Schrijven, Lezen, Leven.

Categorie

Herinnering

2

TAKE IT EASY

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (20)

Het is 1978. Ik heb er zeven studiejaren opzitten en al meer dan genoeg studiepunten binnen om af te studeren, maar ik kan nog geen afscheid nemen van mijn projectgroep Nieuwegein. Ik wil nog even niet denken aan een baan, ik zou niet weten wat voor een. Wel gaat in het zicht van de haven het tempo terug naar normaal. Alle tijd die overblijft is voor cafébezoek, afspraken met vrienden en feesten. Elk weekend is er wel een feest, waar ik me in het zweet dans op School van Supertramp, onder het muzikale gedreun gesprekken voer over relaties en nieuwe vriendinnetjes leer kennen.

Ik word regelmatig verliefd, maar blijkbaar heb ik een ongelukkige hand van kiezen. Of van gekozen worden. Er zijn vrouwen met een vaste relatie, die mij er wel stilletjes bij willen. Vrouwen die nog aan het afkicken zijn van een vorige relatie. Vrouwen die na het ontwaken veel minder om te zoenen zijn dan de nacht ervoor en vrouwen die een claim op mij willen leggen. Ik geniet van alle contacten maar verliefdheid en onbereikbaarheid lijken onverbrekelijk verbonden met elkaar.
Well I’m running down the road, tryin’ to loosen my load, I got seven woman on my mind. Four that wanna own me, two that wanna stone me, one says she’s a friend of mine.
Take it easy van the Eagles wordt op die feesten veel gedraaid.
Als mijn hoofd weer eens vol zit, bel ik een vriend of vriendin om mijn hart te luchten. Alles wordt besproken. In de mannenpraatgroep heb ik geleerd me onzeker op te stellen. Dat kost me geen moeite, de onzekerheden trekken dagelijks door mijn hoofd. Ik heb een opschrijfboekje bij me om in het openbaar vervoer, in cafés of waar ook mijn gedachten en mijn vraagtekens te kunnen vangen. In de studie psychologie heb ik mezelf leren kennen. Ik kan goed luisteren, ben gevoelig van aard en bang voor risico’s, schrijf ik op.
‘Waarom zou je je aan één persoon moeten binden?’, vraagt een vriend. Het is de tijd van het stellen van waarom-vragen. ‘Zou je niet net zo goed met verschillende vriendinnen en vrienden een goede relatie kunnen hebben?’ Als ik op een feestje ben met vaste stellen die dromen over hun eerste kind, stap ik vroeg op. Ik vervloek hun ideaal als burgerlijk, maar ga ondertussen door met mijn eigen zoektocht. Come on baby, don’t say maybe, I gotta know if your sweet love is gonna save me.

Op een feest van twee projectgroepleden die in Vleuten wonen, val ik na het dansen neer op een matras, dat daar bij gebrek aan stoelen is neergelegd. Ik raak in gesprek met een jonge vrouw met lang donkerblond haar. Haar jurk met tierelantijntjes en spiegeltjes valt tot op haar enkels. Al snel eindigt het gesprek, omdat zij met iemand mee kan rijden naar Utrecht. Haastig wisselen we telefoonnummers uit.
Als ik na een paar dagen bel, is ze niet thuis.
‘Je Ronald heeft gebeld’, staat er op een briefje dat een huisgenote voor haar heeft neergelegd.
Nu, veertig jaar later, zit G. achter mij met haar tablet op de bank.
Lighten up while you still can, don’t even try to understand, just find a place to take your stand and take it easy.

0

HET PERSOONLIJKE IS POLITIEK

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (19)

Projectgroep Nieuwegein in 1976; ik zit onder de lamp

De groene deur van het statige, oude pand aan de Korte Nieuwstraat in Utrecht gaat met een lichte duw open. Ik sta in de hal van het Instituut voor Klinische Psychologie. Hier worden psychologen opgeleid om mensen van hun psychische problemen af te helpen. Hier ga ik mijn studie vervolgen. Dat is even wennen.
Het is een traditionele studierichting, maar daarbinnen kies ik voor het alternatief. Bij de projectgroep Nieuwegein gaan we immers alles anders doen. Geen simpele therapietjes, wij willen psychische problemen niet individualiseren. Ook in het onderwijs en het onderzoek zoeken we de innovatie. De groep van 20 studenten wordt begeleid door twee wetenschappelijk medewerkers, maar voor ons is er geen onderscheid: iedereen is werker, ieder kan van elkaar leren. De groep bruist van energie.
We beginnen een centrum voor laagdrempelige eerstelijns hulp in Nieuwegein en regelen alles zelf: de overeenkomst met de gemeente Nieuwegein, de subsidie, de meubels. Een van ons heeft op eigen naam een bankrekening voor het project geopend, waarop een medewerker van de interne controledienst een alarmerende brief stuurt naar het College van Bestuur. Wij spreken er schande van, de universiteit moet ons faciliteren, niet controleren.
Een belangrijk deel van onze tijd gaat op aan plenaire vergaderingen, subgroepjes, werkgroepjes. We moeten het met elkaar eens zijn, dat kost tijd. De correcties op de zelf gestencilde notulen bedragen meer dan een pagina, net als de mededelingen en de rondvraag. Voor discussies over de langetermijndoelstellingen blijft er geen tijd over. Op vrijdagmiddag zakken we door bij Jan de Winter aan de Oude Gracht.

