelovigen binnen te halen. Een goede katholiek behoorde immers niet alleen in het gebed om de minder bedeelden te denken.
Dat mijn vader in de volle kerk zo’n duidelijke functie had vervulde mij als jong kind met enige trots. Naarmate ik ouder werd verbleekte dat gevoel. Zeker toen hij eens op nieuwe schoenen met krakende zolen door de gangpaden liep. Het gekners hield maar niet op en trok het hele kerkgebouw door.

Een bijzondere bijkomstigheid was, dat mijn vader het geld mee naar huis nam om de opbrengst te tellen. Daarbij werden wij kinderen ingeschakeld. Nadat de berg met munten midden op tafel op een krant was uitgestort, haalde mijn vader eerst de guldens en rijksdaalders eruit. Dat was in een mum van tijd gebeurd. Daarna moesten wij de overgebleven centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes sorteren. Voor elke muntsoort was er een apart houten bakje. Door het bakje met munten te vullen wist je direct hoeveel de waarde was. Een volle stuiverbak leverde vier gulden op. Een dubbeltjesbak met tien gleuven stond voor vijfentwintig gulden. Hadden wij een bakje vol, dan kiepte mijn vader alle muntjes in een linnen zakje en noteerde het bedrag. Aan het einde van de telsessie volgde dan nog een voor mij intrigerende handeling. Mijn vader verzegelde de met een dun touwtje dichtgebonden geldzakjes met donkerrode zegellak en voorzag de nog warme lak van een stempel met zijn initialen (C.D., Cornelis van Dijk). Het is destijds nooit in mijn hoofd opgekomen om eens wat van de goede gaven van de kerkgangers achterover te drukken, al was het maar vijf cent. Maar was dit wel het geval geweest, dan zou dit plan door het zegelritueel onmogelijk zijn gemaakt.

Zo was jarenlang iedere zondagmiddag het centen tellen onze vaste bezigheid.
De eerste malen vond ik het fantastisch, zo’n berg geld op tafel waarmee ik mijn handen kon volscheppen. Maar al snel werd het tellen een sleur, een lijdzaam uitvoeren van een verplichte oefening. Bij voorkeur wierpen we ons op de kwartjes of de stuivers. Dan had je vlug een bakje vol. Alsof de tijd daarmee sneller voorbij ging.
Mijn vader hield er de moed in door verschillende spelletjes te bedenken. Iemand nam een voorwerp in zijn hoofd en de anderen moesten het raden. Eindeloos speelden we het plaatsnamenspel. Mijn vader noemde een letter en ieder moest dan om de beurt een Nederlandse plaatsnaam met die beginletter noemen totdat alle plaatsen die we kenden ‘op’ waren. Dan wist mijn vader er altijd nog wel tien te noemen. Hij had niet voor niets als jong kind dagen en weken over een landkaart van Nederland gebogen gelegen.

Als mijn vriendje Piet op maandagmiddag bij ons thuis kwam en de rij dichtgelakte zakjes op het dressoir zag staan, riep hij altijd uit: ‘jullie zijn stinkend rijk!’ Dat voelde als een zware overtreding.

0

LEVEN IN LUXE

Herinnering

Ik fietste langs Kasteel de Haar, het sprookjesachtige kasteel in Haarzuilens, dat de laatste jaren zoveel drommen toeristen trekt en dat ik zo goed ken uit mijn jeugd in Vleuten.
Het kasteel uit de 13e eeuw was een van de verblijven van de invloedrijke Stichtse familie van Zuylen. Door oorlogsgeweld en stormen was het in de loop der eeuwen in een ruïne veranderd. Een lang gekoesterde wens om de Haar weer in volle glorie te herstellen kon eind 19e eeuw in vervulling gaan, omdat baron Etienne zo verstandig was om te trouwen met Hélène de Rothschild, telg uit een rijk bankiersgeslacht. Daarmee kwamen miljoenen voor de herbouw beschikbaar.
Etienne en Hélène waren een luxueus leven gewend. Hun nieuwe stulpje in Haarzuilens moest niet alleen de grandeur van het oude kasteel herstellen maar vooral ook het toppunt zijn van moderne luxe. Voor de herbouw werd Pierre Cuypers ingeschakeld. Het kasteel met tweehonderd vertrekken en vijfentwintig badkamers werd van alle gemakken voorzien: warm en koud stromend water, elektriciteit, liften en centrale verwarming, voor die tijd uniek. De ruimten werden rijk gedecoreerd. Rond het kasteel legde H. Copijn parken aan in Engelse landschapsstijl. Omdat Etienne en Hélène direct indruk wilde maken met hun schitterende tuinen werden er zes duizend volwassen bomen van elders aangevoerd.
Dit alles vertelde ik in mijn eerste spreekbeurt in de tweede klas van het gymnasium. Wat ik nu van het internet haal hoorde ik destijds van mijn vader die op tal van terreinen een wandelende vraagbaak was. Hij sprak met ontzag over de baron. Mijn opa die een smederij had in Vleuten had een zeer goede klant aan de familie van Zuylen. Allerlei smeedijzeren werken en het staal voor de volière (nu het theehuis) zijn door hem geleverd. Zo werd onze familie mede door de erfenis van de Rothschilds in de vaart der volkeren opgestoten.

De aanleg van de volière. De man bovenop de nok is mijn ome Ries

Ik vertelde mijn medegymnasiasten dat kosten noch moeite werden gespaard voor de bouw. Het bestaande dorp Haarzuilens lag in de weg voor de aanleg van de vijverpartijen. Daarom werd het afgebroken en honderden meters verderop weer opgebouwd. De volwassen bomen werden van de Utrechtse Heuvelrug aangevoerd op mallejannen. Omdat de Voorstraat in Utrecht te nauw was voor dit transport moesten ook daar enkele huizen worden afgebroken.
Het paar verbleef overigens alleen in juli en augustus op de Haar. De overige maanden bewoonde het een kasteel in Frankrijk. Kleinzoon Thierry die in mijn jeugd de baron speelde zette deze traditie voort. In de zomermaanden organiseerde hij luxueuze partijen voor de Europese jetset, onder meer voor Roger Moore, Coco Chanel, Maria Callas en Brigitte Bardot. Dagblad Het Centrum beschreef eens de dronken escapades. Zo was Gregory Peck op een motor tussen de eeuwenoude Japanse vazen doorgeslingerd.
Het kasteel is nu eigendom van een stichting en de landgoederen zijn gekocht door Natuurmonumenten. Maar sommige dingen zijn onveranderd. Jort Kelder, frontman van de Nederlandse mondaine wereld, kwam laatst hijgend bij Jinek binnen omdat hij had aangezeten aan een banket op de Haar. Buiten lopen nu, dat is wel anders, ontelbare Japanners en Chinezen met hun camera’s te klikken. Op afstand hoofdschuddend gadeslagen door een fietser die maar weer eens opstapt om terug te keren naar zijn eigen luxueuze stulpje.

1

STRAALBEZOPEN

Herinnering

Nog maar nauwelijks ben ik met mijn auto van het parkeerterrein van voetbalclub Excelsior de Honingerdijk in Rotterdam opgedraaid, of ik word staande gehouden door de opgeheven hand van een politieagente. Ze staat met enkele collega’s in het licht van een straatlantaarn tussen een paar rood-witte pylonnen. Verbaasd en wat zenuwachtig draai ik het raampje open.
‘Alcoholcontrole, meneer. Zou u even willen blazen?’
Ik kom net van een voetbalwedstrijd van mijn zoon. Na afloop heb ik in de businessclub, zoals betaald voetbalclubs de sportkantine voor genodigden noemen, nog even een biertje gedronken. Eén biertje, daarmee loop je toch niet tegen de lamp? Maar helemaal zeker ben ik er niet van. Ik ben nog nooit eerder gecontroleerd.
Dat blijkt als ik in het pijpje blaas.
‘Wacht even, andersom, meneer’, glimlacht de agente. Ze draait het pijpje voor mij om. Ze heeft een vriendelijk gezicht. Onder haar pet steken blonde haren uit. Het valt me moeilijk om in haar een autoriteit te zien.
Ze leest de score af op de meter. ‘Uitstekend meneer, nog een prettige avond.’