Ik voel me op mijn plek in de projectgroep. Al snel zijn al mijn dagen gevuld. Voor de eerste maal in mijn studietijd voel ik me in een groep echt op mijn gemak. Onzekerheden en irritaties zijn bespreekbaar, sterker nog: moeten besproken worden, want ook ten aanzien van onze eigen emoties geldt, dat we niet willen individualiseren.
De informele leider is R., zonder zijn instemming gebeurt er niets. R. heeft een kwakkelrelatie met M., een vrouw uit de projectgroep. Op een projectweekend vraagt R. aandacht voor hun relatie, het persoonlijke is tenslotte politiek. Hij constateert (‘het is geen verwijt, hoor’), dat, terwijl iedereen weet dat M. en hij het moeilijk hebben, niemand ook maar één teken van solidariteit heeft getoond. Waarna een ingewikkeld gesprek volgt, enkele vrouwen hun tranen niet kunnen bedwingen en diverse mannen hun getheoretiseer niet kunnen inhouden. Ik hou mijn mond, terwijl ik me zit te verbijten dat ik geen zinvolle bijdrage kan leveren. Hoe langer het duurt, hoe meer ik me begin op te winden. Toen ik me eerder eens had geërgerd aan een niet nagekomen afspraak, had ik met een onverwachte heftigheid geroepen: ‘Ik baal hiervan!’. Dat kreeg ik later bij Jan de Winter te horen. Dus nu wacht ik af, totdat iemand na twee uur zegt: ‘Ik ga een biertje halen’ en de vergadering als een fietsband leegloopt, zonder conclusie, zonder vervolg.

Het is een leerzame periode. Beleid maken, de vraag achter de vraag stellen, organiseren, gesprekstechnieken toepassen, vergaderingen voorzitten: ik leer allerlei vaardigheden waar ik later dankbaar gebruik van zal maken. En ik leer ook nog iets over hoe je mensen kunt helpen.

1

CRISIS

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (18)

Op mijn kamer aan de Oude Kamp

Toen eind jaren zestig velen de katholieke kerk verlieten, liep ik mee. Zonder naar links of naar rechts te kijken stak ik vrijwel direct over naar de socialistische kerk. Hoewel er grote verschillen zijn in de leer, zie ik ook veel overeenkomsten: het geloof in een heilstaat, de opoffering die daarvoor nodig is, het uitdragen van het geloof, de strenge regels en de hiërarchische organisatie, het opkomen voor de minder bedeelden, de verering van leiders, de stralende zekerheden die geen twijfels toelaten.
Maar waar het verlaten van de katholieke kerk mij geen enkele moeite had gekost – het geloof was er van bovenaf ingestampt zonder dat ik er zelf verantwoordelijkheid voor hoefde te nemen – leidt mijn breuk met het actiewezen in 1976 tot een existentiële crisis. Ik stop niet alleen met de acties onder de bouwvakkers, maar ook met de al even marxistische studierichting arbeids- en organisatiepsychologie. Het voelt nog steeds als een plicht om iets doen aan het onrecht in de wereld, maar ik weet niet wat en in welk verband. Twee jaar na mijn kandidaatsexamen ben ik opnieuw op een dood spoor beland.
Zoals er in mijn kamer aan de Oude Kamp in Utrecht door de hoge bomen nauwelijks zonlicht binnenkomt, zo donker is het in mijn geest. Ik laaf mij aan treurige muziek van popmuzikanten die lijden aan sehnsucht of weltschmerz. I said hey sister Moonshine, won’t you send me a little sun (Supertramp). Er komen weinig mensen meer langs. Met mijn verhaal kan ik bij niemand terecht. De oude kameraden willen er niets van weten, de weinige vrienden kunnen het zich niet voorstellen.

Tussen mijn groep van het zomerkamp. De tweede begeleider (geheel rechts) is August Willemsen, later bekend geworden als schrijver van het boek Braziliaanse brieven

Via mijn contacten uit de stottertherapie komt er een kans om als begeleider mee te doen in een zomerkamp, waar jonge stotteraars een week lang therapie volgen. Ik grijp die met beide handen aan en beleef een geweldige week als ik merk, dat ik veel voor deze jongens beteken. Ik lees een boek over stotteren, dan nog een, en nog een. In een niet te stoppen honger lees ik zo’n beetje alles wat er over te lezen valt. Ik maak er een scriptie van die in korte tijd in heel Nederland gretig aftrek vindt en mij nog studiepunten oplevert ook. Erkenning en waardering, het is precies wat ik nodig heb.
Bij een cursus gedragstherapie op het instituut voor klinische psychologie is nog een plaatsje open. Iemand zegt: therapietjes doen, dat is toch mensen aanpassen aan de maatschappij, dat biedt toch geen structurele oplossing. Ik ben het met hem eens, toch schrijf ik me in.
Dan ontmoet ik op dit instituut mensen van een projectgroep die iets nieuws begonnen zijn in Nieuwegein. Zij willen niet alleen psychische problemen verhelpen, maar ook verder kijken, naar maatschappelijke achtergronden, zoals woningnood, werkeloosheid, en de socialisatie van mannen en vrouwen. Het persoonlijke is politiek, is het uitgangspunt. Ik voel een enorme opluchting. Dit is wat ik wil. Hier kan ik mijn maatschappelijke opvattingen met mijn persoonlijke ervaringen combineren. De overstap is snel geregeld.

Voor de liefhebber: vóór ik deze serie over Studeren in de jaren ’70 begon, heb ik hier al een keer over de projectgroep Nieuwegein geschreven. Ook een eerdere blog over een mannenpraatgroep is uit deze tijd.

3

RENEGATEN

Herinnering

Studeren in de jaren zeventig (17)

Wat onwennig schuiven enkele mannen het zaaltje van het wijkcentrum binnen, waar wij, vier studentikoze types die de maatschappij willen veranderen, in gespannen afwachting zijn. De buideltjes zware Van Nelle komen op tafel. Een dikke man belandt in een hoestaanval.
‘Dat komt van al die tocht op de bouw’, sneert Eelke, onze aanvoerder.
Al maandenlang proberen we de actiebereidheid onder bouwvakkers te bevorderen. Eindelijk is het ons gelukt om enkelen van hen voor een vergadering te interesseren.

In 1976 staat mijn leven volledig in de actiestand. Op de universiteit doe ik actieonderzoek ten behoeve van de arbeidersbeweging. Als vertegenwoordiger van mijn onderzoeksproject draai ik overuren in discussies over vernieuwingen in het onderwijs en de democratisering van de universiteit. Daarnaast loop ik opruiende krantjes te colporteren op bouwprojecten. Ik ben nauwelijks thuis. Tijd voor vrienden heb ik niet meer.
‘Het gaat om de opbouw van een tegencultuur’, zeiden mijn collega-actievoerders. ‘Daarin hebben we elkaar nodig’. In de uitloop van een actievergadering stond de tafel vol met lege beugelflessen Grolsch, de asbakken puilden uit. Een actievoerster die een dag afwezig was geweest vanwege de  bruiloft van een nichtje werd op het matje geroepen. Dat vond ik overdreven, maar ik hield mijn mond. In mijn hoofd zat het verhaal van een elektricien. Hij zat al maanden in de ziektewet toen wij die week bij hem op bezoek waren.
‘Elke ochtend als ik wakker word verrek ik van de pijn’, zei de man. Hij keek mij doordringend aan: ‘Dat kan jij je niet voorstellen, hoe dat is’.
Ik stond met mijn mond vol tanden. Alle boeken die ik gelezen had over vervreemding in het kapitalisme, het bewustzijn van de arbeider en de wegen naar verandering lieten mij op dat moment in de steek. De man had gelijk. Ik zou elk moment met het krantje kunnen stoppen, voor hem was er geen keus. Ik was bevoorrecht en voelde me schuldig. Moest ik wel doorgaan met dit soort acties, vroeg ik me af.