Een half jaar later ontvang ik een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, divisie Vorderingen. De directeur laat mij weten dat men voornemens is mijn rijbewijs tijdelijk ongeldig te verklaren. ‘Dit besluit is genomen vanwege een aanhouding dan wel procesverbaal op 10 maart 2008 door de Regiopolitie Rotterdam Rijnmond, waarbij een alcoholpromillage van 2,56 is geconstateerd.’ Volgens de wet is een maximum van 0,5 promille toegestaan, voor jongeren ligt de grens bij 0,22. Die 2,56 zou betekenen, dat ik straalbezopen achter het stuur heb gezeten.
Mijn eerste verbazing gaat over in pret. Hier is een gigantische vergissing in het spel.
De brief vervolgt met de mededeling dat ik onverwijld dien mee te werken aan een onderzoek. Daarvoor moet ik mij melden op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis in Woerden. Weigeren om mee te werken betekent dat mijn rijbewijs wordt ingenomen. Mijn pret neemt al weer af.
‘Wat een onzin’, zegt G. als de brief gelezen heeft. Voor mijn kinderen die hun vader nog nooit ook maar één moment dronken hebben gezien, is de brief voer voor pesterige speculatie.

Ik bel het CBR met het verzoek om na te gaan waar iets fout is gegaan. Men hoort mij vriendelijk aan. Als ik het niet eens ben met de beslissing moet ik een bezwaarschrift indienen. Ondertussen moet ik wel meewerken aan het onderzoek, zo niet….
Als mijn irritatie weer wat gedaald is, begrijp ik het antwoord. Iedereen kan wel zeggen dat er een foutje is gemaakt. Is het niet kenmerkend voor een alcoholicus dat hij er op deze manier onderuit probeert te komen? Heb ik daardoor juist bijgedragen aan het imago van stevige drinker?
Direct, maar met grote tegenzin stel ik het bezwaarschrift op. Ik wacht nog even met het maken van een afspraak met de psychiater. Ze zien me daar aankomen. Daar heb je die man die met 2,56 promil in zijn auto is gestapt en het vervolgens probeert te ontkennen.
Twee weken later laat de directeur van de Divisie Vorderingen mij in een formeel briefje weten dat de procedure is stopgezet. Geen woord over een vergissing. Geen enkel excuus.

0

PASTOOR BEUTENER

Herinnering

Pastoor J.H. Beutener

Uit mijn familie ken ik het verhaal over een pater die godsdienstles gaf op een lagere school. ‘Kunnen wij God zien?’, vroeg deze pater aan een leerling. De jongen wist het antwoord niet, maar zijn achterbuurman schoot hem fluisterend te hulp: ‘Dat kan niet, want God heeft geen lichaam’, waarop de jongen opgelucht als antwoord gaf: ‘Nee, wij kunnen God niet zien, want hij heeft geen licht aan’.
Op de St. Willibrordusschool kreeg ik godsdienstles van pastoor Beutener. Hij vertelde ons begin jaren zestig over de hel waar de kwaadwilligen jammeren en knarsetanden. Wie daar terechtkomt, kan er nooit meer uit. Daar branden de vlammen eeuwigdurend. ‘Als er ook maar één hele kleine kans zou zijn, dat de duivels de hel kunnen verlaten, al zou het pas over een miljoen jaar zijn, dan nog zou er bij dit vooruitzicht een groot feest in de hel losbarsten’, zei Beutener met gevoel voor drama.
Het maakte zo’n indruk op me dat ik dit na meer dan vijftig jaar nog altijd weet. Alleen wie zich goed gedroeg kon in de hemel komen. Op die plaats van altijddurend geluk mocht je dan eeuwig blijven. Eigenlijk vond ik dat ook wel een beetje angstaanjagend, om ergens te zijn waar nooit een einde aan komt.
Het waren de nadagen van het Rijke Roomsche Leven. De katholieke kerk beheerste ons leven zonder dat wij onszelf daarvan bewust waren. We gingen naar een katholieke school en naar katholieke verenigingen. We kochten bij katholieke middenstanders, lazen katholieke bladen en luisterden naar de Katholieke Radio Omroep. Beelden van Jezus en het Heilig Hart stonden op smeedijzeren consoles aan de kamerwand naast de kalender van het Kanunnik van Schaikfonds, waar je stuivertjes in kon sparen. Na het avondeten baden we de rozenkrans, op onze knieën, zodat na afloop de afdruk van de kokosmat op mijn blote benen stond.
Meneer pastoor was voor elke parochiaan de hoogste vertegenwoordiger van de kerk. Hij was bestuurder van vele verenigingen en kwam op huisbezoek om te controleren of de gelovige nog wel voldoende de regels van de Kerk volgde en om en passant tot gezinsuitbreiding te stimuleren.