‘Het waren vakbondslui! Renegaten! Klootzakken!’, briest Eelke als wij na afloop van de vergadering naar een naburig café fietsen.
Op onze actievergadering waren enkele bouwvakkers verschenen, die we nog niet eerder ontmoet hadden. Zij hadden ervoor gepleit om de acties voor verbetering van werkomstandigheden via de vakbond te voeren. Door de wol geverfd als zij waren hadden zij gemakkelijk de andere bouwvakkers weten te overtuigen. Het initiatief was ons uit handen geslagen.
‘De volgende keer moeten we een vergadering geheim houden’, zegt Tom als hij met vier glazen bier tegelijk aan komt lopen. Hij weet er altijd de moed in te houden. Maar ditmaal slaat zijn optimisme niet meer op mij over. Ik voel me klote. Ik ben compleet vastgelopen tussen mijn opvattingen en mijn gevoelens. Als Tammy Wynette’s jankende Stand by your man door het café klinkt, krijg ik een brok in mijn keel. Ik wil weg, neem een haastige laatste slok en zet het glas met de schuimranden nog aan de binnenkant op tafel. Als ik buiten mijn fiets van het slot haal springen de tranen in mijn ogen. Nog voor ik bij mijn kamer ben weet ik het zeker. Ik stop met dit gedoe. Ik word er diep ongelukkig van.

0

EEN ZILVEREN BRUILOFT

Herinnering
  1. Ik was bijna negen jaar oud, toen ik voor het eerst in een café in Vleuten kwam.
    Het was niet zo dat er weinig cafés in Vleuten waren. Wie vijftig jaar geleden buiten de deur wat wilde drinken kon in ons kleine dorp kiezen uit wel vijf cafés. Aan de buitenmuur gaf een emaillen bordje aan wat men mocht schenken: Verlof A, Verlof B of Volledige Vergunning.
    Wij kwamen nooit in een café, oh nee. Cafés waren plaatsen, waar mensen zich bedronken, geld verspilden en vals speelden. Zelfs om een ijsje te kopen hoefde ik het café niet in. Bij Van Berkel, café Het Oude Raadhuis, drukte ik op een bel naast een raam, rechts van de ingang. Al lang voor McDonalds zijn McDrive uitvond, wachtte ik, buiten op de fiets gezeten, mijn bestelling af.
    Toen kwam het moment, dat mijn ome Ries en tante Annie hun zilveren bruiloft vierden. Na de plechtige mis in de St. Willibrorduskerk trok de lange stoet gasten naar Van Berkel. Daar begon, met koffie en taart, het grote consumeren. Terwijl de ooms de hele middag bier dronken en sigaren rookten en de tantes hun advocaatjes en besjes verorberden, speelde de grote schare neefjes en nichtjes verstoppertje.
    De grote attractie voor ons was, dat we onbeperkt ijs mochten eten. Dat was voor mij nauwelijks te bevatten. De vrieskist stond op het toneelpodium achter een gordijn. Ik at die middag welgeteld twee ijsjes. Voor overdaad van welke soort dan ook was ik niet in de wieg gelegd. Ik keek dan ook met verbazing naar alle bier- en jeneverglazen op de tafels.
    Aan het einde van de middag schoof een groot gezelschap aan voor het diner. De wit gedekte tafels waren in U-vorm opgesteld. Serveersters liepen heen en weer met schalen huzarensalade. Naast ons bord lag een bundel met feestliederen.
    Schuin tegenover mij zat een oudtante die voortdurend onrustig om zich heen keek. Hoe langer het diner duurde, hoe schichtiger ze werd. Ik dacht dat het wellicht met de alcohol te maken had. Maar mijn moeder zei me later, dat die tante niet helemaal was zoals een ander. Van dat soort zaken wist ik toen nog niet veel. Ik was voortdurend bang, dat de vrouw plotsklaps zou opstaan en in één keer het witte tafelpapier met glazen en borden met zich mee zou sleuren.

We zongen vele liederen, er werd doorlopend bijgeschonken en er werden leuke stukjes opgevoerd.
Een oom zong het lied van Wilde Johnny. Dat deed ie altijd op familiefeesten. Zoals gewoonlijk raakte hij halverwege zijn tekst kwijt. Op dat moment kwam er een lachje om zijn mond en draaiden zijn ogen naar het plafond, alsof hij hulp van boven verwachtte. De spanning werd opgelost doordat een van de familieleden weer het refrein inzette: singing ah ya yippie yippie ye.
Twee vaders van vriendjes werden met het borrelglas in de hand opeens ondeugende grappenmakers. Vrouwen kregen een rood hoofd en de slappe lach. Ik keek af en toe naar mijn vader en moeder. Die lachten mee, dus het mocht. Laat in de avond trok de polonaise tussen de tafels door. Ik liep nog wat onwennig mee.
Tegen half vier in de ochtend liepen we naar huis. Het was in juni, er was nog geen zomertijd, dus het werd al licht. We liepen midden op straat. Dat deden we anders nooit. Om vier uur lag ik op bed. Dat was een flinke verbetering van mijn record laat-naar-bed-gaan.

1

IN DE GEEST VAN LENIN (SLOT)

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (16)

(vervolg op het vorige blog, d.d. 28 juli)

Een winkel in de Sovjet-Unie

In Leningrad sta ik samen met Karin ‘s morgens vroeg in een lange rij. De muren van de winkel zijn wit betegeld. De schappen zijn halfvol. Er staan deegwaren, blikken vlees en vis. In manden liggen kolen, tomaten en eieren. Een vrouw in een witte stofjas rekent af met behulp van een telraam. Ik lees Karin voor wat er op de bordjes staat.
Ik ken het cyrillisch schrift en enkele Russische woorden. Ik heb het boek van John Reed gelezen over de Russische Revolutie. ‘Zonder voorbehoud beveel ik het de arbeiders van de hele wereld aan’, schreef Lenin in het voorwoord. Ik ken een couplet van de Internationale in het Russisch. Steeds vaker ben ik een vraagbaak voor mijn medereizigers.
Weer buitengekomen vertelt Karin in een bijzin over haar vriend die in Nederland gebleven is. Ik wist niet dat zij een vriend had en kan wel door de grond zakken. Ik neem mij voor haar verder te mijden, ik moet mijn hoofd erbij houden. Maar dat lukt van geen kant. We trekken steeds weer naar elkaar toe, als de helften van een magneet. De verliefdheid is niet tegen te houden.
Op een avond met jeugdleden van de communistische partij bevragen Nederlanders en Russen elkaar over werk, vrije tijd en politiek. Na afloop gaan de discussies in onze groep door. Als de Russische onvrijheden worden aangevallen, zeg ik dat het land in opbouw is. De opmerkingen over waardeloze spijkerbroeken en smakeloze cola kan ik tegengaan door de westerse consumptiemaatschappij te hekelen. Maar de vraag, waar ik zelf dan het liefst zou willen wonen, laat ik maar onbeantwoord.

Wachten op de bus. Ik maak een aantekening (uiterst links)

Op de voorlaatste avond gaat onze groep naar een luxe Amerikaanse bar in Leningrad. Ik ga niet mee. ‘Imperialistisch gedoe’, zeg ik tegen Karin. Maar de werkelijke reden is, dat ik met haar in het hotel wil blijven.
Voor het eerst van mijn leven heb ik een eigen hotelkamer. Het voelde de eerste dag als een enorme luxe: rustig op de wc zitten met de deur open. Totdat ik ontdekte dat het wc-papier ontbrak. Toen moest de folder van het Marx-Leninmuseum eraan geloven.
De deur van mijn kamer is nog niet dicht of Karin en ik omhelzen elkaar.
‘In de geest van Lenin’, zeg ik.
‘Genoeg, hou op!’
De tl-buis boven het bed bromt.
‘Of is het afluisterapparatuur?’, vraagt Karin.
Direct na het vrijen barst zij in huilen uit, ze voelt zich schuldig tegenover haar vriend. Bedremmeld probeer ik haar te troosten, terwijl ik me danig zit te verbijten, dat ik op de verkeerde ben gevallen.
De volgende morgen kies ik terneergeslagen een plaats achter in de bus, ver van de anderen. Er volgt een excursie naar een school, waar een leerkracht de zegeningen van de communistische opvoeding roemt. Als in een belendend lokaal iemand ongenadig weemoedig op een accordeon begint te spelen, kan ik wel janken. Maar ’s avonds zeg ik vermoeid tegen Karin: ‘het is jammer, maar we hebben mooie dingen meegemaakt met elkaar’.
‘Walgelijk’, reageert Karin en ze wil weglopen, ‘hou op met die verstandelijke overwegingen. Waar zit je gevoel, man?’
Ik weet niets te zeggen, ik wil alleen maar slapen.