De biechtstoel in de katholieke kerk in Vleuten

Tijdens het bestuur van pastoor Beutener werden er nieuwe katholieke scholen gebouwd, een bejaardencentrum en een klooster. Fijnbesnaard was onze pastoor niet. Als hem iets niet zinde kon hij met bulderende stem reageren. Mijn opa zei, dat Beutener beter het vak van diens vader had kunnen kiezen. Die was klompenmaker.
Ik was een beetje bang voor Beutener. Als misdienaar had ik eens de altaarbel uit mijn handen laten vallen. Daarna liet hij het dragen van het zware altaarboek niet meer aan mij over. Toen ik tijdens het Confiteor niet uit mijn woorden kwam, nam hij het gebed direct met harde stem over. Ik schaamde mij diep.
Bij mijn eerste biecht bekende ik bibberend, dat ik bloemetjes uit de tuin van dokter Schuurs had geplukt. Ik durfde nauwelijks naar het houten rooster te kijken waarachter ik, in het duister en heel dichtbij, het hoofd van de pastoor ontwaarde. Zou hij waarschuwen voor hel en vagevuur? De bulderpreek die ik verwachtte bleef uit. Tegen het kindertarief van drie Onze Vaders en drie Weesgegroetjes kon ik alles weer goed maken.

2

EEN EIGEN HUIS

Herinnering

Routineus loop ik met de dik ingesmeerde, dubbelgeslagen baan behang de keukentrap op. De borstel steekt uit de zak van mijn zeventigerjaren tuinbroek. Als ik bovenop sta en me uitrek kom ik met mijn handen net bij het plafond. De muur is 3,60 meter hoog. Zorgvuldig balancerend plak ik het bovenste deel van de baan op de muur en borstel ‘m stevig vast. Nu kan ik de rest van de baan laten zakken.

In 1985 kochten G en ik tezamen met een bevriend stel ons eerste huis. De jaren waarin alles anders moest echoden nog na. Alle vier hadden we tijdens onze studietijd in een groep gewoond. We waren niet toe aan wat wij huisje-boompje-beestje noemden: met zijn tweeën een gezinnetje stichten. Om ons ideaal van samenwonen vorm te geven kochten we een huis dat groot genoeg was voor een gezamenlijk huishouden van vier volwassenen en twee baby’s.
Het was een oud herenhuis, gebouwd in het begin van de eeuw, met originele details waarvan makelaars opgewonden raken: glas-in-loodramen, gestucte engeltjes in het plafond, schouwen van zwart marmer.
Na de aankoop liep ik apetrots door het pand. Dit was óns huis. Ik had al een baan en een vriendin en ons eerste kind was net geboren. Met dit huis erbij was ik nu definitief tot de rangen der volwassenen toegetreden. Tenminste zo leek het.
Het huis van vier verdiepingen, de kelder niet meegerekend, was bewoond geweest door negen studenten en rijp voor een flinke opknapbeurt. We braken tussenwandjes af, sloopten vier keukentjes, een aantal wastafels en een douche, verwijderden de oude betengeling en trokken overal dikke lagen behang van de muren. Lagen die de geschiedenis van het huis en zijn bewoners blootlegden. Maar tijd om ons daarin te verdiepen was er niet.
De opbouw begon met het egaliseren van de muren. Ik was zo lang bezig met het vullen van gaten in alle vertrekken dat ik op mijn werk alleen maar gaten en oneffenheden zag die gladgestreken moesten worden. Daarna begon de grote behangmarathon. Het gehele huis, van boven tot onder, bekleedden we met rauhfaser behang. Ik had nog nooit behangen, maar kreeg het al snel onder de knie. Een strak behangen wand vervulde mij met groot geluk.