 

0

IN DE GEEST VAN LENIN

Herinnering

Studeren in de jaren ’70 (15)

De plannen van de partij – zijn de plannen van het volk

Met een groep Nederlanders ben ik in een bus onderweg naar het Rode Plein in Moskou. ‘Het leninisme is ons vaandel’. ‘De besluiten van het 25e congres worden uitgevoerd’. Het wordt ons vanaf spandoeken duidelijk gemaakt. We rijden te midden van vrachtwagens en bussen uit de vijftiger jaren. Bij een verkeerslicht staat een bus stil, de chauffeur staat gebogen over de geopende motorkap, een emmer water naast zich.
Wij hadden lang moeten wachten op onze bus en toen die er eenmaal was moest er nog een andere chauffeur komen. Op het Rode Plein volgt een nieuwe wachtperiode, ditmaal voor het mausoleum van Lenin. Enkele bouwvakkers stappen van een steiger bij de muur van het Kremlin. Pas op het laatste moment, zie ik dat het vrouwen zijn. Een vrouw in een overall vol met steengruis doet haar handschoenen uit en strijkt een piek haar achter haar oren.
Het is 1976 en ik ben met een groep op reis in de Sovjet-Unie. Na alle negatieve verhalen in Nederland over de vijand achter het IJzeren Gordijn wil ik eens met eigen ogen bekijken hoe men hier het ‘reële socialisme’ vormgeeft. Het is een reis met sociale excursies.

Zo gaan we op bezoek in een kindervakantiekolonie, een erehaag van kinderen in uniform wacht ons op. Onder begeleiding van een tandeloze accordeonist voeren zij liedjes op, gymnastische oefeningen en ballet, alles zeer gedisciplineerd. Na het Ka-ka-lin, ka-ka-la van de Oktoberjeugd is het onze beurt. Wij zingen enkele Nederlandse kinderliedjes. Vooral Mijn tante uit Marokko waarbij de kinderen de bewegingen mee kunnen doen is een groot succes. Pas na twee toegiften mogen we het podium verlaten, waarna een leidster, ‘sprekend in de geest van Lenin, de kindervriend’ ons hartelijk bedankt.
Onze groep bestaat uit enkele links georiënteerde jongeren, naast deelnemers die niet in de politiek geïnteresseerd lijken. Ik kijk de eerste dagen de kat uit de boom en probeer me aardig voor te doen. Ik heb mede ingetekend op de reis om mensen te leren kennen, schrijf ik in mijn vakantiedagboekje; waarna ik mezelf direct corrigeer: ‘Mensen? Meisjes zal je bedoelen, held op sokken, stille bewonderaar, dagdromer’.

Onder luide aanmoedigingen dans ik met een dame op mijn rug

Er staat een feestavond op het programma met de jeugdafdeling van de communistische partij in een textielfabriek. ‘Dus kleed maar je beste kleren aan’, zegt Irina, onze Nederlands sprekende begeleidster. In de kantine worden we aan tafeltjes gezet tezamen met medewerksters uit de fabriek. Het zijn jonge vrouwen met geverfde haren, rode lipstick en vooruit staande borsten. Het hoofd van de afdeling verwelkomt ons met de leuzen van het 25e congres: vrede en solidariteit. Zij eindigt met de aanbeveling om eerst met elkaar kennis te maken. Achterin de kantine zet een jongen Dynamite van Mud op. Helaas spreken de dames aan onze tafel enkel Russisch, zodat we niet veel verder komen dan de uitwisseling van onze namen en woonplaatsen. De Riesling gaat open en er zijn sneetjes met ham en stukjes meloen. Vervolgens ook ijs, morozjenowo zeg ik Swetlana na.
Gelukkig hebben wij nog onze tante uit Marokko, de stoelendans en de zevensprong. De Russische dames zingen een lied, aan het einde waarvan zij ons allemaal bestormen, waarna we ons uit een kluwen van lijven moeten bevrijden. Er wordt nieuwe Riesling gebracht. En wodka. Ondertussen heb ik alleen maar aandacht voor één vrouw uit onze groep, Karin.

(wordt volgende week vervolgd)

0

EEN S-BOCHT

Herinnering

De smalle Themaat

Het is een zonnige zondagmiddag, G en ik fietsen over de Thematerweg in Vleuten. Het is een smal polderweggetje iets ten noorden van het dorp. Aan beide zijden van de weg ligt een sloot. Verspreid liggen links en rechts oude boerderijen. Je waant je in het verleden.
Het eerste deel is niet veel breder dan een fietspad. Er staan knotwilgen in de berm. Het tweede deel is breder ten behoeve van het verkeer naar Haarzuilens. De Thematerweg is een kaarsrechte weg, op één bocht na. In het brede deel is er een S-bocht. Het is een kromming met historie, de Noodlotsbocht van de familie van Dijk.
De weg loopt al eeuwenlang door de polders Themaat en Wielreveld. Reeds in 1226 wordt de verbinding in de boeken genoemd. Hij loopt van de voormalige ridderhofstad den Engh, even ten westen van Utrecht, naar het kasteel de Haar. De S-bocht is ooit ontstaan omdat men bij de ontginning van de polder uitging van weidepercelen met een standaardlengte van 1300 meter.

Zo rond 1920 hebben mijn tante Jo (18 jaar) en haar broer Johan (16 jaar) de eerste prijs gewonnen in de versierde optocht op Koninginnedag, eind augustus. Mijn vindingrijke opa had van twee fietsen en een rol gaas een kleine auto gemaakt, een vervoermiddel dat  destijds sterk in opkomst was. De feestauto was versierd met klimop en bloemen. In hun overwinningsroes maakten broer en zus met het jongste broertje Kees (6 jaar), mijn vader, nog een rondje over Themaat. Zij merkten niet dat er onderweg enkele moeren waren losgegaan. In de bocht van de weg raakten zij de macht over het stuur kwijt en belandden met bloemen en al in de sloot. Jo’s eerste zorg was de kleine Kees, maar die was al eerder dan zij weer op de kant gekropen. Johan was blij, dat hij geen been gebroken had. Dat was hem als kind al tweemaal overkomen.
Ook mijn opa was meer dan opgelucht. Hij had in zijn jeugd een broertje verloren, die tijdens het spelen ongemerkt in een sloot was beland.
Behalve de natte pakken en het uit elkaar gevallen feestvoertuig leek er niets aan de hand. Totdat enkele dagen later Keesje problemen had met zijn ogen. Hij kon in de krant de letters niet van elkaar onderscheiden. Hij mocht van de dokter enkele weken niet naar school.

Jaren later, in 1959, had mijn neef Dirk (20 jaar) de beschikking over een motor. Dat was een machtig mooi gevaarte met een vermogen en een snelheid, waarbij vergeleken een bromfiets een slak was. Het was augustus, het weer was goed. Hij nodigde mijn broer Jos (12 jaar) uit voor een rondje over Themaat. Met wapperende haren reden zij over de Parkweg. Na het bruggetje aan het einde van de Joostenlaan kon Dirk op de Thematerweg weer gas geven. Bij het afremmen voor de S-bocht slipte de motor onderuit. De beide neven belandden met motor en al in de sloot. Jos werd met een gebroken bovenbeen naar het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht vervoerd, waar hij drie maanden lang met zijn been omhoog moest liggen.

‘Een bocht met historie’, zeg ik tegen G. Als ik door de flauwe bocht fiets, kan ik er nauwelijks een S-bocht in zien. Het is eigenlijk maar een lullig bochtje.

0

EEN SPELING VAN HET LOT

Herinnering

Foto: De Utrechtse Internet Courant

Per 1 juni sluit banketbakkerij Hagdorn aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht de deuren. Er is geen opvolger gevonden, die zich elke week zes lange dagen tussen de zoetwaar in het zweet wil werken. Daarmee zal een van Utrechts bekendste middenstandsparels verdwijnen. Ik zou op deze plek geen aandacht aan de sluiting hebben besteed, als ik niet in de derde klas van het gymnasium (schooljaar 67/68) gek was geweest op de dochter van de banketbakker.
H was een lief, intelligent en verder doodgewoon meisje. Zij toonde regelmatig haar warme belangstelling voor mij. Klasgenoten noemden mij in die tijd Nol. Had ik eens een zeven voor een Herodotusvertaling gehaald, dan riep H hartstochtelijk uit: ‘O, Nol!’. Na een verloren tafeltenniswedstrijd, was het een liefdevol ‘O, Nol!’ Het spreekt, dat ik voortdurend mijn best deed om mijn verzameling ‘O, Nol’s’ uit te breiden.
Tijdens een klasseavond liepen de jongens om een binnenkring van meisjes heen. Als de muziek stopte, had je je partner gevonden. Ik kwam precies bij H uit, zodat ik haar om de nek kon vallen. Ik was er nog niet uit, welke waarde ik aan deze uitkomst moest hechten. Deze gebeurtenis viel echter in het niet bij wat zich enkele maanden daarna zou voordoen.
Voor mijn verjaardag had ik een aantal vrienden en klasgenoten uitgenodigd, waaronder natuurlijk H. Het had mijn ouders wijs geleken, dat ik het feest in onze garage zou vieren. Een dag lang was ik bezig met het opruimen van bonenstaken, fruitkisten, kippengaas en spinnenwebben. De kale muren versierde ik met banen gekleurd crèpepapier en foto’s van popsterren uit de Muziek Expres.
Ruim op tijd ging ik aan het begin van de avond op weg naar het station om H en haar vriendin af te halen. Maar niet nadat ik mij tevoren rijkelijk had besprenkeld met eau de cologne van 47/11. Mijn moeder zag het gebeuren, deed haar mond open, maar besloot die wijselijk weer te sluiten zonder er een woord aan vuil te maken.
Het liefst had ik H bij ontvangst willen zoenen. Maar omdat ik niet wist, of ik de vriendin dan ook moest zoenen, gaf ik hen allebei een hand. Hierop barstte de vriendin in een onbedaarlijke lachbui uit. Ik kon wel door de grond zakken. Ik had me niet aan de etiquette gehouden. Of misschien was het wel die eau de cologne.
Daarop vertelde H met een rood hoofd, dat zij met haar vriendin een spel speelde. Zij telde voorwerpen (10 rode auto’s en 10 blauwe voordeuren). De 10e man die zij vervolgens een hand zou geven zou de man zijn met wie zij zou gaan trouwen. Die eer viel mij te beurt.
Ik was in verwarring. Was dit nu een teken van de voorzienigheid? Of een betekenisvolle speling van het lot? Misschien was het H wel geweest, die als eerste haar hand had uitgestoken. Ik zag Amor met zijn cupidootjes wegvliegen boven het stationsgebouw.
Een paar maanden later ging H naar 4gymB en ik naar 4 gymA en was de liefde weer vervlogen. Van haar taartjes heb ik nooit mogen eten.