Vanuit de hoogte zie ik de twee baby’s in hun wipstoeltje op de vloer staan, tussen de behangtafel en het bouwmateriaal. Een rammelaar en een speen liggen naast hen op de grond. Af en toe geeft een van hen blijk van ontevredenheid. Dan moet het werk, of ik het nu leuk vind of niet, onderbroken worden voor een schone luier of een ommetje met de kinderwagen. Als moderne man wil ik natuurlijk mijn aandeel daarin leveren.
Een aannemer zorgde voor een nieuwe keuken en een nieuwe badkamer. Ouders en vrienden hielpen mee met tegel- en verfwerk. Maar het leeuwendeel namen we zelf voor onze rekening. Het schuren van alle randjes in de deurposten en paneeldeuren deed een beroep op mijn uithoudingsvermogen. We deden de verbouwing in krap twee maanden, naast ons werk en naast de verzorging van de kinderen. Als ik er nu op terug kijk vraag ik me af, hoe we dat alles voor elkaar speelden. Ik zou er nu niet meer aan moeten denken.

1

MIJN EERSTE RACEFIETS

Herinnering

Het moet rond 1972 geweest zijn dat Wim T., een van mijn huisgenoten op de studentenflat, opeens op een splinternieuwe blauwe racefiets aan kwam zetten. Zo’n fiets waar Merckx en Zoetemelk op reden! Met belangstelling bekeken wij het kromme stuur, de remkabels die daarbovenuit bolden, het puntzadel en de dunne bandjes. De riempjes om de schoenen vast te binden leken ons wat link bij het afstappen. Wim parkeerde zijn aanwinst in het smalle gangetje van de flat. Dat vond ik wel een minpunt.
Nog geen jaar later liep ik zelf fietsenhandel Kok binnen, de enige zaak in Utrecht die destijds racefietsen verkocht. Even later kwam ik met een paars merkloos, want goedkoop exemplaar weer naar buiten. Overal waar ik kwam werd de racefiets met bewondering bekeken en uitgeprobeerd. Zéven versnellingen, dat was ongekend. En zo licht van gewicht! De gebogen houding waarmee je uitgestrekt over de fiets lag werd niet door iedereen gewaardeerd, al verzekerde een jonge vrouw dat zij op het puntzadel goed zou kunnen klaarkomen.

Wekelijks maakte ik een trainingstocht om me voor te bereiden op het volgende ideaal: samen met vriend Paul op vakantie met de racefiets. De bestemming voor onze toertocht was duidelijk. Dat kon alleen maar Frankrijk zijn.
Bij aankomst met de trein in Cahors, een middeleeuws stadje ten zuiden van de Dordogne, bleek dat mijn fiets de reis niet geheel ongeschonden was doorgekomen. Met enkele kale plekken op het frame en deukjes in het spatbord viel echter nog prima te fietsen. Dat werd anders toen ik tijdens de eerste klim flink op de pedalen ging staan en een behoorlijke speling in het trapstel voelde. Met de blik van een kenner zette ik de fiets op zijn kop. Tot onze verbazing rolden er zes kleine, zwarte kogeltjes ergens uit de fiets via de zadelbuis de onderkant van het zadel in. Boos op de hele wereld en op fietsverkoper K. te U. in het bijzonder liet ik mij schoorfietsend weer naar Cahors afzakken.

Fietsenmakers waren er destijds genoeg in Cahors, maar pas de derde die wij bezochten wilde er wel eens naar kijken. De zaak heette Tout pour le cycle en werd gedreven door een oud mannetje die in zijn vuile werkplaats geholpen werd door een doofstomme man met een zenuwtrek.
Toen wij na anderhalf uur terugkwamen was de baas juist bezig met een zware hamer flinke klappen uit te delen aan het trapstel van mijn nieuwe fiets. Bij iedere klap kromp ik ineen. Zijn rappe commentaar was voor mij niet te volgen. Na zes jaar Franse les op het gymnasium wist ik feilloos de woorden voor het middenschip en de zijbeuken van een kerk, maar aan de onderdelen van een racefiets waren we niet toegekomen. Omdat zijn methode blijkbaar niet de gewenste resultaten gaf maakte hij duidelijk dat het trapstel un peu forcé was en daarom vervangen moest worden. Tegen een bedrag dat een flink gat sloeg in mijn vakantiebudget kon ik de fiets de volgende dag weer ophalen.
Zwaar beladen vertrokken we die dag stroomopwaarts langs de rivier de Lot. Met goede zin, zeven versnellingen en strak aangetrokken riempjes reden we de vrijheid tegemoet.