0

HAUST PANEERMEEL

Herinnering

Er staan vier huizen plus een eettentje rond een spoorwegovergang, meer is het niet: Assel, een gehucht ten westen van Apeldoorn. Ik fiets er rond en speur naar een vakantiehuis in het bos.
In het voorjaar van 1960 ging ik voor het eerst van mijn leven met mijn ouders, broer en zussen en weekje op vakantie. Eigenlijk is vakantie niet het goede woord. Mijn vader was depressief geraakt en om daarvan bij te komen stelde zijn directeur diens vakantiewoning op de Veluwe een weekje ter beschikking. Het was een houten huisje, midden in het bos, niet ver van de spoorlijn naar Apeldoorn. Het heette de Turfflesch.
Ik was zeven jaar, voetbalde met mijn broer en speelde op mijn eentje zelfbedachte spelletjes op het grasveld naast het huis. Af en toe fietsten mijn vader en ik naar een kloosterboerderij om melk te halen. Ik mocht er kijken naar de varkens in de schuur.

Mijn broer wil bij mij een doelpunt maken

Of de vakantie mijn vader geholpen heeft, zou ik niet weten. Daar werd niet over gesproken. Ik wist alleen dat deze week iets met zijn ziekte te maken had en dat we de directeur van Douwe Egberts eeuwig dankbaar moesten zijn voor diens edelmoedige gebaar.
Dat mijn moeder na dit weekje minder gezond naar huis ging was mij echter meer dan duidelijk. Het was bovendien nog mijn schuld ook.
Het was midden in de week. Iemand begon na het avondeten opeens over Haust paneermeel. Ik moest daar vreselijk om lachen en holde naar mijn moeder die in het keukentje de afwas deed. In de gang botste ik hard tegen haar op. Zij had veel pijn. Alle familieleden hadden aandacht voor haar, niemand keek naar mij om. De hoofdpijn van mijn moeder zou weken aanhouden. De huisarts schreef rust voor. Jaren later, bij het opruimen van het ouderlijk huis, zou ik in de map Apotheek nog recepten voor kalmeringsmiddelen tegenkomen, die dr. Fizaan in 1960 voor mijn moeder had uitgeschreven. Het was een ongelukje, maar ik voelde mij diep schuldig. Onze eerste vakantie, de vakantie voor het heil van mijn vader, had ik voor mijn moeder grondig verpest.

Bij de spoorwegovergang werkt Structon aan de verbetering van het spoor. Het terras van Halte Assel, het eettentje naast de spoorwegovergang, zit vol. Niets hiervan komt mij na achtenvijftig jaar bekend voor. Wel zie ik even verderop een boerderij van de Paters Salesianen van Don Bosco. Nergens zie ik een eenzaam houten huisje in het bos.
Als ik een paar dagen later een rondje over Kootwijk fiets en op een paar kilometer van Assel de spoorlijn passeer, zie ik opeens een glimp van een huis in het bos. Ik keer mijn fiets en zie, verstopt achter de struiken, een houten woning liggen. Ik zie de horizontale planken op de gevel en de kenmerkende knik in het dak. Dit moet de Turfflesch zijn. Het huisje was in mijn herinnering sparrengroen, nu is het zwart. Hier ligt een glimp uit mijn jeugd, een plek voor altijd verbonden met mijn eerste vakantie en nog meer met Haust paneermeel.